Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9825

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
200.138.577
Formele relaties
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2016:726, Prejudiciële beslissing
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2015:8436
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2015:3900
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurrecht Woonruimte. Vervolg op HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726, NJ 2016/449. De verhuizing tijdens de werkzaamheden aan de huurwoning was noodzakelijk door de renovatiewerkzaamheden. De huurder heeft recht op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2018/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Nijmegen: 873549)

arrest van

in de zaak van

1 [appellant sub 1]

2. [appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

verweerders in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: [appellanten]

advocaat: mr. M.A. Wellen,

tegen:

de stichting

Stichting Portaal,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

eiseres in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [Portaal]

advocaat: mr. D.J. Sauer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 november 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

■ Het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726, NJ 2016/449,

■ de akte houdende uitlating na arrest Hoge Raad van [appellanten],

■ akte houdende uitlating na arrest Hoge Raad tevens voorwaardelijk incidenteel appel ex artikel 6:230 lid 2 BW van Portaal,

■ de akte antwoord naar aanleiding van voorwaardelijk incidenteel appel van [appellanten].

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

2.1

Het hof heeft in zijn tussenarrest de navolgende prejudiciële vragen ex artikel 392 Rv aan de Hoge Raad voorgelegd:

1. Heeft een huurder aanspraak op een bijdrage in de kosten van verhuizing, zoals bedoeld in artikel 11g Bbsh (oud)/artikel 7:220 leden 5 en 6 BW, als de renovatiewerkzaamheden die nopen tot het tijdelijk moeten verlaten van het gehuurde, worden uitgevoerd op basis van door de huurder geïnitieerd overleg tussen huurder en verhuurder?

2. Maakt het voor de beantwoording van vraag 1 verschil als de verhuurder dringende werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 7:220 lid 1 BW uitvoert en hij de huurder de keuze geeft voor het tegelijkertijd uitvoeren van renovatiewerkzaamheden zoals bedoeld in artikel 7:220 lid 2 BW, waarbij deze renovatiewerkzaamheden nopen tot het tijdelijk moeten verlaten van het gehuurde, mede in het licht van de bewoordingen van lid 2 (“wanneer de verhuurder … wil overgaan tot renovatie”)? Wanneer is bij groot onderhoud sprake van dringende werkzaamheden en wanneer van renovatie?

3. Heeft de rechter de vrijheid in geval van een combinatie van uitvoering van dringende werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:220 lid 1 BW en renovatiewerkzaamheden als bedoeld in artikel 7:220 lid 2 BW die tezamen nopen tot het tijdelijk moeten verlaten van het gehuurde, de verhuiskostenvergoeding van artikel 11 Bbsh (oud)/artikel 7:220 leden 5 en 6 BW toe te kennen, zonder het causaal verband tussen de renovatiewerkzaamheden en de verhuizing te behoeven vast te stellen, (a) in het geval de verhuurder schadeplichtig is op grond van art. 7:220 lid 1 BW of (b) zelfs zonder vast te behoeven te stellen dat de verhuurder schadeplichtig is?

4. Is artikel 11g Bbsh (oud) in dier voege dwingend recht, dat een huurder geen afstand kan doen van de verhuiskostenvergoeding als hij een redelijk voorstel van de verhuurder tot uitvoering van renovatiewerkzaamheden zoals bedoeld in artikel 7:220 lid 2 BW aanvaardt, althans dat hij daarvan alleen afstand kan doen met een uitdrukkelijk in het renovatievoorstel opgenomen bepaling? Zou het antwoord anders luiden, als de aanspraak van de huurder is gebaseerd op artikel 7:220 leden 5 en 6 BW?

2.2

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 april 2016 de vragen als volgt beantwoord:

“3.4.1 Op grond van art. 11g lid 1 Bbsh (oud), respectievelijk art. 7:220 lid 5 BW, draagt de toegelaten instelling, respectievelijk de verhuurder, bij in de verhuis- en inrichtingskosten van de huurder, indien die verhuizing ‘noodzakelijk is in verband met de voorgenomen renovatie, als bedoeld in art. 7:220 lid 2, derde zin’.

Art. 7:220 lid 1 BW kent de huurder een aanspraak toe op (onder meer) ‘schadevergoeding’ ingeval gedurende de huurtijd dringende werkzaamheden aan het gehuurde moeten worden uitgevoerd en de huurder daartoe, ingevolge diezelfde bepaling, gelegenheid moet geven.

3.4.2

Art. 7:220 lid 2, derde zin, BW — welke bepaling ook reeds gold toen het Bbsh (oud) nog van kracht was — bepaalt dat onder renovatie wordt verstaan ‘zowel sloop met vervangende nieuwbouw als gedeeltelijke vernieuwing door verandering of toevoeging’. Hieruit moet worden afgeleid dat renovatie in de hier bedoelde zin geacht wordt te leiden tot een toename van het woongenot, als gevolg van de vervangende nieuwbouw dan wel als gevolg van de gedeeltelijke vernieuwing van de bestaande woning door middel van een (fysieke) verandering of toevoeging. Hiermee strookt dat blijkens de parlementaire geschiedenis geen sprake is van renovatie in de hier bedoelde zin indien slechts de aan de huurder geboden service wordt uitgebreid (vgl. Parl. Gesch. Huurrecht, p. 328 (Kamerstukken II 2000/01, 26089, 19, p. 26)).

Het begrip dringende werkzaamheden in art. 7:220 lid 1 BW ziet blijkens de parlementaire geschiedenis op werkzaamheden die bij uitstel tot extra kosten of tot schade of nadeel zouden kunnen leiden (vgl. Parl. Gesch. Huurrecht, p. 321, 324 en 333 (Kamerstukken II 1997/98, 28089, 3, p. 30, Kamerstukken II 1999/2000, 28089, 6, p. 22, en Kamerstukken II 2000/01, 26089, 19, p. 29)). Anders dan bij renovatie als bedoeld in art. 7:220 lid 2, derde zin, BW, zijn dringende werkzaamheden op de voet van art. 7:220 lid 1 BW dus niet steeds gericht op een toename van het woongenot.

Uit het voorgaande volgt dat in een concreet geval sprake kan zijn van samenloop van renovatie als bedoeld in art. 7:220 lid 2, derde zin, BW, en dringende werkzaamheden als bedoeld in art. 7:220 lid 1 BW.

De vraag of in een concreet geval sprake is van renovatie, dan wel van dringende werkzaamheden, dan wel van samenloop van beide, een en ander als hiervoor bedoeld, vergt een beoordeling van de omstandigheden van dat geval in het licht van vorenstaande maatstaven.

3.4.3

Ingevolge art. 11g lid 1 Bbsh (oud), respectievelijk art. 7:220 lid 5 BW, is de verhuiskostenvergoeding slechts verschuldigd indien sprake is van renovatie in de hiervoor in 3.4.2 bedoelde zin, en de werkzaamheden die nodig zijn voor die renovatie, verhuizing noodzakelijk maken. Die bepalingen zien derhalve niet op de situatie dat uitsluitend dringende werkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden worden verricht, en deze werkzaamheden verhuizing noodzakelijk maken. Indien in een concreet geval renovatie wordt gecombineerd met dringende werkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden — welke combinatie in het spraakgebruik soms met ‘groot onderhoud’ wordt aangeduid — is de verhuiskostenvergoeding ingevolge de hiervoor bedoelde bepalingen slechts verschuldigd indien de voor de renovatie nodige werkzaamheden — op zichzelf beschouwd en dus ongeacht de overige werkzaamheden — het noodzakelijk maken dat de huurder verhuist. (Vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31528, 7, p. 5-7)

3.4.4

Met hetgeen hiervoor in 3.4.1-3.4.3 is overwogen, zijn de vragen 2 en 3 beantwoord.

3.5

Voor de beantwoording van de vraag of in een concreet geval ingevolge art. 11g Bbsh (oud), respectievelijk art. 7:220 leden 5-7 BW, een verhuiskostenvergoeding verschuldigd is, is niet van belang of de renovatie wordt uitgevoerd op basis van overleg waartoe de huurder het initiatief heeft genomen, dan wel anderszins op verzoek of initiatief van de huurder geschiedt. Voor de toepassing van deze bepalingen is uitsluitend van belang dat sprake is van renovatie in de hiervoor in 3.4.2 bedoelde zin, en dat die renovatie verhuizing noodzakelijk maakt. Daarmee is vraag 1 beantwoord.

3.6.1

Art. 11g Bbsh (oud), dat onderdeel was van een regeling die uitsluitend gold voor de sociale-huursector, bepaalde niet of dit voorschrift van dwingend dan wel van regelend recht was. De totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling bevat evenmin aanwijzingen hieromtrent.

Art. 49 lid 1 Bbsh (oud) kende de minister de bevoegdheid toe om af te wijken van het Bbsh (oud), mits dit geschiedde ‘ten behoeve van experimenten die naar zijn oordeel in het belang van de volkshuisvesting zijn’. Mede gelet op het hiervoor genoemde toepassingsgebied van de Bbsh dient art. 49 lid 1 Bbsh (oud) aldus te worden verstaan dat de daarin geregelde bevoegdheid om af te wijken van het Bbsh, een uitzondering vormde op de hoofdregel dat het Bbsh dwingend recht bevatte. Op deze grond moet worden aangenomen dat ook art. 11g Bbsh (oud) een regeling van dwingendrechtelijke aard was.

Gegeven het dwingendrechtelijke karakter van art. 11g Bbsh (oud) kon hiervan niet door partijen worden afgeweken. Evenmin kon een huurder afstand doen van zijn uit art. 11g Bbsh (oud) voortvloeiende rechten door aanvaarding van een redelijk voorstel van de verhuurder tot uitvoering van renovatiewerkzaamheden zoals bedoeld in art. 7:220 lid 2 BW, dan wel door middel van een uitdrukkelijk in het renovatievoorstel opgenomen bepaling.

3.6.2

Zoals hiervoor in 3.3.2 is overwogen, is de regeling van art. 11g Bbsh (oud) bij Wet van 4 februari 2010 overgebracht naar art. 7:220 leden 5-7 BW. Aan die verplaatsing ligt met name ten grondslag dat de wetgever het wenselijk achtte de regeling van de verhuiskostenvergoeding, en de daarin besloten bescherming van de huurder, ‘die thans alleen voor sociale verhuurders geldt, uit te breiden tot particuliere verhuurders’ (Kamerstukken II 2007/08, 31528, 3, p. 1; zie tevens Kamerstukken II 2007/08, 31528, 4, p. 2).

Voorts kan uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 4 februari 2010 worden afgeleid dat de regeling van de verhuiskostenvergoeding van dwingend recht is, en dat de huurder altijd recht heeft op de minimumbijdrage als bedoeld in art. 7:220 lid 6 BW (Kamerstukken II 2007/08, 31528, 3, p. 6; Kamerstukken I 2009/10, 31528, C, p. 3).

Ten slotte is van belang dat bij de totstandkoming van de Wet van 4 februari 2010 uitdrukkelijk ervan is uitgegaan dat art. 11g Bbsh (oud) van dwingend recht is (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31528, 7, p. 6), en dat in de parlementaire geschiedenis van die wet niet tot uitdrukking is gebracht dat voor de regeling van art. 7:220 leden 5-7 BW iets anders geldt, hetgeen voor de hand had gelegen indien dit was beoogd.

Een en ander duidt erop dat de regeling van art. 7:220 leden 5-7 BW van dwingendrechtelijke aard is.

3.6.3

Daar staat tegenover dat art. 7:242 leden 1 en 2 BW een opsomming bevat van bepalingen waarvan niet of slechts bij standaardregeling als bedoeld in art. 6:214 BW ten nadele van de huurder kan worden afgeweken, en dat art. 7:220 BW niet in art. 7:242 leden 1 en 2 BW wordt vermeld. Dit duidt erop dat art. 7:220 BW een bepaling van regelend recht is. Ook de parlementaire geschiedenis van art. 7:242 BW bevat een aanwijzing in die richting, nu art. 7:220 BW daarin niet als een bepaling van dwingendrechtelijke aard wordt genoemd (vgl. Parl. Gesch. Huurrecht, p. 452-453 (Kamerstukken II 1997/98, 26089, 3, p. 40)).

In dit verband is evenwel van belang dat art. 7:220 BW ten tijde van de totstandkoming van art. 7:242 BW (en de hiervoor vermelde passage in de parlementaire geschiedenis) uitsluitend de huidige leden 1-4 kende, en dat de leden 5, 6 en 7 eerst bij Wet van 4 februari 2010 aan de tekst van art. 7:220 BW zijn toegevoegd.

3.6.4

Bij afweging van een en ander komt doorslaggevend gewicht toe aan het hiervoor in 3.6.2 vermelde oogmerk van de wetgever om de regeling van de verhuiskostenvergoeding van art. 7:220 leden 5-7 BW op alle verhuurders van toepassing te doen zijn en de huurder altijd aanspraak te geven op de minimumbijdrage als bedoeld in art. 7:220 lid 6 BW. Deze uitleg van art. 7:220 leden 5-7 BW strookt bovendien met de dwingendrechtelijke aard van de regeling inzake de verhuiskostenvergoeding bij beëindiging van de huurovereenkomst (art. 7:275 lid 3 in verbinding met art. 7:282 BW).

Het vorenstaande betekent dat de regeling van art. 7:220 leden 5-7 BW — evenals die van art. 11g Bbsh (oud) — van dwingendrechtelijke aard is, met de daaraan verbonden rechtsgevolgen overeenkomstig hetgeen hiervoor in 3.6.1 ten aanzien van art. 11g Bbsh (oud) is overwogen.

3.6.5

Met hetgeen hiervoor in 3.6.1-3.6.4 is overwogen, is vraag 4 beantwoord.”

2.3

De antwoorden van de Hoge Raad houden in dat de verhuiskostenregeling van toepassing kan zijn als de renovatie (mede) op initiatief van de huurder plaatsvindt en dat artikel 11g Bbsh dwingend recht is, waarvan niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken. De primaire en meer subsidiaire verweren van Portaal (nrs. 39 e.v., respectievelijk nrs. 58 e.v. memorie van antwoord) worden daarom verworpen. Uit de beantwoording van de vragen 2 en 3 volgt dat grief 4 niet gegrond is.

2.4

De antwoorden van de Hoge Raad impliceren verder dat moet worden onderzocht welke werkzaamheden aan de woning van [appellanten] zijn te beschouwen als renovatiewerkzaamheden en of deze werkzaamheden verhuizing noodzakelijk maakten. In rechtsoverweging 3.7 van het tussenarrest van 2 juni 2015 heeft het hof weliswaar beslist dat de uitvoering van de werkzaamheden een verhuizing noodzakelijk maakte, maar dat betrof niet alleen de renovatiewerkzaamheden, maar ook de (dringende) onderhoudswerkzaamheden.

2.5

Volgens de Hoge Raad wordt renovatie “geacht (…) te leiden tot een toename van het woongenot, als gevolg van (…) de gedeeltelijke vernieuwing van de bestaande woning door middel van een (fysieke) verandering of toevoeging”. De navolgende werkzaamheden zijn uitgevoerd (zie rechtsoverweging 2.4 van het tussenarrest van 2 juni 2015):

Basis Aanpak:

Meest in het oog springende veranderingen:

Nieuw keukenblok en nieuwe wandtegels keuken (…)

Nieuwe wand- en vloertegels douche (…)

Nieuwe wand- en vloertegels toilet (…)

Stucwerk (schuurwerk) wanden boven nieuwe wandtegels in toilet en keuken

Sauswerk plafond keuken

Nieuw sanitair te weten: toiletpot + reservoir (spaar), en wastafel

Nieuw garnituur douche

Aanpassen groepenkast elektra

Basis aanpak+:

Werkzaamheden zie boven aangevuld met:

Nieuw plafond in woonkamer (stucplafond)

Nieuwe binnendeuren gehele woning

Schakelmateriaal en wandcontactdozen vernieuwen

Wandtegels achter wastafel (spatscherm) slaapkamer vernieuwen

Enkelglas wordt isolatieglas inclusief aanpassingen en vernieuwen ramen

Tochtwand in hal inclusief deur (portiekje)

Basis aanpak++:

Zie voorgaande met als extra:

Woonkamer aanbrengen vloerplaat (zacht/hardboard)

Uitbreiding aantal wandcontactdozen o.a. in woonkamer en keuken

Slaapkamer 2e verdieping wordt slaapkamer nieuwe badkamer (douche/bad/toilet)

Compleet tegelwerk vloer en wand tot plafondhoogte (…)

Cv ketel wordt verplaatst naar zolder incl alle aanpassingen hiervoor

Extra trap naar zolder inclusief hekwerk (bestaande douche wordt trapopgang)”.

2.6

Tussen partijen is niet werkelijk in geschil dat alle werkzaamheden die zijn opgesomd onder “Basis aanpak+” en “Basis aanpak++” renovatiewerkzaamheden in de zin van artikel 7:220 lid 2 BW zijn, ook omdat deze werkzaamheden de grondslag hebben gevormd voor de huurverhoging op grond van artikel 7:255 lid 1 sub b BW (zie wat de stellingen van Portaal hierover betreft: nrs. 10, 87 en 104 memorie van antwoord; aan de hiermee strijdige en onvoldoende uitgewerkte opmerking in nrs. e.v. 6 akte van 14 februari 2017 dat alleen de aanleg van de zoldertrap en het aanbrengen van dubbele beglazing als renovatie zijn te beschouwen gaat het hof daarom voorbij; partijen konden, anders dan Portaal verdedigt, niet door het begrip renovatie afwijkend te definiëren ontkomen aan het dwingendrechtelijke regime van artikel 11g Bbsh (oud)). Het gaat onder andere om de volgende werkzaamheden die het comfort in de woning hebben verhoogd: aanbrengen van geluidsisolerend materiaal op een deel van de vloeren, aanbrengen van isolatieglas, verplaatsing van de cv-ketel van de keuken naar de zolder, aanleg van een vaste trap naar de zolder en vervanging van een doucheruimte in het “voorhuis” door een badkamer met bad, douche en WC in het “achterhuis”. Vooral deze werkzaamheden maakten het blijven bewonen van de woning moeilijk in verband met herinrichting van de ruimtes, hak- en breekwerk voor de leidingen, afsluiting van gas, water en elektra en blootstelling aan de buitentemperatuur wegens vervanging van de ramen. Dat kan in veel mindere mate worden gezegd van de werkzaamheden die beschreven staan onder “Basis Aanpak”, waarvan alleen de vernieuwing van het keukenblok en wand- en vloertegels ingrijpend is. Omdat de werkzaamheden bovendien in de koude maanden plaatsvonden en het gezin van [appellanten] toen bestond uit twee ouders en twee kinderen en daardoor meer last zouden hebben gehad van afsluiting van gas, elektra en water, een en ander mede in het licht van het dringende advies van de aannemer om gebruik te maken van de wisselwoning, komt het hof tot de conclusie dat de renovatiewerkzaamheden verhuizing noodzakelijk maakten. Dat betekent dat de grieven 1, 2 en 3 gegrond zijn en dat [appellanten] in beginsel aanspraak hebben op de verhuiskostenvergoeding van artikel 11g Bbsh.

2.7

Portaal heeft voor het geval zij gehouden zou zijn de verhuiskostenvergoeding aan [appellanten] te betalen, zich op dwaling beroepen, naar het hof begrijpt ter zake van de overeenkomst die zij met [appellanten] is gegaan met betrekking tot de werkzaamheden aan de woning (nr. 65 memorie van antwoord en nrs. 37 e.v. akte van 14 februari 2017). Het hof wijst dit beroep op dwaling af, omdat de dwaling op grond van de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van Portaal behoort te blijven (artikel 6:228 lid 2 BW). Als sociale verhuurder had zij behoren te beseffen dat de verhuiskostenvergoedingsregeling van artikel 11g Bbsh van dwingend recht was en mocht zij er niet op vertrouwen dat de regeling niet zou gelden, als de renovatie op initiatief van de huurder zou worden uitgevoerd.

2.8

Vervolgens heeft Portaal aangevoerd dat een aantal kosten die zij ter gelegenheid van de werkzaamheden aan de woning heeft gemaakt, moeten worden verrekend met de verhuiskostenvergoeding van artikel 11g Bbsh (nrs. 74 e.v. memorie van antwoord en nrs. 46-47 akte van 14 februari 2017). De verhuiskostenvergoeding wordt uitgekeerd ter dekking van de kosten van twee verhuisbewegingen, uit de woning en terug naar de woning, en van schilder- en stofferingswerkzaamheden in de gerenoveerde woning. Uit de zin “Indien de huurder tijdelijk elders wordt gehuisvest en na de renovatie terugkeert in zijn oorspronkelijke woning wordt dat beschouwd als één verhuizing; de huurder heeft dan recht op eenmaal verhuiskostenvergoeding” (Staatsblad 2005/215, p. 4) leidt het hof af dat kosten van deze tijdelijke huisvesting elders niet mogen worden ingehouden op de verhuiskostenvergoeding. Ook de kosten van renovatie die Portaal volgens haar had kunnen doorberekenen in de huurverhoging maar die zij coulancehalve niet heeft doorberekend en de gemiste opbrengsten van het coulancehalve later laten ingaan van de huurverhoging kunnen niet alsnog worden verrekend met de verhuiskostenvergoeding, enerzijds omdat Portaal voor deze coulance destijds een reden had (het lange wachten op de werkzaamheden) en anderzijds omdat een destijds prijsgegeven aanspraak niet thans alsnog in verrekening kan worden gebracht met de vordering van [appellanten] op Portaal.

2.9

Omdat de verhuiskostenvergoeding niet alleen ziet op de kosten van het vervoer van huisraad van en naar de tijdelijke woning, maar ook op het schilderen en stofferen van de gerenoveerde woning, heeft Portaal onvoldoende uitgewerkt waarom er een wanverhouding is tussen de werkelijk door [appellanten] gemaakte kosten en de forfaitaire verhuiskostenvergoeding. Om die reden faalt zowel het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) als op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Tenslotte stond niets eraan in de weg dat [appellanten] eerst na de renovatie de verhuiskostenvergoeding, waarop zij aanspraak hebben, van Portaal vorderden. Het daarop ziende verweer van Portaal faalt ook.

2.10

Grief 5 behoeft geen behandeling.

2.11

Portaal is niet-ontvankelijk in haar voorwaardelijke incidenteel hoger beroep, omdat het ingesteld had moeten worden vóór of gelijk met de memorie van antwoord.

3 Slotsom in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

3.1

De grieven 1 tot en met 3 slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vordering van [appellanten] tot betaling van de verhuiskostenvergoeding van € 5.264,28 zal worden toegewezen. Omdat voldoende duidelijk is geworden dat [appellanten] kosten hebben gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte en Portaal dit deel van de vordering van [appellanten] niet gemotiveerd heeft betwist, zullen de buitengerechtelijke incassokosten op basis van het toepasselijke Rapport Voor-Werk I worden bepaald op € 768,00 (2 punten van tarief I). De gevorderde wettelijke rente over beide bedragen zal worden toegewezen. Portaal is niet-ontvankelijk in haar voorwaardelijke incidenteel hoger beroep.

3.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Portaal in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste instantie aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

■ explootkosten € 101,29

■ griffierecht € 213,00

totaal verschotten € 314,29, en

voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

2 punten conform salaris in rolzaken € 500,00

3.3

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

■ explootkosten € 101,29

■ griffierecht € 299,00

totaal verschotten € 400,29, en

voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

3,5 punten x tarief I € 2.212,00

3.4

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

3.5

Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep/beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 24 september 2013, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Portaal tot betaling aan [appellanten] van € 6.032,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

in het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep:

verklaart Portaal niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

in het principaal en voorwaardelijke incidenteel hoger beroep:

veroordeelt Portaal in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellanten] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 314,29 voor verschotten en op € 500,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 400,29 voor verschotten en op € 2.212,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, F.J. de Vries en J.G.J. Rinkes, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.