Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9785

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
200.213.408
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Inkomensverlies niet verwijtbaar en niet voor herstel vatbaar. Aanvaardbaarheidstoets, minimale bijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.213.408

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 424202)

beschikking van 9 november 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. Th.P.M. Moons te Amersfoort,

en

[verweerster] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.V.S. van Baarle te Zeewolde.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 9 januari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie 1, ingekomen op 6 april 2017

- het verweerschrift met producties 1 tot en met 7

- een journaalbericht van mr. Van Baarle van 31 mei 2017 met producties 3 en 7;

- een journaalbericht van mr. Moons van 31 augustus 2017 met producties 1 tot en met 11;

- een journaalbericht van mr. Van Baarle van 12 september 2017 met producties 8 tot en met 12;

- een journaalbericht van mr. Moons van 15 september 2017 met producties 12 tot en met 17.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de man en de vrouw – die nooit hebben samengewoond – is op

[geboortedatum] te [plaatsnaam] [kind 1] (verder te noemen: [kind 1] ) geboren. De vrouw oefent alleen het gezag uit over [kind 1] en [kind 1] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw. De man heeft [kind 1] erkend.

3.2

De man is tevens de vader van [kind 2] , geboren op [geboortedatum] en [kind 3] , geboren op [geboortedatum] .

3.3

Bij beschikking van 9 januari 2017 heeft de rechtbank Midden Nederland, locatie Utrecht, bepaald dat de man met ingang van

1 september 2016 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] met € 200,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 januari 2017. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De man verzoekt - uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vrouw af te wijzen, althans bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad een met ingang van 1 september 2016 door het hof te bepalen bijdrage van de man vast te stellen.

4.2

De vrouw voert verweer en verzoekt - uitvoerbaar bij voorraad - het beroep van de man ongegrond te verklaren. Indien en voor zover het hof de man ontvankelijk verklaard en de bestreden beschikking dient te worden gewijzigd, verzoekt de vrouw het hof opnieuw zelf rechtdoende te bepalen dat de man op straffe van een dwangsom de door haar onder a tot met i in het verweerschrift genoemde stukken dient in te dienen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

hoogte behoefte

5.1

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van [kind 1] .

5.2

De behoefte van een kind waarvan de ouders nooit in gezinsverband hebben samengeleefd, wordt bepaald aldus, dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebonden budget) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (eveneens inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebonden budget). De inkomens dienen dus niet bij elkaar te worden opgeteld. Het aldus gevonden eigen aandeel kan worden vermeerderd met de netto kosten van kinderopvang, dus na aftrek kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in die kosten door een werkgever. Als het om een eerste vaststelling gaat en de ouder bij wie het kind woont nog niet de beschikking heeft over een bijdrage van de andere ouder, kan volstaan worden met een globale schatting van de kosten van het kind.

5.3

De man stelt , zonder concrete berekening, dat de behoefte van [kind 1] moet worden bepaald op een bedrag van € 147,-. De vrouw stelt dat de behoefte van [kind 1] op € 249,- moet worden bepaald.

Ter mondelinge behandeling hebben partijen verklaard dat bij de berekening van de behoefte van [kind 1] aan de zijde van de man moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming in 2015, zijnde € 67.970,-. Daarmee berekent het hof het NBI aan de zijde van de man in 2015 op € 4.037,-.

Aan de zijde van de vrouw moet worden uitgegaan van haar belastbaar inkomen in 2015 van

€ 30.851,- en het kindgebondenbudget van totaal € 356,- in 2015. Daarmee berekent het hof het NBI aan de zijde van de vrouw op € 1.959,-.

5.4

Het aantal kinderen van 1 en het aantal punten van 4 in aanmerking genomen en de tabel 2015, berekent het hof de behoefte op grond van het inkomen van de man op € 626,- en op grond van het inkomen van de vrouw op € 273,-. Het gemiddelde van beide berekende behoeftes bedraagt afgerond € 450,-, zodat het hof de behoefte van [kind 1] op dat bedrag vaststelt.

draagkracht

5.5

Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van [kind 1] dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind staat in de beoordeling te worden betrokken.

5.6

Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is besproken blijkt dat aan de zijde van de man sprake is van persoonlijke en financiële problemen. De man heeft verklaard dat in zijn leven al jaren sprake is van hoge pieken en diepe dalen. In september 2016 belandde hij in een diep dal waar hij zelf niet meer uit kon komen. Hij heeft onder andere hulp aanvaard bij Stadsring 51. Er is hem geadviseerd de onderneming te staken omdat er nauwelijks opdrachten binnenkwamen. Op 12 oktober 2016 is de eenmanszaak van de man uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Voor zover de man in 2015 nog beschikte over vermogen, is de man daarop ingeteerd door van dat geld te leven. Sinds 25 oktober 2016 ontvangt de man, omdat hij geen middelen van bestaan heeft, een uitkering op grond van de Participatiewet. Op de uitkering rust deels een beslag. De man heeft zijn koopwoning met een forse schuld verkocht. Naast deze schuld zijn er nog meer schulden ontstaan. De man heeft als productie 12 een overzicht van zijn schulden overgelegd. Uit de afsprakenlijst van Stadsring 51 van 19 december 2016 blijkt dat de man concrete spraken heeft gemaakt om zijn financiële situatie op orde te brengen.

De man heeft verder verklaard dat hij al een jaar persoonlijke hulp krijgt via GGZ en vervolgens MoleMann. Aldaar is hem geadviseerd om een nog intensiever traject te gaan volgen bij Altrecht. De man staat op de wachtlijst om voor meerdere dagendelen daar te beginnen. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt de verwijzing naar en afspraakbevestiging met MoleMann overgelegd.

Het hof acht voldoende aannemelijk dat de oorzaak van de inkomensvermindering van de man is gelegen in zijn psychische problemen. Anders dan de vrouw aanvoert, is het hof van oordeel dat de man voldoende heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat hij niet verwijtbaar arbeidsongeschikt is geraakt. Uit het plan van aanpak van de Sociale Dienst van 31 juli 2017 blijkt dat de man enkele maanden is vrijgesteld om te gaan werken. De man krijgt de tijd om een schuldenregeling te treffen en specialistische GGZ behandeling te ondergaan. Het hof acht het inkomensverlies van de man thans niet voor herstel vatbaar.

5.7

Op basis van de draagkrachttabel en de richtlijnen opgesteld door Expertgroep Alimentatienormen dient de draagkracht van de man bij een inkomen lager dan € 1.300,- op de minimale bijdrage van € 50,- per maand bij drie kinderen te worden vastgesteld. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen gaat het hof gaat ervan uit dat de man vanaf 1 september 2016 (de ingangsdatum van zijn onderhoudsverplichting) een inkomen lager had dan € 1.300,- netto per maand.

Aanvaardbaarheidstoets

5.8

Voor zover de man een beroep op de aanvaardbaarheidstoets heeft gedaan en stelt dat hij niet meer kan betalen dan minimale bijdrage overweegt het hof het volgende. Bij de beoordeling van een beroep op de aanvaardbaarheidstoets dient voorop te worden gesteld dat alleen in uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van de forfaitaire benadering c.q. het rekenmodel omdat de wettelijke onderhoudsverplichting van ouders jegens hun kinderen niet vrijblijvend is en de ouders zich derhalve in dat kader rekenschap zullen dienen te geven van de financiële keuzes die zij maken. Van een onaanvaardbare situatie als hier bedoeld is sprake indien de onderhoudsplichtige bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

5.9

Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om te stellen en te onderbouwen dat daarvan sprake is en meer in het bijzonder dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde kinderbijdrage niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Tot de omstandigheden die van belang zijn worden onder meer gerekend, de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de onderhoudsplichtige, de noodzaak van de lasten, de mogelijkheid zich van de lasten te bevrijden, de verhouding tussen de onderhoudsplichtigen

en de zorgregeling.

5.10

Bij een beroep op de aanvaardbaarheidstoets wordt van de onderhoudsplichtige verwacht dat hij volledig en duidelijk - door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken en een toelichting daarop - inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. De rechter dient vervolgens te beoordelen of bij vaststelling van de volgens het rekenmodel berekende bijdrage onvoldoende rekening zou worden gehouden met alle omstandigheden die zijn draagkracht beïnvloeden, zodat geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven. Bij die beoordeling dient onder meer de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van draagkracht (verdiencapaciteit), fictieve draagkracht en schulden tot zijn recht te komen. In dat verband spelen de verwijtbaarheid en de mogelijkheid tot vermijding van de lasten een rol. Bij de invulling van deze begrippen wordt aangesloten bij de jurisprudentie.

5.11

Het hof is in dit verband van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde kinderbijdrage van € 16,67 per maand (€ 50/3), alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet aanvaardbaar is. De man heeft in dit verband niet volledig inzicht gegeven in zijn lasten en bestedingen. De stukken die hij wel heeft overgelegd zijn in het licht van de betwisting zijdens de vrouw onvoldoende.

5.12

Op grond van het vorenstaande bestaat naar het oordeel van het hof na toepassing van de aanvaardbaarheidstoets geen aanleiding om een lagere bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] vast te stellen dan € 16,67 per maand.

5.13

Gelet op vorenstaande behoeft de draagkracht van de vrouw geen nadere bespreking door het hof.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage aan het uit die relatie geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 9 januari 2017, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 september 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] € 16,67 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T. ter Brugge, R. Feunekes en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 9 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.