Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9738

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.215.023/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-wijzigingsbeding. Misbruik van omstandigheden onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.215.023/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/190739 / FA RK 16-2098)

beschikking van 26 oktober 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.J.H. Mühlstaff te Deventer,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. Sleeswijk Visser te Nijverdal, gemeente Hellendoorn.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank

Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 februari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 april 2017;
- het verweerschrift met productie;

- een journaalbericht van mr. Mühlstaff van 6 juni 2017 met productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 juli 2017 plaatsgevonden te Zwolle. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Mühlstaff heeft een pleitnotitie overgelegd.

2.3

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. Sleeswijk Visser van 21 juli 2017 en een journaalbericht van

mr. Mühlstaff van 23 juli 2017.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2016 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Partijen hebben in maart 2015 een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) gesloten. De inhoud daarvan is opgenomen in de tussen partijen op 7 mei 2015 gegeven echtscheidingsbeschikking.

3.3

Artikel 1.1 van het convenant behelst wat betreft de partneralimentatie een zogeheten nihilbeding. Voor de integrale inhoud van de hier relevante artikelen 1.1, 1.2 en 1.3 van het convenant verwijst het hof naar de beschikking waarvan hoger beroep.

3.4

De vrouw ontvangt een uitkering in het kader van de Participatiewet (hierna: bijstandsuitkering).

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering in de kosten van levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van 2 februari 2017. Bij de bestreden beschikking is met wijziging van de beschikking van 7 mei 2015 en het daarin opgenomen convenant de partneralimentatie met ingang van 2 februari 2017 bepaald op

€ 718,58 per maand.

4.2

De man is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

2 februari 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 2 februari 2017 te vernietigen en de vrouw in haar (naar het hof leest:) verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen; kosten rechtens.

4.3

De vrouw voert verweer en zij verzoekt 1) de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, 2) te bekrachtigen (het hof begrijpt:) de beschikking waarvan hoger beroep, en 3) de man te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:158 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen de echtgenoten vóór of na de beschikking tot echtscheiding bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden.

5.2

Op grond van artikel 1:159 lid 1 BW kan bij overeenkomst worden bedongen dat de alimentatie niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Een zodanig beding kan slechts schriftelijk worden gemaakt. Ingevolge het derde lid kan ondanks een zodanig beding op verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

5.3

Voor zover de man heeft aangevoerd dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door het convenant te toetsen aan het zogenoemde Haviltex-criterium, faalt dat betoog. De rechtbank heeft overeenkomstig zijn taak de rechtsgronden aangevuld en terecht de stellingen van partijen getoetst aan het criterium voor de uitleg van een schriftelijke overeenkomst (het Haviltex-criterium). Het inhoudelijke oordeel over de vraag hoe het convenant moet worden uitgelegd betreft een weging van de feiten waarbij het met name aankomt op de bedoeling van partijen. Daaromtrent kan het volgende worden overwogen.

5.4

Vast staat dat de man het initiatief heeft genomen tot de echtscheiding en dat hij met het oog op de afwikkeling daarvan een advocaat heeft ingeschakeld in de persoon van

mr. Mühlstaff. De vrouw heeft destijds om financiële redenen geen eigen advocaat in de arm genomen.

5.5

Bij de stukken zit een door de man en de vrouw op 17 januari 2015 ondertekend document met de titel "De verdeling van de spullen." Daarin heeft de vrouw verklaard geen alimentatie of pensioenrecht van de man te willen, omdat zij na de scheiding niets meer met hem te maken wil hebben en omdat zij tien jaar daarvoor met alleen een bed en wat kleren bij hem is ingetrokken.

5.6

Uit de door de man in hoger beroep overgelegde correspondentie blijkt dat partijen op 20 februari 2015 samen op gesprek zijn geweest bij mr. Mühlstaff. Daarbij is gesproken over genoemd document van 17 januari 2015. De vrouw heeft ten overstaan van mr. Mühlstaff aangegeven zich aan de daarin gemaakte afspraken te willen houden. De vrouw is erop gewezen dat indien zij twijfels had zij ook een andere advocaat kon raadplegen die haar zou kunnen adviseren. Aan partijen is voorgehouden dat zij in de echtscheidingsprocedure over en weer afstand kunnen doen van het recht op partneralimentatie, maar dat de gemeentelijke sociale dienst ingeval van bijstandsverhaal niet gebonden is aan een dergelijke afspraak. Onder bijvoeging van een concept-echtscheidingsconvenant en een concept-verzoekschrift tot echtscheiding heeft mr. Mühlstaff het op 20 februari 2015 tussen hen besprokene bij afzonderlijke brieven van diezelfde datum aan de man en de vrouw bevestigd. Gebleken is dat partijen het concept-echtscheidingsconvenant beiden hebben geaccordeerd (met een kleine correctie onder 2.1) en hebben ondertekend, als ook aan mr. Mühlstaff hebben geretourneerd. Bij brief van 4 maart 2015, op 9 maart 2015 andermaal verstuurd naar het nieuwe adres van de vrouw, heeft mr. Mühlstaff de vrouw nogmaals gewezen op de mogelijkheid om een eigen advocaat in te schakelen. De vrouw heeft daarvan geen gebruikgemaakt. Zij heeft het (definitieve) echtscheidingsconvenant op 9 maart 2015 ondertekend.

De vrouw heeft vervolgens op 18 maart 2015 een gesprek gehad met mr. W.F. van Oostveen, een kantoorgenoot van mr. Mühlstaff, en in zijn bijzijn een referteverklaring getekend. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat de vrouw daarbij is uitgelegd wat het nihilbeding voor partneralimentatie betekent en ook wat een niet-wijzigingsbeding is. De vrouw heeft op

18 maart 2015 bevestigend geantwoord op de nadrukkelijke vraag van mr. Van Oostveen of zij nog achter de contractuele bepaling staat op basis waarvan zij definitief afstand doet van haar recht om partneralimentatie van de man te vragen. De vrouw heeft daarvoor als reden gegeven hoe dan ook onafhankelijk te willen zijn c.q. worden van de man. In dit verband heeft mr. Van Oostveen de vrouw voorgehouden dat de gemeente ingeval van bijstandsverhaal zich niets hoeft aan te trekken van wat er in het convenant over partneralimentatie is opgenomen.

5.7

Uit het vorenstaande blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat het de bedoeling van partijen is geweest om een niet-wijzigingsbeding te verbinden aan hun in het kader van de partneralimentatie overeengekomen nihilbeding. De verwijzing van artikel 1.3 van het convenant naar artikel 1.2 betreft dus een (kennelijke) verschrijving. De vrouw ging daar in haar inleidend verzoek ook zelf nog van uit. Een en ander ligt ook voor de hand omdat een niet-wijzigingsbeding niet bedoeld is voor de in artikel 1.2 van het convenant omschreven situatie.

5.8

In het licht van de gemotiveerde betwisting van de man heeft de vrouw haar stelling dat het niet-wijzigingsbeding buiten toepassing moet blijven, omdat sprake is van misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 1 BW onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat zij psychisch gedecompenseerd was als gevolg van de voor haar onverwachte relatiebreuk en voorts dat de man erg dominant was. Zodoende is destijds niet tot haar doorgedrongen waarvoor zij eigenlijk tekende. Niet gebleken is echter dat de man terwijl hij wist of moest begrijpen dat de vrouw door bijzondere omstandigheden bewogen werd tot het ondertekenen van het convenant en/of de referteverklaring, het ondertekenen door de vrouw heeft bevorderd, ofschoon hetgeen hij wist of moest begrijpen hem daarvan had behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW). De onder 5.5 en 5.6 weergegeven gang van zaken geven geen aanleiding voor een dergelijk oordeel. Van dwang of druk van de kant van de man lijkt geen sprake te zijn geweest. De indruk bestaat dat de vrouw van meet af aan hoe dan ook financieel onafhankelijk van de man heeft willen zijn en dat nu eigenlijk nog steeds wil zijn. Haar eerste (voor het hof kenbare) uiting daarvan dateert van 17 januari 2015. Daarna is zij in een tijdsbestek van twee maanden op verschillende momenten mondeling dan wel schriftelijk vasthoudend gebleken in haar standpunt in deze. Tegen de (echtscheidings)beschikking van 7 mei 2015 heeft zij geen hoger beroep ingesteld. Ter zitting van het hof, ruim twee jaar na het sluiten van het convenant, heeft de vrouw aangegeven dat zij de man enkel in deze (financiële) procedure heeft betrokken omdat de gemeente haar daartoe heeft verplicht.

Een en ander spreekt temeer nu deze echtscheiding niet de eerste was voor de vrouw. Ook met haar eerste ex-man heeft de vrouw de afspraak gemaakt dat zij geen partneralimentatie wil ontvangen.

5.9

Het voorgaande brengt met zich dat de vrouw alleen nog aanspraak kan maken op partneralimentatie indien aan de vereisten van het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW is voldaan. De vrouw heeft echter, gelet op de zware eisen die daaraan worden gesteld, onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer aan het niet-wijzigingsbeding gehouden mag worden.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 februari 2017, en opnieuw beschikkende:

wijst af het verzoek van de vrouw tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 7 mei 2015 en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant voor zover dit betrekking heeft op de partneralimentatie;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Z.J. Oosting, A. Smeeing-van Hees en

M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 26 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.