Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9737

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
16/01339
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:4874, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:466
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Aftrek zorgkosten. Diverse posten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2706
Viditax (FutD), 17-11-2017
FutD 2017-2915
Viditax (FutD), 30-03-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 16/01339

uitspraakdatum: 7 november 2017nummer 06/001470121

Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 september 2016, nummer AWB 16/1195, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.229 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.622. Daarbij is een bedrag van € 417 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 januari 2016 de aanslag IB/PVV 2012 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.137 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.622. Het bedrag aan belastingrente is verminderd tot € 220.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 13 september 2016, verzonden op 27 september 2016, de aanslag IB/PVV 2012 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.302 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.622. Het bedrag aan belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 3 november 2016, ingekomen bij het Hof op
4 november 2016, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017 te Arnhem. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen [A] .

1.7.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

1.8

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in haar aangifte zorgkosten in aanmerking genomen.

2.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat daarvan € 12.631 in aftrek komt.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is nog een aftrekpost van in totaal € 5.751 aan zorgkosten in geschil. Dit betreft de volgende posten:

-Lactosebeperkt dieet € 150

-Literatuur € 943

-Middelen vrij verkrijgbaar (o.a. voedingssupplementen) € 4.471

-Reiskosten i.v.m. middelen vrij verkrijgbaar € 187

-Totaal € 5.751

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk uit woning van € 47.551 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.622. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Overwegingen

Zorgkosten dieet

4.1.

Ingevolge artikel 6.17, lid 1, aanhef en onder f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) zijn extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet aan te merken als uitgaven voor specifieke zorgkosten, zulks tot een volgens bij ministeriële regeling te stellen bedrag.

4.2.

De dieetkostenregeling is opgenomen in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001). Deze bepaling bevat een tabel waaruit kan worden afgeleid welk bedrag in aftrek kan worden gebracht. Is een dieet niet opgenomen in deze tabel, dan is aftrek niet mogelijk.

4.3.

In artikel 37, lid 3, aanhef en onder b, URIB 2001 is bepaald dat bij verschillende dieettyperingen die in aanmerking zouden komen bij eenzelfde aandoening, elk van de bij die dieettyperingen behorende bedragen in aanmerking wordt genomen. Voorts is in hetzelfde lid, aanhef onder c, van dit artikel bepaald dat bij deels overeenkomende dieettyperingen bij eenzelfde ziektebeeld en aandoening, alleen het hoogste van de voor het van toepassing zijnde ziektebeeld en aandoening geldende bedragen in aftrek kan worden gebracht.

4.4.

Belanghebbende volgt vanwege voedselovergevoeligheid zowel een lactosebeperkt dieet als een koemelkeiwitvrij dieet. De Rechtbank heeft voor laatstgenoemd dieet het in de tabel genoemde maximumbedrag van € 1.150 (tekst 2012) in aanmerking genomen. Nu vanwege dezelfde aandoening (voedselovergevoeligheid) ook een lactosebeperkt dieet wordt gevolgd, heeft de Rechtbank daarvoor geen bedrag in aanmerking genomen.

4.5.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank een onjuiste uitleg gegeven aan het bepaalde in artikel 37, lid 3, aanhef en onder b, URIB 2001. Weliswaar ziet het lactosebeperkt dieet op dezelfde aandoening als het koemelkeiwitvrij dieet, maar betreft het verschillende dieettyperingen in de zin van de tabel van artikel 37, lid 1, URIB 2001, zodat voor elk van deze typeringen het in de tabel genoemde bedrag in aanmerking kan worden genomen. Dit betekent dat ook voor het lactosebeperkt dieet het in de tabel genoemde maximumbedrag van € 100 in aftrek komt.

4.6.

Voor zover de Inspecteur heeft beoogd te stellen dat sprake is van deels overeenkomende dieetyperingen als bedoeld in artikel 37, lid 3, aanhef en onder c, URIB 2001, volgt het Hof de Inspecteur niet in deze opvatting. De dieettyperingen lactosebeperkt en koemelkeiwitvrij komen – anders dan bijvoorbeeld de dieettyperingen koemelkeiwitvrij en koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrij – niet deels met elkaar overeen.

Ziektekosten literatuur

4.7.

Belanghebbende betoogt dat dankzij literatuurstudie haar ziekte-inzicht en haar kennis van mogelijke therapieën is gegroeid, en dat mitsdien de kosten voor literatuur als zorgkosten in aftrek komen.

4.8.

De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de kosten voor literatuur niet vallen onder de limitatieve opsomming van zorgkosten van artikel 6.17, lid 1, Wet IB 2001, zodat deze kosten niet in aftrek komen.

Ziektekosten middelen vrij verkrijgbaar

4.9.

Ingevolge artikel 6.17, lid 1, aanhef en onder c, Wet IB 2001 (tekst 2012) behoren tot de zorgkosten de uitgaven die zijn gedaan voor farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts. Tot farmaceutische hulpmiddelen behoren niet de middelen die ook plegen te worden aangewend voor andere doeleinden dan als geneesmiddel (vgl. HR 27 november 1996, nr. 31835, ECLI:NL:HR:1996:AA1753). Middelen die als voedingssupplementen plegen te worden gebruikt, worden niet alleen als geneesmiddel gebruikt, zodat dit geen farmaceutische hulpmiddelen zijn (vgl. HR 27 november 1996, nr. 31835, ECLI:NL:HR:1996:AA1753). Dat een belastingplichtige de desbetreffende middelen wel als geneesmiddel gebruikt, doet daaraan niet af.

4.10.

Belanghebbende heeft een handgeschreven briefje van 18 maart 2015 ingebracht van mw. [B] , arts, waarin het volgende is geschreven:

“Alles wat [belanghebbende] bij [C] , [D] , [E] , [F] en diverse drogisten heeft gekocht in 2012 zijn op mijn voorschrift, (…)”

4.11.

Verder heeft belanghebbende een handgeschreven briefje van 20 december 2016 overgelegd van mw. drs. [G] , arts voor algemene geneeskunde en natuurgeneeskunde, waarin het volgende is geschreven:

“De eerder door mij geaccordeerde rekeningen hebben alle betrekking op voedingssupplementen die uitsluitend voor het verbeteren van de gezondheid worden gebruikt en voor geen enkel ander doel.”

4.12.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven voor de vrij verkrijgbare middelen – welke zijn opgesomd in een lijst die is bijgevoegd bij het beroepschrift in eerste aanleg, waaronder vitaminen en voedingssupplementen – zien op middelen die uitsluitend als geneesmiddel plegen te worden aangewend. Verder kan uit voornoemde briefjes (zie 4.10 en 4.11) niet worden afgeleid dat de middelen op voorschrift van een arts zijn verstrekt. Daarvoor zijn deze briefjes te weinig gespecificeerd en te algemeen van aard. Bovendien zijn beide briefjes twee tot vier jaar nadien opgesteld. Deze uitgaven komen derhalve niet voor aftrek in aanmerking. Hetzelfde heeft dan te gelden voor de daarmee verband houdende reiskosten.

Vertrouwensbeginsel

4.13.

Aan de omstandigheid dat de Inspecteur voor eerdere jaren wel specifieke zorgkosten in aanmerking heeft genomen, kan belanghebbende geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de Inspecteur de aftrek van dezelfde zorgkosten in een volgend jaar ook zal accepteren. Een vertrouwen kan gerechtvaardigd zijn indien een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur is voorgelegd en daarnaast op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen (vgl. HR 14 juli 2000, nr. 35549, ECLI:NL:HR:2000:AA6516; HR 13 februari 2015, nr. 14/02082, ECLI:NL:HR:2015:278).

4.14.

Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt, dat de aangelegenheid van de zorgkosten in eerdere jaren uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur is voorgelegd en zij bovendien geen bijkomende omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de Inspecteur een weloverwogen standpunt heeft ingenomen, faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.15.

Anders dan belanghebbende voorstaat, brengt ook de tekst van de toelichting bij het aangiftebiljet niet een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel mee. Een dergelijke toelichting bij een aangiftebiljet is aan te merken als voorlichting. Daarvoor heeft als regel te gelden dat een bestuursorgaan door onjuistheden of onvolledigheden in de voorlichting niet wordt gebonden. Voor afwijking van deze regel is slechts plaats indien een belastingplichtige de onjuistheid of onvolledigheid niet had behoeven te beseffen en tevens wordt geconfronteerd met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten (vgl. HR 14 juni 2000, nr. 35.275, ECLI:NL:HR:2000:AA6205). Dat in onderhavige kwestie sprake is van vorengenoemde schade is evenwel gesteld noch gebleken. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook in zoverre niet.

Billijkheid van de wet

4.16.

Voor zover de grieven van belanghebbende zijn gericht op een rechterlijke toetsing van de redelijkheid en de billijkheid van de in de Wet IB 2001 opgenomen aftrekbare zorgkosten, kunnen deze haar niet baten. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen immers niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

Belastingrente

4.17.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Nu de aanslag niet wordt verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte rente.

Slotsom
4.18. Gelet op het overwogene in 4.5 dient het hoger beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten nu niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

- vermindert de aanslag IB/PVV 2012 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.202 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.622,

- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig,

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. N.G.U. Wasch als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2017.

De griffier, De voorzitter,

(N.G.U. Wasch) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 8 november 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.