Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9725

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.206.519/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Hof schat inkomen alimentatieplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.206.519/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland C/16/411221 / FL RK 16-406 (gezag) en C/16/411226 / FL RK 16-409 (alimentatie))

beschikking van 31 oktober 2017

inzake


[verzoeker] ,
wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.B. de Jong te Almere,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 1 december 2016, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 21 december 2016;
- het verweerschrift met productie(s);
- een journaalbericht namens mr. De Jong van 6 februari 2017 met productie(s);
- een journaalbericht namens mr. De Jong van 7 februari 2017 met productie(s);
- een journaalbericht namens mr. De Jong van 2 juni 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Wienen van 3 juli 2017 met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. De Jong van 6 juli 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 juli 2017 plaatsgevonden te Zwolle. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2012 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2004, en

- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2008,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Uit het eerdere huwelijk van de man met mevrouw [C] zijn geboren:

- [in] 1999 [de jong-meerderjarige] (hierna: [de jong-meerderjarige] );

- [in] 2002 [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), en

- [in] 2003 [de minderjarige4] (hierna: [de minderjarige4] ).

3.4

Uit de verbroken affectieve relatie van de man en mevrouw [D] is [in] 2013 [de minderjarige5] (hierna: [de minderjarige5] ) geboren.

3.5

De vrouw heeft uit een eerdere relatie een minderjarige dochter [de minderjarige6] . Uit een latere relatie is dochter [de minderjarige7] geboren.

3.6

De man en de vrouw hebben op 26 september 2011 respectievelijk 3 oktober 2011 een ouderschapsplan ondertekend. Artikel 8.1 daarvan luidt als volgt:

"De vader heeft geen draagkracht voor het voldoen van enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de kinderen.

Met verwijzing naar de alinea hierboven, zullen partijen regelmatig overleg hebben over de reguliere en incidenteel noodzakelijke extra uitgaven ten behoeve van de kinderen, opdat de vader kan bezien of hij enig bedrag kan betalen dan wel anderszins een bijdrage kan leveren."

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna ook: kinderalimentatie). Bij beschikking van

1 december 2016 is die bijdrage overeenkomstig het verzoek van de vrouw met ingang van 3 maart 2016 bepaald op € 375,- per kind per maand. Voorts is onder aanhouding van de verdere beslissing en conform de overeenstemming hierover tussen partijen een zorgregeling tussen de man en de kinderen bepaald en zijn partijen verwezen naar [E] voor ouderschapsbemiddeling.

4.2

De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 december 2016 voor zover daarbij een beslissing is genomen in de zaak met nummer C/16/411226 / FL RK 16-409 (alimentatie). Deze grief ziet op de draagkracht van de man (en de behoefte van de kinderen). De man verzoekt 1) de beschikking van de rechtbank van 1 december 2016 gegeven onder voornoemd zaaknummer te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw tot betaling van kinderalimentatie door de man af te wijzen, 2) met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in hoger beroep.

4.3

De vrouw voert verweer. Zij verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans de grief van de man ongegrond te verklaren en de verzoeken van de man af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing


De ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep
5.1 Gelet op het bepaalde in artikel 358, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de man ontvankelijk in zijn hoger beroep. De bestreden beschikking is met betrekking tot de alimentatiebeslissing een eindbeschikking.

De procedurele gang van zaken in eerste aanleg

5.2

Voor zover de man heeft geklaagd over de procedurele gang van zaken in eerste aanleg waardoor hij niet tijdig een verweerschrift bij de rechtbank heeft kunnen indienen (miscommunicatie), heeft hij geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van die klacht omdat de zaak thans in hoger beroep aan het hof is voorgelegd en het hoger beroep er mede toe strekt dergelijke procedurele onvolkomenheden te herstellen. De man heeft thans alle gelegenheid gehad om zijn standpunt voor het voetlicht te brengen.

5.3

Het hof constateert wel dat uit het proces-verbaal van de zitting van 24 oktober 2016 blijkt dat de mondelinge behandeling betrekking had op beide zaaknummers (zowel gezag als alimentatie), ook al had de man in de alimentatiezaak geen schriftelijk verweer gevoerd. In dat licht bezien acht het hof het opmerkelijk dat de man niet in de gelegenheid is gesteld om ter zitting mondeling verweer te voeren in de alimentatiezaak.

Wijziging van omstandigheden

5.4

In de eerste plaats is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat gebleken is dat zowel de man als de vrouw na het opmaken van het hiervoor onder 3.6 genoemde ouderschapsplan onderhoudsplichtig is geworden voor nog een kind, is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.


De ingangsdatum
5.5 Het hof gaat uit van de door de rechtbank in de bestreden beschikking bepaalde ingangsdatum van de kinderalimentatie, te weten 3 maart 2016, omdat daartegen geen grief is gericht.


De behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
5.6 Partijen zijn verdeeld over de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . In de bestreden beschikking is die behoefte niet vastgesteld.

5.7

Volgens de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen is het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving het uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van de kinderen.

5.8

Gebleken is dat partijen al sinds 2010 niet meer samenwonen. Het is aan de man om inzage te verschaffen in zijn toenmalige inkomen, zodat de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op een juiste wijze kan worden berekend. De man heeft dat echter niet gedaan. De door hem overgelegde inkomensgegevens zien louter op de jaren 2012 en volgende. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat de door de vrouw, aan de hand van haar inkomensgegevens van destijds (maal twee), op € 1.050,- per maand berekende behoefte van de kinderen juist is. Het hof zal daarvan uitgaan, nu niet ter discussie staat dat partijen tijdens hun samenzijn op (te) grote voet hebben geleefd.

De draagkracht van de vrouw

5.9

Als gesteld en niet weersproken staat vast dat de draagkracht van de vrouw, op basis van een bruto jaarinkomen van € 30.426,-, € 455,- per maand bedraagt.

5.10

De vrouw heeft gesteld dat ter bepaling van haar draagkracht geen rekening moet worden gehouden met het kindgebonden budget, omdat zij dat feitelijk niet ontvangt. De fiscus verrekent de belastingschulden van de vrouw met haar toeslagen, zo stelt zij. De man heeft een en ander niet betwist. Derhalve zal het hof het kindgebonden budget aan de zijde van de vrouw buiten beschouwing laten.

5.11

De voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beschikbare draagkracht van de vrouw wordt mede bepaald door haar onderhoudsplicht voor [de minderjarige6] en [de minderjarige7] , in de behoefte van welke kinderen ook hun respectieve vader dienen bij te dragen. Nu het hof niet de beschikking heeft gekregen over de gegevens die nodig zijn om de draagkracht van die vaders te berekenen, zal het hof die draagkracht schatten in die zin dat zij geacht worden de helft van de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige6] en [de minderjarige7] voor hun rekening te nemen. Gesteld noch gebleken is dat de behoefte van [de minderjarige6] , [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige7] verschillend is. Derhalve zal het hof de draagkracht van de vrouw gelijkelijk verdelen over alle kinderen voor welke zij onderhoudsplichtig is. Dit betekent dat zij (€ 455,-/3 x 2 =) € 303,- per maand beschikbaar heeft voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

De draagkracht van de man
5.12 Het geschil spitst zich toe op de draagkracht van de man nu hij aan zijn hoger beroep de stelling ten grondslag heeft gelegd dat hij geen draagkracht heeft voor kinderalimentatie. Hij stelt dat de hoogte van zijn inkomen onder bijstandsniveau ligt.

5.13

Het is aan de man om inzage te verschaffen in zijn actuele inkomen, zodat zijn draagkracht per 3 maart 2016 op een juiste wijze kan worden berekend. De man heeft dat echter onvoldoende gedaan. De door hem overgelegde en voor de beoordeling van zijn (toekomstgerichte) draagkracht relevante inkomensgegevens zijn ronduit summier. Uit de stukken blijkt dat de man in 2016 een eigen bedrijf is gestart, [F] genaamd. Uit de daarvan overgelegde winst- en verliesrekening, zijnde een uitdraai uit de eigen administratie van de man, volgt voor 2016 een verlies van € 6.502,37.

Uit de stukken blijkt voorts dat de man vanaf december 2016 inkomen uit werkzaamheden als taxichauffeur (WMO) is gaan genieten. De overgelegde financiële gegevens van de man met betrekking tot zijn taxiwerkzaamheden zien enkel op de maanden december 2016 tot en met februari 2017. De zitting was vier maanden later, zodat er voldoende tijd was om de meest recente inkomensgegevens in te dienen. Zodoende had een vollediger beeld kunnen ontstaan van de huidige inkomenssituatie van de man.

Ter zitting heeft de man aangegeven met zijn reclamebedrijf te zijn gestopt, omdat dit niet samenging met zijn werk als taxichauffeur. Aldaar heeft de man desgevraagd verklaard dat zijn werk als taxichauffeur goed draait. Hij kan er van leven, zo gaf hij aan.

5.14

Gebleken is dat de man vanaf 14 oktober 2016 een nieuwe huurwoning te [A] heeft betrokken tegen een (kale) huurprijs van € 780,- per maand. Het betreft een woning in de particuliere verhuur waarvoor de man geen huursubsidie krijgt. Dit strookt niet met de stelling van de man dat zijn inkomen zodanig laag is dat hij geen enkele draagkracht heeft voor kinderalimentatie. De man heeft ter zitting weliswaar aangegeven dat hij voor deze woning in aanmerking is gekomen omdat een kennis voor hem garant heeft gestaan, maar een en ander roept wel vragen op.

5.15

Ingevolge artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

5.16

Het hof ziet in het vorenstaande aanleiding een schatting te maken van het actuele inkomen van de man. Het hof zal het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man bepalen op (ten minste) driemaal genoemde huurprijs, zijnde € 2.340,-per maand. Mr. Wienen heeft ter zitting ook gerefereerd aan een dergelijke door particuliere verhuurders menigmaal gestelde inkomenseis.

5.17

Ter bepaling van de draagkracht is volgens vaste rechtspraak niet alleen het feitelijk NBI van de onderhoudsplichtige van belang, maar ook het redelijkerwijs te verwerven inkomen. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat de man voldoende heeft gesteld dat hij op dit moment zijn verdiencapaciteit zo volledig mogelijk benut. Uit het door beide partijen ondertekende ouderschapsplan volgt dat de man in 2011 geen draagkracht had. Uit de stukken blijkt voorts dat de man van december 2013 tot (ongeveer) september 2014 (met behulp van medicijnen) onder behandeling is geweest van GGz [G] in [A] (hierna: [G] ). Aldaar is hij gediagnosticeerd met een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit van het gecombineerde type. Voorts heeft [G] bij de man werkproblemen geconstateerd. Niet ter discussie staat dat de man in 2014 voor drie maanden naar Griekenland is vertrokken om daar zijn heil te zoeken. Niet onaannemelijk is dat het voor de man vanwege zijn psychische problematiek lastig is om op structurele basis in loondienst te werken. Ook de vrouw zelf, werkzaam in de re-integratie-branche, vond kennelijk dat de man hulp nodig had bij het vinden van werk, want zij heeft in 2015 nog een sollicitatiegesprek voor hem geregeld. Dat betrof overigens evenmin een baan in loondienst. Gelet op de mogelijkheden van de man lijkt het beroep van taxichauffeur, met het oog op de financiële belangen van de vrouw en zijn kinderen, geen onverantwoorde keuze.

De man heeft onbetwist gesteld dat hij thans de ene week vier dagen en de andere week zes dagen op de taxi rijdt. Het hof ziet dan ook geen reële mogelijkheid voor de man om zijn werkzaamheden uit te breiden.

5.18

Op basis van het onder 5.16 geschatte inkomen van de man bedraagt zijn draagkracht ingevolge de op hem toepasselijke formule uit de draagkrachttabel 2016 70% [2.340 – (0,3 x 2.340 + 890)] = afgerond € 524,- per maand.

5.19

Evenals bij de vrouw wordt de voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beschikbare draagkracht van de man mede bepaald door zijn onderhoudsplicht voor [de jong-meerderjarige] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] , in de behoefte van welke kinderen ook hun respectieve moeder dienen bij te dragen. Nu het hof niet de beschikking heeft gekregen over de gegevens die nodig zijn om de draagkracht van die moeders te berekenen, zal het hof ook die draagkracht schatten in die zin dat elk van de moeders geacht wordt de helft van de kosten van verzorging en opvoeding van [de jong-meerderjarige] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] voor hun rekening te nemen. Net als bij de kinderen van de vrouw is gedaan zal het hof uitgaan van een gelijke behoefte van de kinderen van de man. Derhalve zal het hof de draagkracht van de man gelijkelijk verdelen over alle kinderen voor welke hij onderhoudsplichtig is. Dit betekent dat hij (€ 524,-/4 x 2 =) € 262,- per maand beschikbaar heeft voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , zijnde € 131,- per kind.

Draagkrachtvergelijking

5.20

De behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bedraagt in totaal € 1.050,- per maand. De voor hen beschikbare draagkracht van de man (€ 262,-) en de vrouw (€ 303,-) tezamen is onvoldoende draagkracht om in die behoefte te voorzien. Daarom kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.

Vermindering met de zorgkorting

5.21

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.

Nu op basis van de bestreden beschikking sprake is van een zorgregeling van gemiddeld één dag per week, zal het hof een percentage van 15% in aanmerking nemen. In het geval van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bedraagt de zorgkorting mitsdien afgerond € 158,- per maand.

5.22

Nu de man en de vrouw gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om in de totale behoefte van de kinderen te voorzien, bestaat geen ruimte om de zorgkorting (deels) in mindering te brengen op de bijdrage. Het hof zal die bijdrage daarom vaststellen.

Aanvaardbaarheidstoets

5.23

Voor zover de man heeft bedoeld een beroep te doen op de aanvaardbaarheidstoets heeft hij dat onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daaraan voorbij gaan.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van

1 december 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt het tussen partijen opgemaakte en op 26 september 2011 respectievelijk 3 oktober 2011 ondertekende ouderschapsplan voor wat betreft de kinderalimentatie en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 3 maart 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] € 131,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeing-van Hees, M.P. den Hollander en

Z.J. Oosting, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 31 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.