Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9639

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.149.223/01 en 200.149.223/02 en 200.149.274/01 en 200.149.274/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap. Man inmiddels overleden. Diverse vennootschappen, o.a. in Letland en Luxemburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.149.223/01 en 200.149.274/01 alsmede de zaaknummers 200.149.223/02 en 200.149.274/02

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/115531/ FA RK 10-112)

beschikking van de familiekamer van 2 november 2017

in de zaak onder zaaknummer 200.149.223/01

inzake

de erven [A] ,

wonende te [B] (Spanje),

verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: erven [A] ,

advocaat: voorheen mr. M. Weissink, kantoorhoudend te Groningen,

thans mr. J.W. Elzinga-Snoek, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[C] ,

wonende te [D] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: [C] ,

advocaat voorheen: mr. M.A.I.M. Zandhuis, kantoorhoudend te Amstelveen,

daarna mr. P.J. Jans, kantoorhoudende te Groningen,

thans mr. M. Helmantel, kantoorhoudende te [H] ,

en in de zaak onder zaaknummer 200.149.274/01

inzake

[C] ,

wonende te [D] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [C] ,

advocaat voorheen: mr. M.A.I.M. Zandhuis, kantoorhoudend te Amstelveen,

daarna mr. P.J. Jans, kantoorhoudende te Groningen,

thans: mr. M. Helmantel, kantoorhoudende te [H] ,

tegen

de erven [A] ,

wonende te [B] (Spanje),

verweerders in hoger beroep,

verder te noemen: erven [A] ,

advocaat: voorheen mr. M. Weissink, kantoorhoudend te Groningen,

thans mr. J.W. Elzinga-Snoek, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 21 april 2016 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van 15 juli 2016 van mr. Zandhuis met bijlagen;

- en brief van 15 juli 2016 van mr. Elzinga-Snoek met bijlagen;

- een brief van 19 september 2016 van mr. Zandhuis met bijlagen;

- een journaalbericht van 20 september 2016 van mr. Elzinga-Snoek met bijlagen;

- journaalberichten met betrekking tot de onttrekking van mr. Zandhuis en het stellen door mr. Jans;

- een brief van 27 oktober 2016 van mr. Jans met bijlagen;

- een brief van 28 oktober 2016 van mr. Elzinga-Snoek met bijlagen;

- een brief van 17 februari 2017 van mr. Elzinga-Snoek met bijlagen;

- een journaalbericht van 20 februari 2017 van mr. Jans met bijlage;

- journaalberichten met betrekking tot de onttrekking van mr. Jans en het stellen door mr. Helmantel.

1.2

Op 20 juli 2016 is een comparitie van partijen gehouden, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaak onder nummer 200.194.274/02 met betrekking tot het verzoek van de erven [A] tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing van kantonrechter betreffende de onderhandse verkoop en levering van de door [C] in beslag genomen aandelen [E] . Bij deze comparatie waren aanwezig [C] , die werd vergezeld door haar partner en namens de erven [A] , [F] (hierna ook [F] ). Partijen werden bijgestaan door hun advocaten die beiden het woord mede hebben gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Van deze mondelinge behandeling is een verkort proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

1.3

Op 2 maart 2017 heeft een mondelinge behandeling (in beide zaken betreffende de boedelverdeling) plaatsgevonden. Partijen waren aanwezig waarbij [C] werd vergezeld door haar partner en de erven [A] in de persoon van [F] zijn verschenen die vergezeld werd door een familielid en een tolk in de Spaanse taal (mevrouw [G] , wbtv nummer [000] ). Partijen werden bijgestaan door hun respectieve advocaten die beiden het woord mede hebben gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.

1.4

Op 25 september 2017 zijn bij de griffie van het hof een aantal stukken afgegeven door [F] namens de erven [A] , en zijn op 6, 10, 20 en 27 oktober 2017 e‑mailberichten ontvangen van [F] . In de verzochte reactie op deze stukken en e‑mailberichten heeft mr. Elzinga-Snoek bij brief van 31 oktober 2017 laten weten dat de erven [A] genoemde stukken als ingediend wensen te beschouwen, is tevens een bewijsaanbod gedaan en is verzocht om voortzetting van de mondelinge behandeling. [C] heeft zich, in journaalberichten van 25, 30 en 31 oktober 2017 alsmede 1 november 2017 verzet tegen kennisname van de stukken en inwilliging van de verzoeken. Gelet op de eisen van een goede procesorde - in het bijzonder nu de behandeling, na diverse zittingen en uitgebreide stukkenwisseling, is afgerond - heeft het hof geen acht geslagen op de inhoud van de ingediende stukken (waarom het hof niet heeft gevraagd en voor de overlegging waarvan evenmin (anderszins) toestemming is gegeven, die bovendien niet van recente datum zijn en gedeeltelijk zonder deugdelijke vertaling zijn toegezonden). Gezien de eisen van een goede procesorde heeft het hof evenmin acht geslagen op het bewijsaanbod (dat in algemene bewoordingen is gedaan en kennelijk is gericht op de staat van de nalatenschap) terwijl ook het verzoek om een voortgezette behandeling is afgewezen.

2 De omvang van het geschil

2.1

Bij beschikking van 18 februari 2014, zoals hersteld bij beschikking van 26 augustus 2014, heeft de rechtbank de tussen [C] en [A] bestaande gemeenschap van goederen verdeeld en beslist als volgt:

aan de vrouw wordt toegedeeld:

. de echtelijke woning aan [a-straat] 9, [H] € 360.000,-

onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij ABN-AMRO, nr. [00000] van € 199.134,- voor haar rekening te nemen, met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldlening.

. de kapitaalverzekeringen ABN-Amro: nr. [00001] : € 13.473,-

nr. [00002] : € 9.094,-

nr. [00003] : € 10.172,-

. de polis bij [I] , nummer [00004] : € 11.159,17

. de auto, merk Suzuki, type Wagon+ € 500,-

. de inboedel woning te [H]

. de gezamenlijke bankrekeningen

# Rabobank, nr. [00005] : € 8.421,98

# Rabobank, nr. [00006] : € 0,00

# Rabobank, nr. [00007] : € 131.000,-

. de bankrekeningen op naam van de vrouw:

# ABN-AMRO, nr. [00008] : € 651,67

# ABN-AMRO, nr. [00009] : € 37.505,67

aan de man wordt toegedeeld:

. aandelen [E] B.V.: € 1.930.000,-

. Gronden [b-straat] te [J] , Letland: € 77.973,- (10%)

en € 128.698,- (5%)

onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij AS DNB Banka, nr. [00010] van € 327.000,- voor zijn rekening te nemen, met - voor zover nodig - ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldlening

. rekening-courant schuld [E] B.V.: € 35.000,-

bepaalt dat de man ter zake overbedeling een bedrag van € 697.524,41 aan de vrouw dient te betalen;

bepaalt dat partijen uiterlijk veertien dagen na deze ieder € 2.017,50dienen te storten op rekeningnummer NL94RABOS0569990610 t.n.v. Rechtbank Noord Nederland (bic code [00011] ), onder vermelding van het zaaknummer C/18/115531 / FA RK 10-112);

wijst af het meer of anders verzochte.

2.2

Zowel [C] als [A] is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Na het overlijden van [A] op 31 augustus 2014 is de procedure in hoger beroep voortgezet door de erven [A] , te weten zijn echtgenote [F] en hun beide minderjarige kinderen.

2.3

[C] heeft in het door haar ingestelde hoger beroep veertien grieven gericht tegen de beschikking van 19 juli 2011 en de (herstelde) beschikking van 18 februari 2014. Haar grieven betreffen - in de kern genomen - de beslissingen van de rechtbank over de verdeling van de aandelen [E] BV en de waarde daarvan (grieven I tot en met IV), de buitenlandse bankrekeningen van [A] (grief VI), de inboedel (grief VII) en de woningen van [A] in het buitenland (grief VIII), de schuld in rekening-courant aan [E] BV (grief XI) en de waarde van de gronden [b-straat] te [J] (grief XIV).Verder heeft [C] bezwaren tegen het niet toekennen van een voorschot op de verdeling in verband met overbedeling van [A] (grief IX), het afwijzen van de wettelijke rente over de overbedelingssom (grief X), het afzien van een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissingen (grief XII) en de afwijzing van haar (verreken)vordering op [A] ten bedrage van € 21.801,73 (grief XIII). Tot slot klaagt [C] over de gebrekkige informatieverstrekking door [A] over de samenstelling van de te verdelen gemeenschap en over de waarden van die gemeenschap (grief V).

2.4

[C] heeft in hoger beroep, na wijzigingen van eis, het hof verzocht als volgt:

de beschikkingen van de Rechtbank Groningen d.d. 19 juli 2011 en 18 februari 2014 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast te stellen:

aan de vrouw worden toegedeeld:

* 50% van de aandelen [E] ,

50% van de aandeelhouderslening van de man privé aan [E]

50% van het dividend uitbetaald aan de man vlak voor de peildatum

ad € 884.927,- (per 31/12/2012 zie productie 6), zijnde € 442.463,50

* echtelijke woning aan [a-straat] 9, [H] : € 360.000,-

Onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij ABN-AMRO, nr. [00000] van € 199.134,- voor haar rekening te nemen, met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldlening.

* kapitaalverzekeringen ABN-AMRO: - nr. [00001] : € 13.473,-

- nr. [00002] : € 9.094,-

- nr. [00003] : 10.172,-

* polis bij [I] , nr. [00004] : € 11.159,17

* auto, merk Suzuki, type Wagon+: € 500,-

* inboedel woning te [H]

* gezamenlijke bankrekeningen:

# Rabobank, nr. [00005] : € 8.421,98

# Rabobank, nr. [00006] : € 0,00

# Rabobank, nr. [00007] : € 131.000,-

* bankrekeningen op naam van de vrouw:

#ABN-AMRO, nr. [00008] : € 651,47

#ABN-AMRO, nr. [00009] : € 37.505,67;

aan de man worden toegedeeld:

* 50% van de aandelen [E] ,

50% van de aandeelhouderslening van de man privé aan [E]

50% van het dividend uitbetaald aan de man vlak voor de peildatum.

* Gronden [b-straat] te [J] , Letland: € PM

en € PM

onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij AS DNB Banka, nr. [00010]

van € 327.500,-- voor zijn rekening te nemen, met -voor zover nodig- ontslag van

de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire

geldlening

* rekening-courantschuld [E] BV.: € PM

* inboedel door de man bewoonde woning(en): € PM

* huis Spanje: € PM

* huis Letland: € PM

En de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een door uw Gerechtshof te bepalen bedrag terzake van overbedeling, waarvan hij per direct een bedrag ad € 500.000,-- als voorschot aan de vrouw dient te voldoen.

Primair :

De man te veroordelen tot naleving van bovenstaande verdeling en tot levering aan de vrouw van

50% van de aandelen [E] ,

50% van de aandeelhouderslening van de man privé aan [E]

50% van het dividend uitbetaald aan de man vlak voor de peildatum ad

€884.927,-(per 31/12/2012 zie productie 6), zijnde € 442.463,50.

en tot betaling van het bedrag terzake van overbedeling, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de betekening van de dagvaarding met de uitdrukkelijke bepaling dat indien zij (het hof leest: [A] ) haar (het hof leest: zijn) medewerking aan de uitvoering van deze afwikkeling c.q. verrekening weigert, althans geen volledige medewerking verleent aan de uitvoering van hetgeen in het kader van de afwikkeling c.q. verrekening is bepaald, de te wijzen beschikking dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte notariële akte en in de plaats zal treden van de voor uitvoering vereiste medewerking van de man, althans op een wijze de rechtbank (het hof leest: het gerechtshof) in goede justitie vermeent te behoren en;

Subsidiair :

Te bepalen dat de te wijzen beschikking voor de wilsverklaring van de man in de plaats

komt;

Meer subsidiair :

Te bepalen dat indien de man niet aan de verdeling c.q. levering meewerkt, een door het

Gerechtshof aan te wijzen vertegenwoordiger namens de man zal optreden, onder

veroordeling van de man in de kosten van de vertegenwoordiger;

Te bepalen dat de man voor iedere dag dat hij na betekening het in dezen te wijzen

beschikking hier niet aan voldoet, een direct opeisbare en niet voor matiging vatbare

dwangsom verbeurt van € 10.000,-- per dag(deel);

Althans zodanig te beslissen als uw Gerechtshof in goede justitie juist acht.

2.5

De erven [A] hebben in hoger beroep drie grieven opgeworpen tegen de (herstelde) beschikking van 18 februari 2014. De grieven richten zich tegen de wijze van waardering van de gronden [b-straat] (grief I) en de conserverende aanslag over het jaar 2007 (grief II). De derde grief richt zich tegen de omvang van de overbedelingssom en heeft, als resultante van de grieven I en II, geen afzonderlijke betekenis.

2.6

De erven [A] hebben in hoger beroep het hof verzocht als volgt:

de beschikking van de Rechtbank Groningen d.d. 18 februari 2014 te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag terzake overbedeling dient te voldoen een bedrag van € 697.524,41 en opnieuw rechtdoende de overbedeling aan de zijde van de vrouw vast te stellen op € 400.000,- en de vrouw te veroordelen de helft van dit bedrag zijnde € 200.000,- aan de man te voldoen, althans een zodanig ander bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.7

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

3 De motivering van de beslissing

De verdeling

* peildata

3.1

Het hof stelt bij de beoordeling van de verdeling voorop dat niet in geschil is dat de peildatum voor de samenstelling en de omvang van de tussen [C] en [A] bestaan hebbende gemeenschap dient te worden bepaald op 1 januari 2008.

3.2

Geen van partijen heeft verder een uitdrukkelijke grief gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde peildatum voor de waardering van de boedelbestanddelen, zijnde 31 december 2010. In dat verband kan uit de klachten van [C] over de waardering van de aandelen [E] BV wel worden afgeleid dat zij die waarderingsdatum voor wat betreft die aandelen wel ter discussie heeft gesteld, maar zij heeft ter zitting van 6 april 2016 - uitgaande van haar verzoek om de aandelen toe te delen aan de erven [A] onder verrekening van de helft van de waarde - alsnog ingestemd met een waardering van de aandelen tegen die peildatum.

* voormalige echtelijke woning te [H]

3.3

Met betrekking tot de voormalige echtelijke woning in [H] heeft het hof reeds bij (tussen)beschikking van 21 april 2016 - voor zover nodig - de (bij beschikking van 26 augustus 2014 herstelde) beschikking van 18 februari 2014 van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarbij aan [C] de echtelijke woning is toegedeeld tegen een waarde van € 360.000,- onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij ABN-AMRO van € 199.134,- voor haar rekening te nemen, met ontslag van de erven [A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldlening.

3.4

In die (tussen)beschikking van 21 april 2016 heeft het hof voorts bepaald dat die betreffende beschikking in de plaats treedt van de medewerking van de erven [A] aan de verdelings- c.q. leveringsakte ten aanzien van voornoemde woning onder de voorwaarde dat [C] er voor zorgdraagt dat de erven [A] worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen.

3.5

Ter zitting van 2 maart 2017 hebben partijen bevestigd dat de woning inmiddels notarieel is toegedeeld (geleverd) aan [C] waarbij, naar het hof aanneemt, de erven [A] zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning verbonden hypothecaire leningen. Ten aanzien van de toedeling van deze woning en de daaraan verbonden geldleningen behoeft het hof dan ook geen nadere beslissing te geven, met dien verstande dat in onderhavige beschikking nog rekening dient te worden gehouden met de overbedeling van [C] op dit punt.

* aandelen [E] BV / [E] S.a.r.l.

3.6

Tot de ontbonden gemeenschap van goederen behoren aandelen op naam van [A] in de besloten vennootschap [E] BV, welke vennootschap later een vennootschap naar Luxemburgs recht [E] S.a.r.l. is geworden. Partijen zijn verdeeld over de wijze van verdeling van de aandelen en de waarde daarvan.

3.7

Het hof stelt vast dat [C] in haar beroepschrift de toedeling van de aandelen aan [A] alsmede de waarde en de wijze van waardering van de aandelen heeft bestreden. Zij heeft haar verzoek gewijzigd bij akte van 25 september 2015 waarbij zij, kort gezegd, (mede) heeft verzocht de aandelen volledig toe te delen aan de erven [A] waarbij aan haar en hen de helft van de waarde toekomt. Ten aanzien van de verdeling van de aandelen heeft [C] , na een vooraankondiging in haar persoonlijke brief van 20 februari 2017, ter zitting van 2 maart 2017 haar verzoek in hoger beroep opnieuw aangepast door terug te keren naar haar oorspronkelijke verzoek, te weten primair verdeling van de aandelen tussen haar en de erven [A] bij helfte en subsidiair toedeling van de aandelen aan de erven [A] waarbij aan ieder van hen de helft van de waarde toekomt. De erven [A] hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze wijzigingen, in het bijzonder niet tegen de wijziging van 2 maart 2017 waarbij [C] opnieuw de oorspronkelijk verzochte wijze van verdeling van de aandelen bij helfte heeft verzocht. In de stukken en met name in het debat tussen partijen op de mondelinge behandeling op 2 maart 2017 is de vraag naar de toedeling van de aandelen ook inhoudelijk aan de orde geweest. Deze wijziging is dan ook niet strijdig met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal daarom op het verzoek van [C] van 2 maart 2017 beslissen.

3.8

De rechter die, in een geval waarin de deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vaststelt, dient daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt bij de vaststelling van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en behoeft hij niet - expliciet - in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd.

3.9

Bij de beslissing van de rechtbank om de aandelen toe te delen aan [A] is destijds, kort gezegd, zijn ondernemerschap doorslaggevend geweest en die beslissing heeft op dat moment ook de instemming van [C] gehad. Het hof ziet, anders dan de erven [A] , onvoldoende reden om deze toedeling - thans neerkomende op toedeling aan de erven - in hoger beroep te handhaven. De door de erven in hoger beroep genoemde argumenten om de aandelen aan hen althans aan [A] toe te delen zien alle op de destijds bestaande centrale positie van [A] - als DGA en als ondernemer - bij de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten binnen het concern van (moeder-, dochter- en zuster)vennootschappen in (voornamelijk) Letland. Van een centrale en leidende positie van [A] is door zijn overlijden op 31 augustus 2014 niet langer sprake. Gesteld, noch gebleken is dat een van de genoemde argumenten voor toedeling ook heeft te gelden voor (een van) de erven [A] . Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat na het overlijden van [A] belangrijke (in)directe deelnemingen in de werkmaatschappijen door [E] zijn verkocht en niet duidelijk is geworden of en zo ja, welke ondernemingsactiviteiten binnen [E] en de (eventueel) resterende deelnemingen thans nog worden uitgeoefend en welke werkzaamheden door de erven in dat verband worden verricht. De erven [A] hebben bij monde van [F] bij herhaling te kennen gegeven dat zij niet over de kennis en ervaring beschikken noch de intentie hebben om enige onderneming in Letland te leiden. [F] is verder op enig moment weliswaar benoemd tot bestuurder van [E] maar ook de door haar gegeven toelichting op haar werkzaamheden duidt eerder op een noodzaak om tot afwikkeling van activiteiten en de [E] te komen dan op enig ondernemerschap. Tegen deze achtergrond kwalificeert het hof de positie van de erven [A] en/of [F] ten opzichte van de aandelen van [E] op dit moment niet wezenlijk anders dan de positie van [C] ten opzichte van de aandelen.

3.10

Het hof onderkent dat partijen tot op heden in het kader van schikkingsonderhandelingen de verdeling van de aandelen niet in onderling overleg tot een oplossing hebben kunnen brengen en dat het kennelijk onderling bestaande wantrouwen de communicatie en het overleg (over een minnelijke oplossing) niet ten goede komt. Het hof ziet hierin echter onvoldoende reden om de aandelen toe te delen aan de erven [A] . Zoals hiervoor overwogen is niet aannemelijk dat binnen [E] en de (eventueel) resterende deelnemingen nog ondernemingsactiviteiten (van enige omvang) worden uitgeoefend, zodat een eventueel moeizaam of gebrekkig overleg tussen de aandeelhouders de continuïteit van de onderneming niet in gevaar brengt althans geen negatieve invloed zal hebben op nog bestaande (beperkte) bedrijfsuitoefening. Het hof acht verder bepaald niet uitgesloten dat het gemeenschappelijke belang (als aandeelhouders) dat door de verdeling van de aandelen bij helfte zal ontstaan, juist zal bijdragen aan een verbetering van de communicatie en het overleg. Bovendien zou een toedeling van de aandelen aan de erven [A] betekenen dat de helft van de waarde daarvan aan [C] zou moeten worden betaald. Weliswaar zijn partijen het niet eens over de waarde en de wijze van waardering van de aandelen, doch ook uitgaande van de waardering van de rechtbank gaat het om een aanzienlijk bedrag waarvan [A] in eerste aanleg en ook de erven [A] ten overstaan van het hof bij herhaling hebben verklaard dat dit bedrag door hen niet (ineens) kan worden voldaan.

3.11

Alle belangen afwegende ziet het hof voldoende reden om aan ieder van partijen de helft van de aandelen in [E] BV toe te delen.

3.12

De toedeling van de helft van de aandelen aan [C] en de andere helft aan de erven [A] leidt er toe dat het hof zich, in het kader de thans voorliggende verdeling, niet meer behoeft uit te laten over de waarde van de aandelen per 31 december 2010, zijnde de waarderingspeildatum waarover partijen eerder overeenstemming hadden bereikt, nu ieder de helft van de aandelen en daarmee de helft van de waarde (wat deze ook mag zijn) ontvangt. Een en ander betekent dat het hof de bespreking van de grieven en weren van partijen ten aanzien van het deskundigenrapport van [K] , opgesteld in opdracht van de rechtbank, en de rapporten van [L] , opgesteld in opdracht van [C] , achterwege zal laten. Ook de benoeming van een deskundige door het hof (om de waardering van de aandelen per 31 december 2010 vast te stellen) is niet langer aan de orde.

3.13

Het verzoek van [C] om aan haar te leveren 50% van de door [A] aan [E] verstrekte aandeelhouderslening en 50% van het dividend dat [A] zichzelf heeft toegekend, zal het hof onbesproken laten, omdat deze ten tijde van de peildatum voor de samenstelling van de gemeenschap, 1 januari 2008, niet aanwezig waren.

3.14

Ten aanzien van de aandelen van de vennootschap naar Lets recht [M] (hierna [M] ) een 10% belang - hebben [C] en [A] gedebatteerd over de vraag of deze aandelen zijn verkregen door [A] privé (in welk geval deze afzonderlijk verdeeld moeten worden) of door [E] (in welk geval afzonderlijke verdeling niet aan de orde is doch de aandelen in [M] mede de waarde van de aandelen van [E] bepalen). Voor het hof staat vast dat op 1 januari 2008, de peildatum voor de samenstelling van de gemeenschap, alle aandelen in [M] werden gehouden door de besloten vennootschap [N] BV (deel uitmakende van het concern van vennootschappen waarvoor feitelijk door [A] werkzaamheden werden verricht) en dat [E] voor 10% in de aandelen van die laatste vennootschap participeerde. In 2009 heeft [E] haar aandelen in [N] (10%) overgedragen en daarbij althans daarna is door [E] eerdergenoemd aandelenbelang in [M] (10%) - alsmede de lening aan c.q. vordering op [M] (aandeel 10%) - verkregen. Het hof heeft dit afgeleid uit de ruil/koop/verkoopovereenkomst van 6 juli 2009 tussen onder meer [N] BV als de ene contractspartij en [A] en [E] als andere contractspartij betreffende de aandelen en de vordering en het rapport van de door [C] ingeschakelde deskundige van 13 mei 2014 waaruit blijkt dat in de jaarrekening van [M] over 2010 (met een goedkeurende accountantsverklaring) wordt aangegeven dat [E] een 10% aandeelhouder is terwijl in de jaarrekening van [E] over datzelfde jaar in voetnoten ook melding wordt gemaakt van een belang van 10% in een commerciële onderneming in Letland. Niet relevant is of [A] de aandelen en de bijbehorende vordering al dan niet eerst in privé heeft verkregen en dezen naderhand heeft ingebracht in en heeft overgedragen aan [E] , zoals hij in eerste aanleg heeft betoogd. De (waarde van de) aandelen [M] en de bijbehorende vordering behoorden ten tijde van de genoemde peildatum 1 januari 2008 (indirect) tot het vermogen van [E] en dezen behoorden in de loop van 2009 dan wel 2010 eveneens althans opnieuw (en thans direct) tot het vermogen van [E] .

3.15

Nu ten aanzien van [M] sprake is van een (in)directe deelneming van [E] is er bij de hiervoor gegeven verdeling van de aandelen van [E] bij helfte geen aanleiding voor een afzonderlijke beslissing over de toedeling (en waardering) van de aandelen [M] noch over de bijbehorende vordering (lening). In dat geval maken de aandelen (en de waarde daarvan) en de vordering immers deel uit van althans zijn deze deel gaan uitmaken van het vermogen van [E] en is met de beslissing over de toedeling van de aandelen van [E] ook de beslissing over de aandelen in en de vordering op [M] gegeven.

3.16

Gelet op het vorenstaande zal het hof ter zake van [M] geen afzonderlijke beslissing geven, naast de hiervoor gegeven beslissing omtrent de aandelen van [E] .

* gronden [b-straat]

3.17

Tussen partijen is niet langer in geschil dat het aandeel van [A] in de gronden [b-straat] in [J] op 1 januari 2008, de peildatum voor de samenstelling van de gemeenschap, nog behoorde tot de tussen [C] en [A] bestaande gemeenschap van goederen. Het gaat, kort gezegd, om twee percelen grond waarvan 10% respectievelijk 5% in eigendom is verkregen door [A] .

3.18

Het hof zal een afzonderlijke toedeling van (het aandeel in) deze gronden - en daarmee ook de waardering van de gronden - achterwege laten nu vast staat dat [A] zijn aandeel in de gronden na deze peildatum (kennelijk in 2011) heeft overgedragen aan [E] dan wel een van de deelnemingen, en het aandeel in de gronden daardoor (in)direct deel is gaan uitmaken van het vermogen van [E] . Aannemelijk is dat bij genoemde overdracht aan [E] ook het aandeel van de [A] in de aan deze gronden verbonden (hypothecaire) lening(en) is overgedragen, direct dan wel indirect. Door aan ieder van partijen thans de helft van de aandelen toe te delen is daarmee tevens aan ieder van de partijen de helft van de waarde van de gronden en de daaraan verbonden schulden toegedeeld. Een afzonderlijke toedeling en waardering van de gronden, rekening houdende met de daaraan verbonden schulden, is daarmee niet langer aan de orde.

3.19

Het hof merkt hierbij ten overvloede op dat deze beslissing niet anders wordt wanneer (een deel van) de gronden op enig moment zijn doorverkocht aan een derde omdat in dat geval de verkoopprijs als vervangende waarde (in)direct tot (het vermogen van) [E] is gaan behoren.

3.20

Ter zitting hebben partijen ingestemd met de hiervoor omschreven zienswijze van het hof en hebben zij eveneens ingestemd met het om die reden achterwege laten van een uitdrukkelijke beslissing over de toedeling van de gronden en de waardering daarvan, waarmee ook een beslissing over betaling van de aan deze gronden verbonden (hypothecaire) schulden niet langer aan de orde is.

3.21

Gelet op het vorenstaande zal het hof ter zake van de gronden [b-straat] in [J] geen afzonderlijke beslissing geven, naast de hiervoor gegeven beslissing omtrent de aandelen van [E] .

* schuld in rekening-courant

3.22

[C] heeft, na haar aanvankelijke betwisting in hoger beroep dat ten tijde van de peildatum voor de samenstelling van de gemeenschap (1 januari 2008) sprake was van een schuld in rekening-courant van afgerond € 35.000,- van [A] bij de [E] , bij de mondelinge behandeling van 6 april 2016 het bestaan van deze rekening-courantschuld erkend. Gelet op de verdeling van de aandelen bij helfte, zoals hiervoor overwogen, zal het hof bepalen dat [C] en de erven [A] ieder de helft van deze schuld, voor zover deze schuld nog bestaat, als eigen schuld voor haar respectievelijk hun rekening moeten nemen.

* conserverende aanslag

3.23

Op 8 april 2011heeft de belastingdienst aan [A] een zogenaamde conserverende aanslag opgelegd van € 1.713.191,- ter zake van de aanmerkelijkbelangwinst die door [A] is genoten uit een fictieve vervreemding van de aandelen als gevolg van zijn emigratie eind 2007. Deze conserverende aanslag is opgelegd - naar de waarde van 100% van de aandelen per datum emigratie - naar aanleiding van de verplaatsing door [A] van de onderneming naar Luxemburg die heeft plaatsgevonden voor de peildatum die de samenstelling van de gemeenschap bepaalt. Deze vordering van de belastingdienst behoort dan ook, zoals door het hof ter zitting van 6 april 2016 reeds is aangenomen, tot de tussen [C] en de erven [A] te verdelen boedel. Geruime tijd is tussen [C] en de erven [A] discussie geweest over, kort gezegd, de hoogte en de opeisbaarheid van deze vordering en zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hierover samen inlichtingen in te winnen bij de belastingdienst, zo veel mogelijk met inachtneming van ieders belangen en positie. Inmiddels is komen vast te staan dat de aanslag op enig moment na het overlijden van [A] is vernietigd. Over deze aanslag, en daarmee de vordering van de belastingdienst, behoeft dan ook geen nadere beslissing te worden genomen, omdat deze vordering niet meer bestaat en in terugblik beschouwd mag worden als feitelijk nooit bestaan hebbend.

* buitenlandse woningen en de inboedel van [A]

3.24

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 6 april 2016 heeft [C] erkend dat de woning in Spanje door [A] (en [F] ) in eigendom is verkregen ruim na 1 januari 2008, zijnde de peildatum voor de omvang van de gemeenschap. In het licht van de betwisting door [A] dat geen sprake is (geweest) van enig eigendom in België en Luxemburg omdat hij in genoemde landen enkel heeft gehuurd - tot mei 2008 in Letland, daarna een jaar in België en vervolgens weer in Letland - waarbij [A] in eerste aanleg ten aanzien van de woonruimte in Letland voor de periode vanaf 29 mei 2009 een huurovereenkomst (gesteld in de Letse taal en voorzien van een Engelse vertaling) heeft overgelegd, heeft [C] haar stelling dat [A] op 1 januari 2008 (mede)eigenaar was van woningen in Letland en/of België niet, althans onvoldoende onderbouwd. Het hof zal de stellingen van [C] op dit punt daarom buiten beschouwing laten.

3.25

Ter zitting van 6 april 2016 heeft [C] haar grief met betrekking tot de verdeling van inboedel in de woning(en) van [A] ingetrokken. Een nadere beoordeling van het hof op dit punt is dan ook niet aan de orde.

* buitenlandse bankrekeningen

3.26

Partijen hebben geen grieven gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de gemeenschappelijke bankrekeningen bij de Rabobank en de bankrekeningen bij de ABN Amro op naam van [C] toe te delen aan [C] . Evenmin is in geschil de waarde zijnde het saldo - van die bankrekeningen op de peildatum. Het hof zal deze beslissingen overnemen, waarbij het hof de vraag van de verrekening van de waarden hierna zal betrekken bij de beoordeling van de door [C] gestelde (verreken)vordering.

3.27

[C] heeft in hoger beroep gesteld dat nog verdeeld moeten worden de bankrekeningen ten name van [A] in Letland die op de peildatum van 1 januari 2008 bestonden. Tegenover deze stelling hebben de erven [A] een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat de bankrekeningen van [A] in Letland eerst zijn geopend na de peildatum van 1 januari 2008. In het licht van deze verklaring heeft [C] haar stelling dat sprake is van bankrekeningen van [A] in Letland die verdeeld moeten worden onvoldoende onderbouwd. Het hof zal deze stelling daarom passeren.

3.28

[C] heeft voorts gememoreerd aan het mogelijke bestaan van bankrekeningen ten name van [A] in Spanje, België en Luxemburg maar zij heeft haar vermoedens niet met concrete aanwijzingen onderbouwd. De erven [A] hebben het bestaan van dergelijke bankrekeningen bestreden. Het hof heeft verder mede in ogenschouw genomen dat de zetel van [E] weliswaar voor 1 januari 2008 naar het buitenland is verplaatst, maar dat [A] zelf eerst na 1 januari 2008 (tijdelijk) is gaan wonen in België en een deel van de tijd in Spanje heeft verbleven (bij zijn gezin). Het hof zal deze grief van [C] als onvoldoende onderbouwd verwerpen. Anders dan [C] mogelijk meent, is er geen reden om - in afwijking van het bepaalde in artikel 150 Rv - de erven [A] het bewijs op te dragen van het niet hebben van genoemde bankrekeningen per peildatum.

* (verreken)vordering van [C]

3.29

[C] heeft ter onderbouwing van haar grief met betrekking tot de door de rechtbank afgewezen (verreken)vordering op [A] verwezen naar een tweetal aktes uit de eerste aanleg waaruit blijkt dat deze vordering volgens haar bestaat uit

- achterstallige betalingen van totaal € 121.000,- ter zake van een overeenkomst tussen haar en [A] betreffende huishoudgeld van € 4.000,- per maand;

- betalingen die [C] aan [A] heeft voldaan na 1 januari 2008 van € 22.000,-;

- de betaling die [C] voor en namens [A] na 1 januari 2008 heeft voldaan van € 3.721,71 ter zake van zijn aandeel in de kosten van de mediator;

- betalingen die [C] namens partijen gezamenlijk heeft voldaan na 1 januari 2008 van € 14.502,- ter zake van de (inrichting en verbouw van de) woning.

3.30

De totale door [C] gestelde vordering bedraagt dan € 161.223,71 welke vordering zij wenst te verreken met de banksaldi van totaal € 139.421,98 die haar dan zouden toekomen zonder nadere verrekening, waarna de erven [A] haar nog een bedrag van € 21.801,73 dienen te betalen. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat [C] door middel van bankafschriften heeft aangetoond dat zij genoemde betalingen heeft verricht, maar ook voor het hof is niet inzichtelijk geworden waarop deze betalingen in concreto betrekking hebben gehad en is niet gebleken dat partijen hierover afspraken hebben gemaakt. De erven [A] hebben de door [C] gestelde aard en strekking van de door haar overgelegde verklaring/overeenkomst betreffende huishoudgeld betwist en hebben betoogd dat op de gemeenschappelijke rekeningen na 1 januari 2008 ook belastingteruggaven en belastingvoorschotten zijn gestort. Ook het hof ziet daarom geen reden om genoemde verrekenvordering bij de verdeling in aanmerking te nemen, met dien verstande dat ook het hof, zoals de rechtbank, de betaling van [C] van de kosten van de mediator zal meenemen voor een bedrag van € 1.860,86 zijnde de helft van de totale nota van € 3.721,71.

* de onbestreden beslissingen van de rechtbank

3.31

Het hof zal voorts uitgaan van de volgende, in hoger beroep niet bestreden beslissingen van de rechtbank:

- de inboedel in de voormalige echtelijke woning wordt toegedeeld aan [C] , zonder nadere verrekening van de waarde;

- de polis bij [I] N.V. ( [O] ) wordt toegedeeld aan [C] tegen een waarde van € 11.159,17 onder verrekening van de waarde;

- de drie kapitaalverzekeringen bij de ABN-Amro bank ter waarde van totaal € 32.739,- worden toegedeeld aan [C] onder verrekening van de waarde;

- de auto van het merk Suzuki Wagon ter waarde van € 500,- wordt toegedeeld aan [C] onder verrekening van de waarde.

* de verdeling in hoger beroep

3.32

Gelet op de beslissingen van het hof en de niet bestreden beslissingen van de rechtbank stelt het hof de verdeling van de tussen [C] en [A] bestaande gemeenschap van goederen als volgt vast:

aan [C] wordt respectievelijk is reeds toegedeeld bij beschikking van 16 april 2016:

- de helft van alle aandelen in [E] BV / [E] S.a.r.l onder de verplichting de helft van de rekening-courant schuld aan [E] BV / [E] S.a.r.l. voor haar rekening te nemen, voor zover deze schuld nog bestaat;

- de echtelijke woning aan [a-straat] 9, [H] , tegen een waarde van € 360.000,- onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij ABN-Amro bank, nr. [00000] van € 199.134,- voor haar rekening te nemen, met ontslag van [A] (thans de erven [A] ) uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldlening;

- de kapitaalverzekeringen bij de ABN-Amro bank onder nummers [00001] , [00002] en [00003] ter waarde van totaal € 32.739,-;

- de polis bij [I] N.V., onder nummer [00004] ter waarde van € 11.159,17;

- de auto van het merk Suzuki Wagon ter waarde van € 500,-;

- de inboedel van de woning te [H] ;

- de gezamenlijke bankrekeningen bij de Rabobank, onder nummer [00005] ad € 8.421,98; nummer [00006] ad € 0,00en nummer [00007] ad € 131.000,-;

- de bankrekeningen op naam van de vrouw bij de ABN-Amro bank, onder nummer [00008] ad € 651,67 en nummer [00009] ad € 37.505,67.

aan [A] (thans de erven [A] ) wordt toegedeeld :

- de helft van alle aandelen in [E] BV / [E] S.a.r.l. onder de verplichting de helft van de rekening-courant schuld aan [E] BV / [E] S.a.r.l. voor zijn (thans hun) rekening te nemen, voor zover deze schuld nog bestaat.

3.33

[C] ontvangt - buiten de helft van de aandelen (minus helft van de eventueel nog bestaande de rekening-courantschuld), die [A] en daarmee de erven [A] ook ontvangen - vermogensbestanddelen ter waarde van € 382.843,49. Dit bedrag komt partijen gelijkelijk toe zodat [C] wordt overbedeeld voor een bedrag € 191.421,75.

Het verzoek om informatie

3.34

Voor zover [C] in hoger beroep in algemene zin heeft geklaagd over het gebrek aan informatie die de man heeft verstrekt over de vermogensbestanddelen op 1 januari 2008, de peildatum voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap, en op 31 december 2010, de peildatum van de waarde van die gemeenschap overweegt het hof het volgende. Met onderhavige beschikking wordt de tussen [C] en [A] bestaande gemeenschap verdeeld. Reeds om die reden heeft [C] geen belang bij een nadere beoordeling van haar klacht.

3.35

[C] heeft voorts in het verweerschrift dat zij op 13 juli 2016 heeft ingediend in het schorsingsverzoek van de erven [A] betreffende de verkoop van de aandelen [E] (welk schorsingsverzoek is geadministreerd onder zaaknummer 200.194.274/02) een verzoek gedaan om inlichtingen op grond van artikel 843a Rv (welk verzoek door het hof is aangemerkt als een incident in de boedelverdeling en administratief zijn geregistreerd onder nummers 200.149.223/02 en 200.149.274/02). In dit incident is op 20 december 2016 door de erven [A] een verweerschrift ingediend en op eerder genoemde mondelinge behandeling van 2 maart 2017 is ook het incident inhoudelijk behandeld.

3.36

[C] heeft in haar verzoek in het incident een opsomming gegeven van de informatie (documenten) die zij heeft gevraagd en de achtergrond en redenen van het verzoek geschetst. Het hof zal dit verzoek volledig afwijzen. Met onderhavige beschikking wordt de tussen [C] en [A] bestaande gemeenschap verdeeld. Het merendeel van de verzochte stukken ziet op de periode na 31 december 2010 en heeft daarmee geen betrekking op de rechtsverhouding tussen [C] en de erven [A] . Bij toewijzing van de vordering tot het overleggen van de jaarrekeningen van [E] tot en met 2010, voor zover die bestaan, heeft [C] geen belang meer nu zij ten gevolge van de onderhavige verdeling mede aandeelhouder van [E] wordt en op die wijze alsnog inzage kan verkrijgen in de boeken van [E] .

De wettelijke rente, het voorschot en de verzochte dwangmiddelen

3.37

Het hof komt, anders dan de rechtbank, tot een overbedeling aan de zijde van [C] . Voor toekenning van wettelijke rente zoals door [C] verzocht, is reeds hierom geen aanleiding terwijl er evenmin reden is voor het vaststellen van een voorschot te haren behoeve. Deze verzoeken worden afgewezen. Dit geldt ook voor de huidige verzoeken ex artikel 3:300 BW die naar het oordeel van het hof te weinig specifiek en nauwkeurig omschreven zijn, in het bijzonder ten aanzien van de aandelen [E] mede gezien het daarop rustende beslag van [C] en de omstandigheid dat deze vennootschap domicilie heeft in Luxemburg. Het hof ziet op dit moment evenmin aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.

4 De slotsom

Het hof zal de beschikking van de rechtbank van 18 februari 2014, zoals hersteld bij beschikking van 26 augustus 2014, om redenen van doelmatigheid vernietigen behoudens voor wat betreft de kosten van de deskundige en de voormalige echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire lening. Ten aanzien van de woning en lening heeft het hof in zijn beschikking van 21 april 2016 al beslist. [C] zal aan de erven [A]

(€ 191.421,75 (rechtsoverweging 3.33) - € 1.860,86 (rechtsoverweging 3.30) = € 189.560,89 moeten betalen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de (bij beschikking van 26 augustus 2014 herstelde) beschikking van 18 februari 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, behoudens voor wat betreft de

toedeling van de echtelijke woning aan [C] onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij ABN-Amro bank voor haar rekening te nemen en voor wat betreft de kosten van de deskundige,

opnieuw beslissende in hoger beroep:

aan [C] worden toegedeeld:

- de helft van alle aandelen in [E] BV / [E] S.a.r.l. onder de verplichting de helft van de rekening-courant schuld aan [E] BV / [E] S.a.r.l. voor haar rekening te nemen, voor zover deze schuld nog bestaat;

- de kapitaalverzekeringen bij de ABN-Amro bank onder nummers [00001] , [00002] en [00003] ter waarde van totaal € 32.739,-;

- de polis bij [I] N.V., onder nummer [00004] ter waarde van € 11.159,17;

- de auto van het merk Suzuki Wagon ter waarde van € 500,-;

- de inboedel van de woning te [H] ;

- de gezamenlijke bankrekeningen bij de Rabobank, onder nummer [00005] ad € 8.421,98; nummer [00006] ad € 0,00 en nummer [00007] ad € 131.000,-

- de bankrekeningen op naam van [C] bij de ABN-Amro bank, onder nummer [00008] ad € 651,67 en nummer [00009] ad € 37.505,67;

aan [A] (thans de erven [A] ) wordt toegedeeld :

- de helft van alle aandelen in [E] BV / [E] S.a.r.l. onder de verplichting de helft van de rekening-courant schuld aan [E] BV / [E] S.a.r.l. voor zijn respectievelijk hun rekening te nemen, voor zover deze schuld nog bestaat;

bepaalt dat [C] aan de erven [A] ter zake van overbedeling een bedrag van € 189.560,89 dient te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G. Jonkman en mr. B.J.H. Hofstee, en in bijzijn van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 november 2017.