Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9629

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
200.210.849
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor verhuizing naar buitenland. Noodzaak niet gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.210.849

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 420955)

beschikking van 7 november 2017

inzake

[de moeder] ,

wonende te [buitenlandse stad] , [buitenland] , verblijvende te [plaats] ,
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.M.E. Derks te Woerden,

en

[de vader] ,

wonende te [plaats] , feitelijk verblijvende te [plaats] , gemeente [plaats] ,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.A. Comley te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 1 december 2016 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 februari 2017;

- het verweerschrift met producties;

- een journaalbericht van mr. Derks van 29 september 2017 met producties;

- een journaalbericht van mr. Comley van 4 oktober 2017 met producties;

- een journaalbericht van mr. Comley van 18 oktober 2017 met productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 19 oktober 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn

in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [X] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 26 juli 2015 te [buitenlandse stad] , [buitenland] , met elkaar gehuwd.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] (verder: [kind 1] ), en

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [buitenlandse stad] , [buitenland] (verder: [kind 2] ), (gezamenlijk te noemen: de kinderen). Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

3.3

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 7 september 2017 heeft de rechtbank bepaald, voor de duur van het geding, voor zover hier van belang, met ingang van

7 september 2017, dat de moeder bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, dat [kind 1] zal worden toevertrouwd aan de vader en [kind 2] aan de moeder, en als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:

- [kind 1] en [kind 2] verblijven op maandag en dinsdag bij de vader, op woensdag en

donderdag bij de moeder, op vrijdag tot en met dinsdag in de daaropvolgende week bij

de vader en van woensdag tot en met zondag bij de moeder;

- hierbij geldt dat [kind 1] en [kind 2] om de week op donderdag bij de ouders van de

vader zullen verblijven.

3.4

Bij vonnis in kort geding van 4 oktober 2017 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming verleend aan de moeder om [kind 1] in te schrijven op basisschool [basisschool] en om [kind 1] in te schrijven op de BSO van [BSO X] voor drie dagen per week, aan de moeder vervangende toestemming verleend om [kind 2] in te schrijven op het KDV van [BSO X] voor drie dagen per week, in het kader van de uitvoering van de voorlopige zorgregeling zoals neergelegd in de beschikking voorlopige voorzieningen van 7 september 2017 vastgesteld dat degene bij wie [kind 1] en [kind 2] het laatst verbleven de kinderen naar de andere ouder brengt en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.5

Partijen leven gescheiden van elkaar.

4 De omvang van het geschil

4.1

Aan het hof ligt voor of de moeder vervangende toestemming dient te worden verleend voor verhuizing met de kinderen naar [buitenland] alsmede de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de moeder en de vader betreffende de kinderen.

Bij de beschikking van 1 december 2016 heeft de rechtbank de hierop betrekking hebbende verzoeken van de moeder afgewezen.

4.2

De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 december 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De moeder verzoekt de beschikking van 1 december 2016 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [buitenland] ;

b. een contactregeling vast te stellen waarbij de kinderen in de ene maand door de

moeder naar Nederland worden gebracht zodat de vader een week lang contact met

hen kan hebben en de vader de daarop volgende maand naar [buitenland] komt om aldaar

gedurende een week contact met hen te hebben. Deze regeling geldt totdat de moeder

een baan heeft gevonden waarna het contact wat het verblijf in Nederland betreft

wordt beperkt tot een lang weekend vanaf donderdag tot zondag. In één van de

zomermaanden brengt de moeder de kinderen naar Nederland en (het hof

leest:) (eventueel) gedurende vier weken, althans een bepaalde periode, verblijft zij

daar, zodat de vader gedurende die vier weken, althans een bepaalde periode, zoveel

mogelijk contact met de kinderen heeft, in die zin dat de kinderen alleen bij de moeder verblijven als de vader niet in staat is zelf voor de kinderen te zorgen,

althans een beslissing te nemen die het hof juist acht, kosten rechtens.

4.3

De vader voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en indien het hof aan de moeder de verzochte toestemming wél verleent, deze niet bij voorbaat uitvoerbaar te verklaren.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.2

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.3

Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen

van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te

compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de

verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige

geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.4

De ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de keuze van de moeder om te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.

5.5

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [buitenland] te verhuizen, dient te worden afgewezen en dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Het hof begrijpt het verlangen van de moeder om terug te keren naar [buitenland] maar, anders dan de moeder stelt, heeft zij de noodzaak van een verhuizing naar [buitenland] onvoldoende aangetoond. Ook is niet van andere feiten en omstandigheden gebleken die tot het verlenen van vervangende toestemming zouden moeten leiden. Daartoe overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat de moeder al achttien jaar niet meer in [buitenland] heeft gewoond en inmiddels tien jaar in Nederland woont. Niet is gebleken dat de moeder, naar zij stelt, in Nederland geen zelfstandig bestaan kan opbouwen. De moeder is academisch geschoold en (naar zij stelt) heeft tot 2010 in Nederland een passende baan gehad. Hoewel zij in de jaren daarna soms slechts een gering inkomen heeft kunnen genereren, heeft zij sinds kort, namelijk sinds 15 augustus 2017, een arbeidsovereenkomst met een arbeidsomvang van 32 uur per week. Aldus is de moeder in ieder geval vanaf die datum in staat om in financieel opzicht een zelfstandig bestaan op te bouwen. Niet is gebleken dat de moeder, naar zij stelt, vanwege het ontbreken van financiële middelen niet in staat zou zijn om geschikte woonruimte in Nederland te verkrijgen. Onvoldoende is komen vast te staan dat het opbouwen van een zelfstandig bestaan voor de moeder alleen in [buitenland] mogelijk is en dat de moeder in Nederland geen perspectieven zou hebben. Hetgeen de moeder aanvoert met betrekking tot het niet kunnen aarden in Nederland, heimwee en de mogelijke weerslag daarvan op de kinderen, levert evenmin een noodzaak op tot verhuizing van de moeder en de kinderen naar [buitenland] . Niet is gebleken dat de mentale toestand van de moeder een dusdanige invloed heeft op de kinderen dat zij daarvan hinder ondervinden.

De noodzaak tot verhuizing naar [buitenland] is met het voorgaande in ieder geval niet gegeven, waarbij het hof tevens in aanmerking neemt dat de moeder door een verhuizing naar [buitenland] haar zekerheden wat betreft wonen en werken in Nederland opgeeft tegen een op die punten thans nog onzeker bestaan in [buitenland] . Weliswaar heeft de moeder informatie overgelegd ten aanzien van haar mogelijkheden wat betreft wonen, werken en kinderopvang in [buitenland] , maar concreet bestaat op geen enkele van die punten thans al enige zekerheid.

5.6

Het hof overweegt voorts dat een verhuizing naar [buitenland] grote gevolgen zal hebben voor de contacten van de kinderen met de vader en het contact van de kinderen met de familie van de vader. Mede gelet op de nog zeer jonge leeftijd van de kinderen is het hof, anders dan de moeder, van oordeel dat gegronde vrees bestaat dat met een verhuizing naar [buitenland] de voortzetting van de hechting van de kinderen met de vader en diens familie in gevaar komt. De moeder stelt in dat verband dat door een verhuizing naar [buitenland] de zorgregeling er weliswaar anders zal gaan uitzien, maar dat deze niet zal worden ingeperkt. Met de vader is het hof echter van oordeel dat verhuizing meebrengt dat de vader zijn ouderschap niet meer volwaardig kan uitoefenen, zoals nu wel het geval is, hetgeen een wezenlijke verandering betekent in de huidige verdeling van de zorgtaken tussen de ouders en de continuïteit van de zorg door de vader. Hoewel de ouders van mening verschillen over de wijze waarop zij (tijdens hun samenwoning) de zorgtaken voor [kind 1] hebben verdeeld, is voldoende komen vast te staan dat zij sinds november 2015 de zorg voor [kind 1] gelijkelijk verdelen. Ten aanzien van [kind 2] bestond, gelet op zijn jonge leeftijd (nog) geen gelijke verdeling van de zorg tussen partijen maar gebleken is dat ook voor [kind 2] inmiddels een gelijke zorgverdeling geldt. De kinderen verblijven daarnaast al geruime tijd de donderdag bij de ouders van de vader. Gelet op de huidige situatie biedt de door de moeder voorgestelde zorgregeling bij een verhuizing naar [buitenland] onvoldoende compensatie. De frequentie van het contact tussen de vader en de kinderen vermindert op basis van de door de moeder voorgestelde regeling van een co-ouderschapsregeling naar een regeling waarbij de vader en de kinderen elkaar slechts eens per maand, afwisselend in Nederland en in [buitenland] , een lang weekend zien. Voor de kinderen brengt die regeling voorts zes maal per jaar een lange reistijd mee (het weekend dat de omgang in Nederland zou plaatsvinden) en hoge omgangskosten voor de vader in verband met het zes maal per jaar reizen naar [buitenland] .

Daarbij komt dat is gebleken dat de ouders tot nu toe slechts in beperkte mate in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg. Zo konden de ouders het al niet eens worden over de schoolkeuze van [kind 1] en is in dat kader een verzoek om vervangende toestemming gedaan bij de voorzieningenrechter. In die moeizame communicatie is (ook) het risico gelegen dat de betrokkenheid van de vader bij de kinderen en zijn invulling van het vaderschap bij een verhuizing van de kinderen naar [buitenland] wordt beperkt, hetgeen niet in het belang van de kinderen wordt geacht. In dat kader overweegt het hof nog dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat de kans groot is dat, gelet op de huidige communicatieproblemen tussen de ouders, de communicatie bij een verhuizing van de moeder met de kinderen naar [buitenland] geheel zal vastlopen. De raad benadrukt dan ook dat het noodzakelijk is dat partijen aan hun onderlinge communicatie gaan werken.

5.7

Al het voorgaande in aanmerking nemende en de belangen van de kinderen, de moeder en de vader tegen elkaar afwegende is het hof van oordeel dat een verhuizing van de kinderen met de moeder naar [buitenland] een dermate grote inbreuk betekent op het recht op gelijkwaardige opvoeding en verzorging door beide ouders, dat deze verhuizing niet in het belang van de kinderen is. De door de moeder gestelde belangen bij haar sociale netwerk in [buitenland] , haar welbevinden en de doorwerking daarvan op de kinderen, alsmede mogelijke (financiële) voordelen op het gebied van wonen en werken indien zij in [buitenland] zou wonen zijn in het licht van het voorgaande onvoldoende zwaarwegend.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel van het hoger beroep tevergeefs is ingesteld. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

1 december 2016;

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R. Feunekes en

I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door de griffier, en is op 7 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.