Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9607

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
16/01059
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:3245, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:766
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aandeel in bloot eigendom van woning waarin moeder woont terecht in aanmerking genomen als inkomen uit sparen en beleggen. Bij de berekening van het forfaitaire rendement over het inkomen uit sparen en beleggen is terecht voor het jaar 2012 het wettelijke percentage van 4 gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2668
V-N 2018/8.1.3
Belastingadvies 2018/3.3
Viditax (FutD), 10-11-2017
FutD 2017-2841
Viditax (FutD), 25-05-2018
Vp-bulletin 2018/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

nummer 16/01059

uitspraakdatum: 7 november 2017

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 juli 2016, nummer LEE 16/1034,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.488 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.179. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 1.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 7 juli 2016 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2017 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en [A] , de echtgenote van belanghebbende, alsmede mr. [B] namens de Inspecteur. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbendes vader is [in] 1983 overleden. Bij testament heeft belanghebbendes vader het levenslange recht van vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap gelegateerd aan zijn echtgenote, belanghebbendes moeder, geboren [in] 1918. Onder de last van dit legaat heeft belanghebbendes vader zijn echtgenote en vijf kinderen, ieder voor een zesde gedeelte tot zijn erfgenamen benoemd.

2.2

Voor het overlijden van belanghebbendes vader behoorde tot de huwelijksgemeenschap van belanghebbendes ouders de eigendom van de door hem en zijn echtgenote bewoonde onroerende zaak gelegen aan de [a-straat] 2 te [C] (hierna: de woning).

2.3

Bij notariële akte van 10 juni 1993 zijn belanghebbendes moeder en haar vijf kinderen overgegaan tot de verdeling van de huwelijkse goederengemeenschap en de nalatenschap. Volgens deze akte is aan de vijf kinderen, onder wie belanghebbende, ieder een vijfde onverdeeld aandeel in de eigendom van de woning toebedeeld. Aan belanghebbendes moeder zijn de beperkte rechten van gebruik en van bewoning met betrekking tot de woning toebedeeld.

2.4

Belanghebbende heeft in zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2012 ter bepaling van zijn inkomen uit sparen en beleggen als overige bezittingen een bedrag van € 48.928 verantwoord. Dit bedrag betreft de waarde van belanghebbendes aandeel in de bloot eigendom van de woning. Belanghebbende is hierbij op grond van artikel 5.22 van de Wet IB 2001 uitgegaan van de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de woning vastgestelde waarde van € 278.000 verminderd met de op grond van artikel 18 en 19 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (UBIB) berekende waarde van de rechten van gebruik en bewoning, ofwel € 33.360 (3 maal 4% van € 278.000).

2.5

Naast de waarde van belanghebbendes aandeel in de bloot eigendom van de woning, heeft belanghebbende ter bepaling van zijn inkomen uit sparen en beleggen (box 3) in zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2012 een bedrag van € 91.023 opgenomen ter zake van bank- en spaartegoeden bij de Rabobank en een bedrag van € 8.670 ter zake van “Rabo Ledencertificaten”. Als totale bezittingen per 1 januari 2012 heeft belanghebbende aldus een bedrag van € 148.621 aangegeven. Na vermindering van het heffingsvrije vermogen bedraagt de rendementsgrondslag aldus € 106.343. Belanghebbendes aandeel hierin is € 104.493, zodat hij 4% hiervan, ofwel € 4.179, als voordeel uit sparen en beleggen heeft aangegeven.

2.6

De Inspecteur heeft de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2012 overeenkomstig belanghebbendes aangifte vastgesteld. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat hij het niet eens is met de belastingheffing over zijn aandeel in de bloot eigendom van de woning en hij daarnaast van mening is dat de forfaitaire rendementsheffing van box 3 te hoog is.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur de waarde van belanghebbendes aandeel in de bloot eigendom van de woning terecht in aanmerking heeft genomen als inkomen uit sparen en beleggen en of bij de berekening van het forfaitaire rendement over het inkomen uit sparen en beleggen terecht het wettelijk vastgestelde percentage van 4% is gehanteerd.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de bestreden aanslag voor zover het het belastbare inkomen uit sparen en beleggen betreft.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor - onder 3.1 - vermelde vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Tussen partijen in niet in geschil dat de waarde van belanghebbendes aandeel in de bloot eigendom van de woning op grond van de artikelen 5.20 en 5.22 van de Wet IB 2001 in verbinding met artikel 19 van het UBIB € 48.928 bedraagt. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de overige vermogensbestanddelen als vermeld onder 2.5 tot de rendementsgrondslag behoren. Evenmin is de juistheid in geschil van het aldaar opgenomen bedrag aan het heffingsvrije vermogen en de toerekening aan belanghebbende van de rendementsgrondslag.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 5.3, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2012) is de rendementsgrondslag aan de hand waarvan het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Het tweede lid bepaalt onder meer dat onroerende zaken bezittingen zijn.

4.2

Vaststaat dat belanghebbende voor een vijfde gedeelte eigenaar is van de woning, zodat belanghebbendes aandeel in de eigendom van de woning in beginsel tot de bezittingen behoort.

4.3

Artikel 5.4, derde en vierde lid, van de Wet IB 2001 luidden:

“3. Tot de bezittingen behoren niet goederen:

a. waarop een vruchtgebruik rust ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder, (…)”.

4. Indien goederen ingevolge het derde lid niet tot de bezittingen van de belastingplichtige behoren, worden die goederen bij de in dat lid bedoelde echtgenoot in aanmerking genomen voor de waarde die deze goederen zouden hebben indien daarop geen vruchtgebruik zou rusten.”.

4.4

Zoals hiervoor – onder 2.3 – is vastgesteld, is belanghebbendes (mede-)eigendom van de woning ontstaan bij de akte van verdeling van 10 juni 1993, waarbij aan ieder van de vijf kinderen, onder wie belanghebbende, een vijfde onverdeeld aandeel in de eigendom van de woning is toebedeeld en aan belanghebbendes moeder het beperkte recht van gebruik en bewoning, zulks in afwijking van het testament van belanghebbendes vader. Er is dus in het onderhavige geval geen sprake van een vruchtgebruik ten behoeve van moeder dat is gevestigd krachtens het testament van vader. Ook overigens zijn er geen wettelijke vrijstellingen van toepassing. Ook het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 8 mei 2015, nr. BLKB2015/409M, Stcrt. 2015/13801, is niet op het onderhavige geval van toepassing, reeds niet omdat ook de goedkeuring in dat besluit eist dat sprake is van een vruchtgebruik, waarvan in het onderhavige geval geen sprake is.

4.5

Voor die situatie is niet in geschil dat de rendementsgrondslag op € 106.343 moet worden vastgesteld.

4.6

Belanghebbende heeft nog gesteld dat hij ten tijde van het verlijden van de hiervoor bedoelde notariële akte van verdeling niet kon voorzien dat hij in de toekomst met zijn aandeel in de woning zou worden betrokken in de forfaitaire vermogensrendementsheffing van de Wet IB 2001. Die omstandigheid doet er evenwel, naar het oordeel van het Hof, niet aan af dat de desbetreffende bepalingen van de Wet IB 2001 wel op belanghebbende van toepassing zijn. Gesteld noch gebleken is dat voor hem overgangsrecht geldt. De keuze van belanghebbende in 1993 voor de toen gekozen verdeling, welke gunstig leek met het oog op de toekomstige heffing van successierechten (thans: erfbelasting) komt voor zijn eigen risico.

4.7

Belanghebbende heeft voorts gesteld - kort samengevat - dat hij het als zeer onrechtvaardig ervaart dat hij wordt belast voor een forfaitair rendement van 4 percent over zijn vermogen, waaronder zijn aandeel in de bloot eigendom van de woning, waarover hij niet vrij kan beschikken. Ter zake daarvan is van beleggen of sparen geen sprake, aldus belanghebbende. Zowel ten aanzien van de samenstelling van de wettelijke rendementsgrondslag (zie hiervoor onder 2.4 en 2.5) als het wettelijke forfaitaire rendement van 4 percent, stelt het Hof voorop dat de rechter volgens de wet recht moet spreken. Hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen (artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk).

4.8

Het Hof zal er vervolgens, evenals de Rechtbank, van uitgaan dat belanghebbende een forfaitair rendement van 4 percent in 2012 in strijd acht met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP).

4.9

De Rechtbank heeft dienaangaande onder meer overwogen:

“9. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 10 juni 2016 opnieuw een arrest heeft gewezen over de forfaitaire vermogensrendementsheffing. In dit arrest (nr 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129) heeft de Hoge Raad onder meer het volgende geoordeeld:

“2.4.1.3 Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

2.5.1

De onderhavige procedure betreft de forfaitaire rendementsheffing voor het jaar 2011. In het zojuist genoemde arrest BNB 2015/174 inzake de heffing van inkomstenbelasting voor het jaar 2010 was niet komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers toen niet meer haalbaar was. Er is geen grond om daarover anders te oordelen voor het onderhavige jaar 2011, ten aanzien van welk jaar in deze procedure niet is komen vast te staan dat de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen lager waren dan in 2010.”

De rechtbank overweegt dat de onderhavige procedure betrekking heeft op het jaar 2012. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van dit jaar in deze procedure niet komen vast te staan dat het destijds door de wetgever veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers, zoals belanghebbende, niet meer haalbaar was. Gelet hierop, faalt de bij 7 bedoelde beroepsgrond van belanghebbende. “.

4.10

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank met zijn hiervoor – onder 4.9 - weergegeven overwegingen op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne.

4.11

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast, is het beroep ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 7 november 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(mr. K. de Jong-Braaksma)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 november 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.