Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9578

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
WAHV 200.184.592
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. Telefonisch horen is - tenzij daarover overeenstemming is bereikt - geen volwaardig alternatief voor een hoorzitting.

Parkeren binnen een parkeerschijfzone is toegestaan op de daarvoor aangewezen parkeervakken en bij een blauwe streep. Beide uitzonderingen waren niet aan de orde, zodat de betrokkene niet de betreffende locatie mocht parkeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.184.592

6 november 2017

CJIB 180517235

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 5 november 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden door de officier van justitie. Hiertoe voert de gemachtigde aan dat niet driemaal, maar slechts éénmaal telefonisch contact is gezocht met de gemachtigde met het verzoek of direct telefonisch een hoorzitting gehouden kon worden. Voorts bevat de uitnodiging d.d. 24 november 2014, ontvangen op 26 november 2014, voor het houden van een hoorzitting in persoon, een onredelijk korte termijn waarbinnen gereageerd moest worden.

2. In het administratief beroepschrift heeft de gemachtigde uitdrukkelijk verzocht te worden gehoord.

3. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden door de officier van justitie, nu driemaal tevergeefs is geprobeerd de gemachtigde telefonisch te horen. Dat de gemachtigde zich niet akkoord heeft verklaard met het telefonisch horen omdat het technisch niet mogelijk was dit samen met de betrokkene te doen, betreft een omstandigheid die voor rekening van de gemachtigde dient te komen. Daarnaast is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken dat de gemachtigde in reactie op de uitnodiging d.d. 24 november 2014 voor een hoorzitting in persoon, na de tevergeefse poging om de betreffende persoon te bereiken, binnen de gestelde termijn nogmaals heeft geprobeerd deze persoon te bereiken voor het maken van een afspraak. De kantonrechter achtte daarbij de termijn om vóór 4 december 2014 te reageren op de uitnodiging van 24 november 2014 niet onredelijk.

4. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie (de gemachtigde van) de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Dat er meerdere pogingen zouden zijn gedaan om de gemachtigde telefonisch te horen, is daartoe onvoldoende. Het telefonisch horen is, tenzij daarover overeenstemming is bereikt, hetgeen in de onderhavige zaak niet het geval was, geen volwaardig alternatief voor een hoorzitting (vgl. het arrest van het hof van 3 maart 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2017:1777). De gestelde termijn van negen dagen in de uitnodiging van 24 november 2014 voor het maken van een afspraak voor het houden van een hoorzitting, is daarnaast niet redelijk. Nu zich hier ook geen van de in artikel 7:17 Awb genoemde situaties voor het afzien van het horen voordoet, is sprake van een schending van de hoorplicht.

5. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. De beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie zullen gelet op het voorgaande worden vernietigd. De overige bezwaren van de gemachtigde tegen deze beslissingen behoeven aldus geen bespreking meer.

6. Vervolgens staat ter beoordeling het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- is opgelegd ter zake van “als bestuurder een voertuig parkeren in een parkeerschijfzone (niet op zodanig aangeduide parkeerplaats/langs blauwe streep)”, welke gedraging zou zijn verricht op 28 maart 2014 om 14.15 uur op de Markt te Simpelveld met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

7. Namens de betrokkene wordt ontkend dat de gedraging is verricht. De gemachtigde voert hiertoe aan dat op de foto's van de verbalisant in het geheel geen parkeervakken te zien zijn. Desondanks wordt op basis van de verklaring en foto's van de verbalisant vastgesteld dat de gedraging is verricht.

8. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 25 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel 25 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Het is verboden in een parkeerschijfzone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep."

9. Het dossier bevat een aanvullend proces-verbaal van 25 augustus 2014, waarin de verbalisant, voor zover relevant, het volgende verklaart:

"Het voertuig stond binnen de blauwe zone, maar buiten de aangegeven en van een blauwe streep voorziene vakken geparkeerd."

10. De verbalisant heeft tevens foto's van de gedraging overgelegd. Hierop is te zien dat het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] niet in een parkeervak staat. Verder is geen blauwe belijning waarneembaar.

11. Uit de tekst van artikel 25, eerste lid, van het RVV 1990 volgt dat het parkeren bij een blauwe streep of op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven, uitzonderingen zijn op het verbod om in een parkeerschijfzone te parkeren. Hieruit volgt - in tegenstelling tot hetgeen de gemachtigde meent - dat binnen een parkeerschijfzone onder andere niet buiten de daarvoor aangewezen parkeervakken geparkeerd mag worden.

12. Nu de gemachtigde erkent dat het voertuig op de pleeglocatie buiten de parkeervakken geparkeerd stond en het voertuig evenmin geparkeerd stond langs een blauwe streep, staat vast dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt daarom ongegrond verklaard.

13. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten, gemaakt in de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep, voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 496,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 744,- (= 3 x € 496,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 744,-, over te maken op bankrekeningnummer [00000] ten name van [D] te [C] .

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.