Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9562

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.211.008/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Behoeftigheid niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.211.008/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/115228 / FA RK 16-1369)

beschikking van 2 november 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.F. Dirkzwager te Meppel,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.W. Bongers te Ommen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 7 december 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 maart 2017;

- het verweerschrift;

- een journaalbericht van mr. Dirkzwager van 21 maart 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bongers van 21 augustus 2017 met productie(s);

- een tweetal journaalberichten van mr. Dirkzwager van 18 september 2017, beide met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 juli 2015 in de registers van de burgerlijke stand. De uit dit huwelijk geboren kinderen zijn meerderjarig.

3.2

De vrouw heeft de rechtbank bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 22 juni 2016, verzocht - kort gezegd - om de man te veroordelen met ingang van die datum met een bedrag van € 350,- per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

3.3

De man heeft daartegen verweer gevoerd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen.

4.2

De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 december 2016. Deze grief richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank ter zake van de behoefte en behoeftigheid van de vrouw.

De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de man te veroordelen om met ingang van de dag van indiening van het inleidend verzoekschrift aan de vrouw te betalen, als bijdrage in de kosten voor levensonderhoud, een bedrag groot € 350,- per maand althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, kosten rechtens.

4.3

De man heeft daartegen verweer gevoerd en verzoekt het hof primair het verzoek van de vrouw af te wijzen en subsidiair de bijdrage in de kosten voor levensonderhoud van de vrouw vast te stellen op een dusdanig lager bedrag als het hof zal bepalen en te beperken tot een periode van drie jaren vanaf de datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

het zelfstandig verzoek

5.1

Het hof constateert dat de man in hoger beroep bij zijn verweerschrift een verzoek heeft gedaan tot limitering van de partneralimentatie in de zin van artikel 1:157, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) (namelijk om de bijdrage van de man in de kosten voor levensonderhoud van de vrouw te beperken tot een periode van drie jaren), hetgeen door hem in eerste aanleg niet is verzocht. Dit brengt met zich dat sprake is van een zelfstandig verzoek dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan ingevolge het bepaalde in artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 282 lid 4 Rv. Op grond hiervan kan het verzoek van de man tot limitering van de partneralimentatie niet in behandeling worden genomen.

de ingangsdatum

5.2

Niet in geschil is dat de ingangsdatum van de eventuele door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud dient in te gaan op de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, derhalve 22 juni 2016.

de behoefte van de vrouw

5.3

Allereerst staat de (hoogte van de) behoefte van de vrouw ter discussie.

5.4

De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

5.5

De vrouw heeft zich in hoger beroep aanvankelijk op het standpunt gesteld dat haar behoefte aan de hand van de zogeheten hofnorm (te weten: 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen dat partijen aan het einde van het huwelijk verdienden) dient te worden vastgesteld. De man heeft een en ander gemotiveerd betwist. Door bij de berekening van de hoogte van haar behoefte enkel uit te gaan van 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen dat partijen aan het einde van het huwelijk verdienden, heeft de vrouw miskend dat zij haar welstand gerelateerde behoefte dient te stellen en bij betwisting te onderbouwen. Het hof constateert dat de vrouw - ook in hoger beroep - geen (nadere) onderbouwing van haar behoefte, bijvoorbeeld door middel van een zogeheten behoeftelijstje, in het geding heeft gebracht. Wel heeft de vrouw zich ter zitting op het standpunt gesteld dat haar behoefte op ten minste de bijstandsnorm kan worden gesteld. Aangezien de man dit niet, althans onvoldoende, heeft weersproken, zal het hof uitgaan van een netto behoefte van de vrouw van afgerond € 973,- per maand (te weten: de per 1 januari 2016 voor de vrouw van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een alleenstaande). Het hof is van oordeel dat de vrouw haar behoefte voor het overige onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man.

de behoeftigheid van de vrouw

5.6

Voorts dient te worden beoordeeld in hoeverre de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud (ook wel behoeftigheid genaamd). Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

5.7

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw ook in hoger beroep onvoldoende heeft aangetoond dat zij in redelijkheid niet voldoende inkomsten kan verwerven om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zo heeft zij slechts een drietal sollicitatiebrieven overgelegd, waaruit blijkt dat zij op 24 februari 2015, 25 februari 2016 en 8 september 2017 heeft gesolliciteerd. De man is dan ook van mening dat de vrouw zich onvoldoende heeft ingespannen dan wel inspant om in de kosten van haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en dat om die reden haar verzoek om partneralimentatie dient te worden afgewezen. Weliswaar heeft de vrouw ter zitting aangegeven dat zij naast haar dienstbetrekking bij [C] Nederland (waar zij op maandag en woensdag gedurende 5 uur per dag en op donderdag gedurende 3-3,5 uur per dag werkzaam is), slechts in staat zal zijn om op dinsdag en vrijdag elders te werken omdat zij haar vaste dienstbetrekking bij [C] Nederland niet wil opgeven, doch het hof is van oordeel dat de vrouw - in het licht van de stellingen van de man - geenszins heeft aangetoond dat zij zich (voldoende) heeft ingespannen om op die dagen werk elders te vinden, hetgeen wel van haar verwacht mag worden. De vrouw heeft in dit kader ter zitting ook verklaard dat zij tot op heden slechts vier keer heeft gesolliciteerd. Noch de duur van het huwelijk, noch de door de vrouw genoemde omstandigheid dat het mede vanwege haar leeftijd zeer moeilijk is om werk te vinden, leidt tot een ander oordeel. Immers, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen dient een ieder in beginsel in de kosten van zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof is, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man op dit punt, van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet voldoende inkomsten heeft dan wel deze in redelijkheid niet kan verwerven, en derhalve niet heeft aangetoond dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.

5.8

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige stellingen (waaronder de stellingen ten aanzien van de draagkracht van de man) geen bespreking meer.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn zelfstandig verzoek en de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn zelfstandig verzoek tot limitering van de door hem aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 7 december 2016 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, M.P. den Hollander en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. R.J. Krist als griffier, en is op 2 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.