Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9552

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.209.030/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Verzoek om nihilstelling/limitering in hoger beroep alsnog afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2018/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.209.030/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/161253 / FA RK 15-3576)

beschikking van 31 oktober 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

voorheen advocaat: mr. E. Henkelman te Groningen,

thans zonder advocaat,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F. Gosselaar te Winschoten.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 november 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 februari 2017;

- een journaalbericht namens de man van 16 februari 2017 met productie(s);

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht namens de man van 21 juni 2017 waarbij mr. Henkelman zich als advocaat heeft onttrokken.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 31 juli 2017 plaatsgevonden. De vrouw is verschenen ter zitting bijgestaan door haar advocaat. De man is behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2005 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Bij beschikking van 16 augustus 2006 heeft het hof voor zover hier van belang de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage met ingang van 8 maart 2005 bepaald op € 798,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is met wijziging van de beschikking van het hof van 16 augustus 2006 vastgesteld dat de door de vrouw te betalen uitkering in de kosten van levensonderhoud van de man (hierna: de partneralimentatie) in onderling overleg is gewijzigd en met ingang van 1 juli 2007 € 709,16 bruto per maand bedraagt. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat dit bedrag aan de wettelijk vastgestelde indexering onderhevig is geweest. Verder is – wederom met wijziging van de beschikking van 16 augustus 2006 – de partneralimentatie met ingang 1 juli 2015 op € 699,- per maand bepaald. Ten slotte is de onderhoudsplicht van de vrouw jegens de man met ingang van 20 oktober 2015 beëindigd.

4.2

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van die beschikking. De man verzoekt het bestreden deel van die beschikking te vernietigen, alsmede de beschikking van het hof van 16 augustus 2006 te wijzigen voor zover het de partneralimentatie betreft en opnieuw rechtdoende te bepalen:

1. dat de vrouw met ingang van 19 oktober 2015 dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de man groot € 1.019,- bruto per maand;

2. althans deze op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum te bepalen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.

Uit grief I volgt voorts dat de man ook vernietiging wenst van de beslissing van de rechtbank om de partneralimentatie met ingang van 1 juli 2007 te wijzigen naar € 709,16 per maand.

4.3

De vrouw voert verweer en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, subsidiair – zo leest het hof – de man zijn verzoeken te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

Het hoger beroep richt zich niet tegen de vaststelling van de rechtbank dat het per 1 juli 2007 gewijzigde bedrag vanaf die datum aan de wettelijke vastgestelde indexering onderhevig is geweest.

5 De motivering van de beslissing

De gestelde wijziging per 1 juli 2007

5.1

Partijen verschillen van mening over de vraag of de partneralimentatie in onderling overleg is gewijzigd per 1 juli 2007. De vrouw heeft gesteld dat de man heeft ingestemd met verlaging van de partneralimentatie per medio 2007, hetgeen de man bestrijdt. Hij klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte de partneralimentatie met ingang van 1 juli 2007 heeft gewijzigd naar € 709,16 per maand.

5.2

Bij de vraag of een (mondelinge) overeenkomst is tot stand gekomen is de zogenoemde Haviltex-formule leidend en komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de door hen gebezigde bewoordingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vergelijk Hoge Raad 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6319).

5.3

Niet in geschil is dat de WAO-uitkering van de man per 1 juli 2007 is verhoogd van 70% naar 75%. Tussen partijen staat ook vast dat de uitkering die de man ontving uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [C] toen ongewijzigd is gebleven en dat aldus zijn totale inkomen per 1 juli 2007 was gestegen. De vrouw heeft, vervolgens, onbestreden, vanaf begin juli 2007 de onderhoudsbijdrage na herberekening bijgesteld en is een lagere partneralimentatie van € 709,16 per maand gaan overmaken naar de man. De vrouw heeft gesteld, en de man heeft erkend, dat de man enkele dagen na de overboeking in juli 2007 telefonisch contact met haar heeft gezocht en naar de reden van de wijziging van het bedrag heeft geïnformeerd. De vrouw heeft in dat telefonisch contact de man uitgelegd dat hij een hogere WAO-uitkering kreeg, hoeveel dat was en – zo heeft zij bij de mondelinge behandeling verklaard – aangegeven dat als ze er samen uit zouden komen zij dan niet naar de rechtbank zouden hoeven en de kosten daarvan konden vermijden. De man reageerde enkel met "oh" en heeft in genoemd telefoongesprek geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging, noch nadien, noch heeft hij vóór 2015 om bijbetaling verzocht, aldus de vrouw. De vrouw heeft tot in 2015 steeds genoemde bijdrage betaald.
Het hof is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat de vrouw de woorden en gedragingen van de man redelijkerwijs heeft mogen beschouwen - zoals zij heeft gedaan - als een aanvaarding van haar uitleg en van de verlaging van de partneralimentatie. Ook het feit dat hij nadien op geen enkele wijze heeft geprotesteerd tegen de verlaging mocht voor de vrouw een bevestiging zijn dat hij akkoord was met de lagere onderhoudsbijdrage.

5.4

Voor zover de man betoogt dat de afspraak niet op schrift is gesteld of schriftelijk is bevestigd, leidt dit niet tot een ander oordeel omdat ook een mondelinge afspraak rechtsgeldig is.

5.5

Dat betekent dat het hof de vaststelling van de rechtbank dat er sprake is geweest van een wijziging in de hoogte van de partneralimentatie, in die zin dat deze met ingang van 1 juli 2007 € 709,16 per maand bedroeg, en daarmee de wijziging van de beschikking van het hof van 16 augustus 2006 zal bekrachtigen. Het oordeel van de rechtbank over de daarop van toepassing zijnde wettelijke indexering blijft overigens ongewijzigd, nu daarover in hoger beroep niet is gegriefd.

De wijziging van omstandigheden per 1 juli 2015

5.6

Niet in geschil is dat de man op 29 juni 2015 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en dat zowel de man als de vrouw daardoor aanspraak hebben op het door de man opgebouwde pensioen. Dat is een wijziging van omstandigheden die relevant is voor de onderhoudsplicht van de vrouw jegens de man. Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre dat tot een wijziging van de te betalen bijdrage dient te leiden. Daarbij bestaat er geen discussie over de draagkracht van de man maar wel over de gewijzigde draagkracht van de vrouw.

5.7

Volgens de man heeft de rechtbank niet afdoende rekening gehouden met het feit dat de vrouw van zijn pensioen € 2.586,71 per jaar ontvangt. Ter zitting heeft de vrouw erkend dat haar draagkracht daardoor iets hoger berekend dient te worden. Het hof zal dat bedrag in de aangehechte en gewaarmerkte berekening meenemen, alsmede de andere posten uit de draagkrachtberekening van de rechtbank die niet tussen partijen in geschil zijn.

5.8

Uit de draagkrachtberekening van het hof volgt dat de vrouw in de periode vanaf 1 juli 2015 voldoende draagkracht heeft om de door de man (uiteindelijk) verzochte partneralimentatie van € 1.019,- bruto per maand te betalen.

5.9

Evenals de rechtbank en de man zal het hof een jusvergelijking maken waarbij het hof de gegevens van de man overneemt uit de (overigens) onbestreden draagkrachtberekening van de rechtbank. De door de man in zijn hoger beroepschrift genoemde productie 10 die (een) berekening(en) zou bevatten, is overigens niet door hem in het geding gebracht en is dus buiten beschouwing gebleven.

De jusvergelijking is aan deze beschikking gehecht en door de griffier gewaarmerkt. Vergelijking van ieders draagkracht brengt mee dat de man met een partneralimentatie van € 879,- bruto per maand niet meer vrij te besteden overhoudt dan de vrouw. Het hof zal daarom de bijdrage van de vrouw tot dit bedrag beperken. Dat betekent dat het hof de bestreden beschikking voor zover het de periode vanaf 1 juli 2015 betreft zal vernietigen en de partneralimentatie op dat bedrag zal bepalen.

De limitering

5.10

De rechtbank heeft de onderhoudsverplichting van de vrouw beëindigd per 20 oktober 2015.

5.11

Op grond van artikel 1:157, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is uitgangspunt dat de verplichting tot het betalen van partneralimentatie eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Niet in geschil is dat die termijn van twaalf jaren geëindigd is op 8 maart 2017.

5.12

Het derde lid van voornoemd artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten aan de alimentatieverplichting een termijn te verbinden.

Voor de beperking van de duur van de alimentatieverplichting tot 20 oktober 2015 bestaat naar het oordeel van het hof echter geen aanleiding.

Aan een verzoek tot limitering van de duur van de onderhoudsbijdrage als bedoeld in artikel 1:157 lid 3 BW worden hoge eisen gesteld, gelet op de verregaande gevolgen die limitering met zich brengt. Een beslissing tot limitering doet het recht op levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde na ommekomst van de vastgestelde termijn namelijk praktisch definitief eindigen. Feiten of omstandigheden die dit voor de man ingrijpende gevolg van de gevraagde limitering kunnen rechtvaardigen zijn niet, althans onvoldoende, gesteld. Het door de vrouw aangevoerde argument dat mogelijke toekomstige wetgeving de duur van de partneralimentatie beperkt is onvoldoende om de partneralimentatie in duur te beperken. Dat geldt ook voor de stelling van de vrouw dat de man na hun uiteengaan niet steeds arbeidsongeschikt is geweest en haar daaraan verbonden verwijt dat de man zich niet voldoende heeft ingespannen om inkomen uit arbeid te verwerven. Vast staat dat de man door de uitkeringsinstantie(s) volledig arbeidsongeschikt is verklaard en dat dit ongewijzigd is gebleven. Het hof ziet bij gebreke van (nadere) onderbouwing onvoldoende aanleiding om anders dan de uitkeringsinstantie(s) te oordelen dat de man wel (deels) in staat is geweest arbeid te verrichten en meer inkomen te gaan verwerven, ook niet als de man veel vrijwilligerswerk heeft verricht en op hoog niveau biljart heeft gespeeld.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt overigens noch uit de beschikking van 16 augustus 2006 noch anderszins dat eerder bij het hof de verwachting bestond dat de man door te gaan werken in zijn eigen levensonderhoud kan of zou kunnen voorzien.

5.13

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking voor zover het de limitering van de onderhoudsplicht betreft vernietigen en in zoverre het inleidend verzoek van de vrouw alsnog afwijzen.

5.14

De vrouw heeft in eerste aanleg in dit kader een meer subsidiair verzoek gedaan om de partneralimentatie op nihil te stellen. De rechtbank is aan dat verzoek niet toegekomen. Nu het hoger beroep van de man slaagt en het dictum van het hof anders zal luiden dan dat van de rechtbank moet het verzoek van de vrouw nog nader worden beoordeeld.

5.15

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man, gelet op de duur van de alimentatie zoals deze er is geweest en op zijn AOW en pensioen, in eigen onderhoud kan voorzien zodat hij geen bijdrage van de vrouw meer behoeft, faalt haar betoog. De behoefte van de man is immers in eerste aanleg onbestreden becijferd op € 2.191,- netto per maand. Gelet voorts op de financiële gegevens van de man (zoals opgenomen in de aangehechte draagkrachtberekening) en de omstandigheid dat het hof – zoals reeds is overwogen – geen aanleiding heeft om te oordelen dat de man wel in staat is geweest meer inkomen te gaan verwerven, heeft hij tot het einde van de twaalfjaarstermijn nog steeds behoefte gehad aan een onderhoudsbijdrage van de vrouw. De vrouw heeft dan ook onvoldoende gesteld om tot een nihilstelling te komen, dan wel tot een lagere partneralimentatie te komen dan hiervoor in overweging 5.9 is aangegeven.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het de partneralimentatie in de periode van 1 juli 2007 tot 1 juli 2015 en de daarop van toepassing zijnde wettelijke indexering bekrachtigen en zal het hof die beschikking voor zover het de periode vanaf 1 juli 2015 betreft vernietigen en de partneralimentatie op na te noemen bedrag bepalen. Voorts zal het hof de bestreden beschikking op het punt van de limitering vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken tot limitering en nihilstelling alsnog afwijzen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 november 2016, voor zover daarin de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 16 augustus 2006 is gewijzigd en is vastgesteld dat er sprake is geweest van een wijziging in de hoogte van de partneralimentatie, in die zin dat deze met ingang van 1 juli 2007 € 709,16 per maand bedroeg, alsmede voor zover de toepasselijkheid van de wettelijke indexering is vastgesteld;

vernietigt die beschikking voor zover het de periode vanaf 1 juli 2015 betreft én voor zover het de beëindiging van de onderhoudsplicht van de vrouw jegens de man met ingang van 20 oktober 2015 betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 16 augustus 2006 voor zover die de partneralimentatie met ingang van 1 juli 2015 betreft en bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 1 juli 2015 als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud € 879,- per maand zal betalen;

wijst alsnog af de verzoeken in eerste aanleg tot beëindiging dan wel nihilstelling van de onderhoudsplicht van de vrouw jegens de man met ingang van 20 oktober 2015;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, A.R. van der Winkel en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 31 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.