Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9550

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
21-000045-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:6899, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt verdachte vrij van poging tot doodslag en (poging) tot zware mishandeling. Het hof veroordeelt verdachte voor beschadiging en vernieling tot een taakstraf van 40 uur (met aftrek van voorarrest).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000045-17

Uitspraak d.d.: 31 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 22 december 2016 met parketnummer 16-659601-16 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer

16-157887-13, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1982] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. J.W.D. Roozemond, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair:
zij op of omstreeks 4 mei 2016 te Baarn, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet met een personenauto met hoge snelheid en/of met verhoogde snelheid, in elk geval accelererend, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] is ingereden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

1. subsidiair:
zij op of omstreeks 4 mei 2016 te Baarn, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken been), heeft toegebracht, door opzettelijk met de door haar, verdachte, bestuurde personenauto (Opel Zafira) met hoge snelheid en/of met verhoogde snelheid, in elk geval accelererend, die [slachtoffer 1] aan te rijden,

en/of

zij op of omstreeks 4 mei 2016 te Baarn, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een door haar, verdachte, bestuurde personenauto (Opel Zafira) is ingereden en/of is toegereden op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval (accelererend) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:
zij op of omstreeks 4 mei 2016 te Baarn, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Peugeot 106), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3:
zij op of omstreeks 4 mei 2016 te Baarn, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een woning gelegen aan [adres] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Voor een bewezenverklaring van feit 1 primair dient vast te staan dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Het hof is - met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman - van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte dit opzet had dan wel dat zij welbewust de aanmerkelijke kans op het overlijden van deze personen heeft aanvaard. Het hof spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Vrijspraak ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, in die zin dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 1] en aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] .

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe - kort gezegd - het volgende betoogd.

In de eerste plaats heeft de raadsman aangevoerd dat [slachtoffer 1] geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Een gebroken enkel kan niet als dergelijk letsel worden gekwalificeerd, aldus de raadsman. Daarom dient verdachte vrijgesproken te worden van de tenlastegelegde zware mishandeling van [slachtoffer 1] , het eerste onderdeel van de tenlastelegging.

In de tweede plaats heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet kan worden bewezen dat sprake is van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen door het handelen van verdachte. In dit verband heeft hij gewezen op de storing in het ABS van de auto waarin verdachte reed. Verder heeft hij aangevoerd dat verdachte in elk geval acht meter voor de eindpositie van de auto heeft geremd en dat zij, met een goed functionerend ABS, tijdig tot stilstand had kunnen komen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman gewezen op de e-mail van ANWB-Expert [naam ANWB-expert] van 4 januari 2017.

In de derde plaats heeft de raadsman betoogd dat in elk geval niet bewezen kan worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de hiervoor genoemde personen zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen door haar handelen. In dit verband heeft de raadsman - onder meer - opgemerkt dat verdachte acht meter voor de eindpositie van de auto hard heeft geremd en dat het stuurwiel van haar auto naar links stond, waaruit afgeleid kan worden dat zij de scooter waar zij tegenaan is gebotst, heeft willen ontwijken. Gelet op het voorgaande dient verdachte ook van het tweede onderdeel van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daartoe overweegt het hof als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het eerste onderdeel van feit 1 subsidiair dient vast te staan dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Voor een bewezenverklaring van het tweede onderdeel van dit feit dient vast te staan dat zij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

In de door [deskundige 1] en [deskundige 2] opgemaakte verkeersongeval-analyse van 7 juni 2016 wordt onder meer het volgende opgemerkt:

‘Op ongeveer 8 meter voor de eindpositie van de Opel heeft de bestuurder geremd met blokkerende wielen. (…) Het blokkeerspoor was hoogst waarschijnlijk veroorzaakt door een tijdelijke storing in het antiblokkeersysteem (ABS). Hierdoor blokkeerden de wielen aan de voorzijde van de Opel en werd deze onbestuurbaar. Ten tijde van ons onderzoek zagen wij dat de wielen van de Opel naar links waren ingestuurd. (…) Ten tijde van het blokkeren zou het draaien van het stuurwiel geen effect meer hebben op de rijrichting van de Opel.’

Uit het bovenstaande blijkt dat verdachte in elk geval acht meter voor de eindpositie heeft geremd. Voorts blijkt uit verkeersongeval-analyse dat het stuurwiel van de auto waarin verdachte reed naar links stond, terwijl uit andere stukken blijkt dat de hiervoor genoemde personen zich aan de rechterkant van verdachte bevonden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van deze objectieve omstandigheden acht het hof niet bewezen dat verdachte voornoemde aanwezigen zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen. Zij heeft immers geremd en naar links gestuurd. Deze omstandigheden duiden er juist op dat zij een ongeluk wilde voorkomen. Dat dat niet is gelukt, is mogelijk veroorzaakt door de storing van het ABS, waardoor de auto onbestuurbaar werd. Het hof acht niet bewezen dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de in de tenlastelegging genoemde personen door haar handelen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

Het hof komt derhalve tot een algehele vrijspraak van hetgeen verdachte onder 1 is tenlastegelegd. Aan de vraag of verdachte één of meer Wegenverkeersdelicten heeft begaan (waarvoor geen opzet is vereist), komt het hof niet toe aangezien deze delicten haar niet ten laste zijn gelegd.

Bewijsoverwegingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat de schade aan de auto is ontstaan doordat [slachtoffer 6] op verdachte is ingereden en zij zich tegen de auto heeft moeten afzetten om te voorkomen dat zij geraakt zou worden. Gelet daarop kan niet worden bewezen dat verdachte de auto van [slachtoffer 3] opzettelijk heeft beschadigd, zodat zij vrijgesproken moet worden van het onder 2 tenlastegelegde.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij op 4 mei 2016 door de [adres] reed in zijn Peugeot 106 met kenteken [kenteken] . In de verte zag hij verdachte en haar partner uit de auto stappen. Toen hij verdachte passeerde, trapte zij vanuit het niets tegen zijn auto. [slachtoffer 6] zag dat er een deuk zat aan de bestuurderszijde van zijn auto, net achter het bestuurdersportier.

Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat hij op 4 mei 2016 ter plaatse op de [adres] was. Daar hoorde hij van [slachtoffer 6] dat diens personenauto was vernield. De verbalisant zag dat er een deuk in het plaatwerk van de auto zat aan de linkerzijde van het voertuig.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat [slachtoffer 6] met hoge snelheid op haar kwam ingereden. Omdat zij op dat moment tegen haar eigen auto aanstond, kon zij niet opzijstappen om de auto van [slachtoffer 6] te ontwijken. Het enige wat zij kon doen, was omhoog springen en zich daarbij tegen [slachtoffer 3] auto af te zetten. Daardoor is de schade aan zijn auto ontstaan, aldus verdachte.

Het hof leidt uit de door verdachte afgelegde verklaring af dat zij toegeeft de schade te hebben veroorzaakt. Voor het overige acht het hof de verklaring echter niet aannemelijk, in de eerste plaats omdat deze onvoldoende wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen. Daarbij komt dat de schade aan de zijkant van [slachtoffer 3] auto zat, niet aan de voorkant. Niet duidelijk is geworden hoe verdachte uit een afweer- of schrikreactie gehandeld zou kunnen hebben. Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte de auto van [slachtoffer 3] opzettelijk heeft beschadigd.

Het hof verklaart bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2:
zij op of omstreeks 4 mei 2016 te Baarn, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Peugeot 106), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3:
zij op of omstreeks 4 mei 2016 te Baarn, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een woning gelegen aan [adres] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 166 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 200 uur subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast dient ten aanzien van feit 1 subsidiair een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar te worden opgelegd, aldus de advocaat-generaal.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Omdat het hof de zware mishandeling en de poging daartoe niet bewezen acht, komt zij tot een aanmerkelijk lagere straf dan geëist. In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van de hierna aan te geven duur, passend is.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een personenauto en vernieling van een ruit. Met dit handelen heeft zij een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de benadeelden.

Het hof heeft ten voordele van verdachte in de strafoplegging meegewogen dat zij blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 19 september 2017 niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

In voornoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf van 40 uur subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis (met aftrek van voorarrest) passend is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.658,24. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.908,24. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering tenuitvoerlegging

In hoger beroep is opnieuw aan de orde de vordering van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Midden-Nederland van 11 april 2016 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 40 uur (parketnummer 16-157887-13).

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de proeftijd met één jaar moet worden verlengd.

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de proeftijd met één jaar moet worden verlengd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Het hof zal daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uur gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 22c, 22d, 57, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2016 (parketnummer

16-157887-13), te weten:

een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. J.D. den Hartog, voorzitter,

mr. M.E. van Wees en mr. J.S. van Duurling, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Jansen, griffier,

en op 31 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.S. van Duurling is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 31 oktober 2017.

Tegenwoordig:

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J.J.T.M. Pieters, advocaat-generaal,

mr. I.I.D. Leene, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.