Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9474

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
200.185.203/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inbouw LPG-installatie. Geen tekortkoming in de nakoming. Beroep op buitengerechtelijke ontbinding faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5839
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.185.203/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3652364 CV EXPL 14-14085)

arrest van 31 oktober 2017

in de zaak van

Agin B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Agin,

advocaat: mr. Th.C. Visser, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] h.o.d.n. Yara Klussenbedrijf,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.A. van Beilen, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van het geding.

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 maart 2017 hier over.

1.2.

De in het tussenarrest bepaalde comparitie heeft plaatsgehad op 6 juni 2017. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. De door Agin overgelegde pleitaantekeningen zijn bij de stukken gevoegd. Een schikking is niet bereikt.

1.3.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier.

1.4.

Agin vordert in hoger beroep dat:

"1. Het Gerechtshof zal vernietigen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, sector Kanton, Locatie Leeuwarden, gewezen tussen appellante en geïntimeerde op 28 oktober 2015 onder zaaknummer:3652364 CV EXPL 14-14085 en opnieuw rechtdoende al dan niet onder aanvulling c.q. verbetering van de gronden, de vorderingen van appellante alsnog zal toewijzen.

2. Het Gerechtshof geïntimeerde zal veroordelen in de kosten van beide instanties, alsmede in de na het arrest nog vallende kosten."

2. De vaststaande feiten.

2.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken tussen partijen vaststaan.

2.2.

[geïntimeerde] is eigenaar van een Chevrolet Avalanche 5.3L V8 (hierna: de auto).

2.3.

Agin drijft een onderneming die is gespecialiseerd in de inbouw van lpg-installaties. Zij heeft op 29 augustus 2014 een lpg-installatie in de auto ingebouwd. Zij heeft [geïntimeerde] hiervoor op diezelfde dag een nota gezonden ten bedrage van € 2.650,-. Tussen partijen is overeengekomen dat [geïntimeerde] de factuur in twee of drie termijnen mocht betalen, omdat hij het volledige bedrag niet in één keer kon voldoen. [geïntimeerde] heeft € 500,- voldaan en de nota voor het overige onbetaald gelaten.

2.4.

Op 6 oktober 2014 is [geïntimeerde] met de auto gestrand en is de auto naar een garage elders gebracht. De desbetreffende garage was van mening dat er drie benzine-injectoren stuk waren en dat deze kortsluiting hebben gemaakt met de benzinepomp. In overleg tussen [geïntimeerde] en Agin is de auto vervolgens naar Agin getransporteerd.

2.5.

Na aankomst van de auto bij Agin heeft een schade-expert van Aegon in opdracht van Agin op 13 oktober 2014 de auto bekeken en een rapport opgemaakt van de staat van de motor. In het rapport staart onder meer het volgende vermeld:

"Toedracht

(…)

Verzekerde [hof: Agin] ontvangt de wagen per transport. Direct na het openen van de motorkap blijkt het overgrote deel van de LPG-installatie te zijn losgehaald en zijn bedradingen doorgeknipt, aan elkaar verbonden/gedraaid en vernield. De stekker van de elektronische aansturing van de LPG installatie is los. In de stekkeraansluiting staat water.

Administratief onderzoek

(…) De wagen waar de LPG-installatie is ingebouwd betreft een gebruikte wagen uit 2007 met een km.stand van 76902 km.

Technisch onderzoek

Aldus verzekerde heeft de klant [hof: [geïntimeerde] ] verklaard, dat een derde geprobeerd heeft de storing van het niet willen starten van de motor op te lossen. Hoe deze derde exact te werk is gegaan om diagnose te stellen is niet bekend. Waarschijnlijk is gezocht in een storing van de LPG-installatie. Daarbij is de nieuwe bedrading, zijn stekkerverbindingen en componenten van de LPG-installatie vernield. Omdat men er niet uitkwam, is verzekerde geïnformeerd. Daarop heeft verzekerde opdracht gegeven om de wagen per transport naar Rotterdam te laten brengen. Aangekomen in Rotterdam opent verzekerde de motorkap van de wagen en treft een ravage aan.

Er is onderzoek gedaan naar de oorzaak van het niet willen starten van de wagen. Gebleken is dat de

benzinepomp niet draait. Na demontage van de benzinetank is de benzinepomp losgehaald en deze lijkt sluiting te hebben gemaakt. Wat de oorzaak is van het falen van de pomp is vooralsnog niet duidelijk geworden. Wel is het zo dat de benzinepomp zijn smering haalt uit de benzine.

Bij het inbouwen van de LPG-installatie wordt niet aan de benzinetank of benzinepomp gewerkt. Na inbouw kan de wagen nooit op LPG starten. De LPG-installatie gaat in werking bij een motortemperatuur van 30 C.

Op dat moment wordt de plus van de benzine-injector onderbroken en gaat de benzine via de bestaande retourleiding terug. De benzinepomp blijft ten alle tijden draaien. Is er een hapering in de LPG toevoer (bijvoorbeeld lege tank), zal direct de spanning op de injector worden hersteld en zal de wagen verder rijden op benzine.

Na vervanging van de benzinepomp door verzekerde, is de motor gestart en sloeg deze aan. Vervolgens is de LPG-installatie gerepareerd en zijn delen vervangen. Na testen is de wagen gereed."

2.6.

De hiervoor omschreven demontage van de benzinetank en het onderzoek heeft plaatsgehad op 16 oktober 2014. In overleg met [geïntimeerde] heeft Agin een nieuwe brandstofpomp in de auto ingebouwd. Agin heeft een factuur gedateerd 1 november 2014 van € 1.500,40 aan [geïntimeerde] overgelegd . De factuur ziet op de vervanging van de brandstofpomp en de transportkosten van de auto naar Agin. [geïntimeerde] heeft deze factuur onbetaald gelaten.

2.7.

Op 24 oktober 2014 heeft Agin aan [geïntimeerde] een mail gezonden met onder meer de volgende inhoud:

"naar veel wikken en wegen gaf mij boekhouder toch dringend het advies de auto niet mee te geven.

Aangezien de betaling afspraken ook niet zijn na gekomen, heb ik ook niet veel vertrouwen dat de volgende afspraak wel na gekomen gaat worden.

In elk geval kan de auto pas weg als het gehele bedrag bij ons binnen is totaal 3612,60 incl btw bedrag is als volgt onderbouwt

Transport kosten 484 incl btw

benzinepomp 798 incl btw

Werkplaats tarief 217,80 incl btw

Rest betaling lpg installatie 2150,- incl btw

Totaal = 3612,60,-"

2.8.

Agin en [geïntimeerde] hebben op 1 november 2014 een betalingsregeling getroffen met, onder meer, de volgende inhoud:

"Zoals gisteren besproken ben jij (en jouw onderneming) aan B.V. Agin bedrag verschuldigd uit hoofde van door cliënte uitgevoerde werkzaamheden.

In hoofdsom is een bedrag ad EUR 3.612,60 verschuldigd (zie onderstaande e-mails).

Je hebt aangegeven dat je niet tot betaling van de factuur kunt overgaan (en dit bleek ook inmiddels) en daarom heb je een betalingsregeling aan cliënte voorgesteld.

De betalingsregeling luidt als volgt:

- Uiterlijk volgende week vrijdag 7 november a.s., ontvangt cliënte op zijn rekening een bedrag ad EUR 1.250;

- Uiterlijk vrijdag 14 november a.s. en 21 november een bedrag ad EUR 250,-.

- Uiterlijk 28 november zal het restant ad EUR 1.862,60 door cliënte zijn ontvangen.

- Omdat cliënte deze regeling moet treffen en de nodige kosten vanwege mijn bijstand heeft gehad heeft cliënte als voorwaarde gesteld dat een bedrag ad € 750,- extra aan kosten (tot op heden) dient te worden voldaan. Dit bedrag zal in 3 termijnen worden voldaan, deze termijnen zullen op de volgende data door cliënte zijn ontvangen: 5 december a.s., 12 december a.s. en 19 december a.s. (…)."

[geïntimeerde] heeft de e-mail voor akkoord getekend.

2.9.

[geïntimeerde] heeft niet aan voornoemde regeling voldaan.

2.10.

Agin heeft ter verzekering van het verhaal van haar vorderingen ten laste van [geïntimeerde] een aantal derdenbeslagen gelegd.

3 Het geding en de beslissing in eerste aanleg.

3.1.

Agin heeft in eerste aanleg veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot betaling aan haar van een bedrag van € 4.112,60 vermeerderd met rente en kosten. Agin heeft aan hoor vordering ten grondslag gelegd dat zij in opdracht van [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht, die door [geïntimeerde] onbetaald zijn gelaten.

3.2.

[geïntimeerde] heeft zich verweerd door te stellen dat Agin toerekenbaar is tekortgeschoten in de overeenkomst tot het plaatsen van de LPG-installatie en dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden.

3.3.

De kantonrechter heeft de vordering van Agin als onvoldoende onderbouwd afgewezen en Agin in de proceskosten veroordeeld.

4 Het beoordeling van de grieven en de vordering

4.1.

Agin heeft één grief naar voren gebracht, die zich richt tegen rov. 4.2. en 4.3. van het bestreden vonnis, waarin kort gezegd is overwogen dat de stellingen van Agin niet consistent zijn. Agin heeft in de toelichting op de grief het volgende gesteld. Zij heeft een LPG-installatie ingebouwd, die op een enkele storing na, die direct is verholpen, deugdelijk was. Op 6 oktober 2014 is [geïntimeerde] gestrand met de auto De garage waar de auto zich daarna bevond, heeft aangegeven dat er drie benzine-injectoren kapot zouden zijn, die kortsluiting zouden hebben gemaakt met de brandstofpomp. In overleg met en in opdracht van [geïntimeerde] is de auto naar Agin gebracht en daar beoordeeld. Er bleek een ravage aan de motor te zijn aangericht (diverse onderdelen van de gasinstallatie waren losgemaakt, bedrading was doorgeknipt), wat voor Agin aanleiding vormde een rapport door haar verzekeringsexpert te laten opmaken. Uit het onderzoek door Agin bleek dat de brandstofpomp stuk was. De brandstofpomp is in opdracht van [geïntimeerde] door Agin vervangen. De kosten van het overbrengen van de auto, het aanvullende onderzoek en de vervanging van de brandstofpomp zijn in opdracht van [geïntimeerde] gemaakt en deze zijn aan hem in rekening gebracht. Een defect in de LPG-installatie kan geen verbrande brandstofpomp veroorzaken. Het falen van de brandstofpomp staat dan ook los van de LPG-installatie en is waarschijnlijke veroorzaakt doordat [geïntimeerde] , zoals hijzelf heeft verklaard, met een lege benzinetank is gaan rijden. [geïntimeerde] is dan ook gehouden de facturen te betalen.

4.2.

[geïntimeerde] heeft betoogd dat Agin toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichting een deugdelijke LPG-installatie te leveren en te installeren, van welke installatie de LPG-computer onderdeel uitmaakt. Volgens [geïntimeerde] was de computer van de LPG-installatie afgesteld op een motor met 6 cilinders en 3.0. liter volume, terwijl de motor in de auto van [geïntimeerde] 8 cilinders heeft en 5.3. liter volume. Als gevolg van deze verkeerde afstelling is de brandstofpomp extreem heet geworden en is deze gesmolten. Dit brengt mee dat Agin is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Om die reden heeft [geïntimeerde] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

4.3.

Het hof overweegt het volgende. [geïntimeerde] heeft de buitengerechtelijke ontbinding ingeroepen van de overeenkomst tot het plaatsen van de LPG-installatie om zo van zijn betalingsverplichting te zijn bevrijd. Voor een succesvol beroep op ontbinding van deze overeenkomst op grond van artikel 6:265 BW dient sprake te zijn van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst (lid 1). [geïntimeerde] , die zich op de ontbinding beroept, dient het bestaan van de tekortkoming te stellen en zo nodig te bewijzen. Op hem rust derhalve de verplichting de stelling dat Agin de LPG-installatie onjuist heeft geïnstalleerd/afgesteld deugdelijk te onderbouwen. Tot zijn stelplicht behoort ook een nadere onderbouwing, voor zover die in het licht van het gevoerde verweer van hem kan worden verlangd.

4.4.

[geïntimeerde] heeft zich ter onderbouwing van zijn stelling dat van een dergelijke onjuiste installatie/afstelling sprake was beroepen op een print/computeruitdraai (productie 1 bij conclusie van antwoord), waaruit zou moeten volgen dat de lpg-installatie verkeerd was afgesteld en, zo begrijpt het hof, dat als gevolg daarvan de brandstofpomp is gesmolten.

4.5.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Voornoemde print, waarvan onduidelijk is wie die heeft gemaakt, en waaruit niet blijkt of - en zo ja: wanneer - de auto is onderzocht, door wie en waarom - en die blijkbaar is voorzien van eigen commentaar van [geïntimeerde] - is onvoldoende is om de gestelde tekortkoming te onderbouwen. Dat geldt te meer nu vaststaat dat [geïntimeerde] na inbouw van de LPG-installatie gedurende een maand vrijwel probleemloos heeft kunnen rijden en niet is niet weersproken dat kleine problemen nadien door Agin zijn opgelost. Vervolgens is aan de auto gewerkt door een derde die niet in staat was het (start)probleem op te lossen. Op dat moment is van de toestand van de auto door de verzekeraar van Agin een expertiserapport opgemaakt (prod. 6 overgelegd ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg). In dit rapport staat onder meer vermeld: "Bij het inbouwen van de LPG-installatie wordt niet aan de benzinetank of benzinepomp wordt gewerkt" en voorts "Na inbouw kan de wagen nooit op LPG starten" en "Het falen van de brandstofpomp ligt buiten de invloedsfeer van de LPG-installatie.(…)." Aldus heeft Agin gemotiveerd betwist dat de oorzaak van de schade aan de brandstofpomp het gevolg is van een defecte of verkeerd afgestelde LPG-installatie. Daarbij dient te worden opgemerkt dat [geïntimeerde] volgens zijn eigen commentaar op voornoemde print met een lege benzinetank is gaan rijden.

In het licht van het verweer van Agin lag het op de weg van [geïntimeerde] zijn stellingen aan te vullen, hetgeen hij heeft nagelaten. Nu [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, komt het hof aan het geven van een bewijsopdracht niet toe. Het hof voegt hieraan toe dat [geïntimeerde] in hoger beroep geen voldoende concreet en gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat Agin is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen, zodat het beroep van [geïntimeerde] op de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst faalt. Dat geldt om dezelfde reden en bij gebrek aan verdere onderbouwing ook voor het beroep van [geïntimeerde] op opschorting van zijn betalingsverplichtingen jegens Agin (mva nr, 12).

4.7.

De slotsom is dat de vordering van Agin tot betaling van het nog openstaande bedrag toewijsbaar is, met dien verstande dat de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) in plaats van de gevorderde wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) wordt toegewezen, omdat niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van laatstgenoemd artikel. Bij gebreke van duidelijke aanwijzingen omtrent eerder verzuim, zal hof die verplichting tot betaling van rente laten ingaan als in het dictum vermeld. Agin heeft daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 486,- gevorderd. [geïntimeerde] heeft de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten niet betwist, zodat ook dit bedrag zal worden toegewezen.

4.8.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties worden veroordeeld, alsmede in de proceskosten, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Agin wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 558,57 voor verschotten en op € 768,-

(2 punten, tarief 1: € 384,-) voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 718,- voor verschotten en op

€ 1.264,- (2 punten, tarief 1: € 632,-) voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te vermeerderen met de beslagkosten, de wettelijke rente en de nakosten als in het dictum vermeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

28 oktober 2015 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan Agin te betalen een bedrag van € 3.612,60, te vermeerderen met de wettelijke rente (6:119 BW) over dit bedrag vanaf twee weken na betekening van dit arrest tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan Agin te voldoen een bedrag van € 486,- ter zake buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, alsmede de beslagkosten, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Agin in de eerste aanleg vastgesteld op € 768,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 558,57 voor verschotten, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.264,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 797,35 voor verschotten, en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, te vermeerderen met € 68,- aan nasalaris voor de advocaat indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan en betekening heeft plaatsgevonden;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. M.W. Zandbergen, en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

31 oktober 2017.