Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9445

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
WAHV 200.183.742
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweer met betrekking tot niet staandehouding. Het moet ervoor worden gehouden dat de verbalisant de sanctie reeds had opgelegd voordat de betrokkene de verbalisant gewaar werd, zodat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.183.742

1 november 2017

CJIB 185475593

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 17 december 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen wegens schending van de hoorplicht. Dat de gelegenheid is geboden ter zitting te worden gehoord, doet daaraan niet af en is geenszins een alternatief voor het horen in de fase van administratief beroep.

2. De kantonrechter heeft in dit verband, zakelijk weergegeven, overwogen dat het beroep van gemachtigde op de schending van de hoorplicht niet kan slagen nu gemachtigde en de betrokkene geen gebruik hebben gemaakt van de geboden mogelijkheid om ter zitting door de kantonrechter te worden gehoord, waardoor het verzuim zou kunnen worden hersteld.

3. Het hof stelt vast dat in de fase van het administratief beroep niet is verzocht om te worden gehoord. De enkele mededeling in het administratief beroepschrift d.d. 9 december 2014 dat de betrokkene gebruik wil maken van de mogelijkheid van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 7 van de WAHV kan naar het oordeel van het hof niet als een verzoek tot horen worden beschouwd (vgl. het arrest van het hof van
1 juni 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:4610). Gelet hierop mocht de officier van justitie op grond van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb van het horen afzien. De klacht van de gemachtigde dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen wegens schending van de hoorplicht treft dan ook geen doel.

4. Gelet op het bovenstaande heeft de kantonrechter weliswaar terecht, maar op verkeerde gronden, geoordeeld dat het beroep op de schending van de hoorplicht niet kan slagen. Het hof zal in zoverre dan ook de gronden van de beslissing van de kantonrechter verbeteren.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 370,- opgelegd ter zake van “Parkeren op invalidenparkeerplaats anders dan met motorvoertuig op meer dan twee wielen met geldige invalidenparkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 8 oktober 2014 om 16:13 uur op het Sint Jansplein te Waalwijk met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

6. De gemachtigde voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd. Toen de betrokkene bij haar auto terugkwam stond de parkeerwachter een foto van haar auto te nemen. Aldus was er volgens de gemachtigde een reële mogelijkheid tot staande houding.

7. Artikel 5 van de WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staande houding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.

8. Uit de verklaring van de verbalisant volgt dat het voertuig stond geparkeerd. Uit die verklaring volgt niet dat er iemand bij het voertuig aanwezig was. De betrokkene stelt dat de verbalisant nog bij haar auto stond toen zij bij haar auto terugkwam. Zij stelt echter niet dat de verbalisant haar ook heeft gezien of dat zij met hem heeft gesproken. Ook uit de verklaring van de verbalisant blijkt dit niet. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat de verbalisant de sanctie reeds had opgelegd voordat de betrokkene hem gewaar werd en dat zich in de onderhavige zaak geen reële mogelijkheid tot staande houding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan. Aldus mocht worden volstaan met het opleggen van een sanctie aan de kentekenhouder.

9. Gelet op het bovenstaande is de sanctie terecht aan de betrokkene opgelegd. De kantonrechter heeft het beroep dan ook terecht ongegrond verklaard.

10. Gegeven deze beslissing zal het hof het verzoek om toekenning van proceskostenvergoeding afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;

wijst het verzoek tot toekenning van proceskostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.