Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9414

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
200.167.030
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling. Co-ouderschapsregeling. .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.167.030

(zaaknummers rechtbank Gelderland, 259799 en 264498)

beschikking van de familiekamer van 31 oktober 2017

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.G.W. van Wees te Arnhem,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. W.G. Kuster-van de Ven te Arnhem.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 1 september 2016 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    een deskundigenbericht van 6 maart 2017 (verder: het deskundigenbericht) met bijlagen 1-6;

  • -

    een journaalbericht van mr. Kuster-Van de Ven van 14 september 2017 met producties 17-19.

1.3

Op 26 september 2017 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [X] verschenen.

2 De verdere motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van

1 september 2016, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof, voor zover thans van belang, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, bepaald dat een ouderschapsonderzoek zal worden verricht naar de in rechtsoverweging 2.10 van de tussenbeschikking van 7 juli 2016 geformuleerde vragen en hieraan nog een vraag toegevoegd, en dr. C.A.E.M. Goossen en mr. J.W. Boeijnk als deskundigen benoemd.

2.3

Uit het deskundigenbericht blijkt onder meer het volgende. Op dit moment geldt een co-ouderschapsregeling tussen partijen, waarbij de kinderen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijven. De deskundigen achten het in het belang van de kinderen dat deze regeling in stand blijft. Uit het bezoek aan de scholen van de kinderen bleek dat de scholen geen verschil merkten tussen de weken waarin de kinderen bij de man verblijven en de weken waarin zij bij de vrouw verblijven. Beide ouders zijn begaan met de kinderen en zorgen goed voor ze. De deskundigen achten het wenselijk dat [kind 1] bij de vrouw wordt ingeschreven en [kind 2] bij de man. In dat kader verdient het aanbeveling dat de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vrouw is en die van [kind 2] bij de man.

De deskundigen concluderen dat de ouders zich hebben ingespannen om te komen tot constructieve communicatie en een oplossing voor de gerezen problemen. Dat is helaas om hen moverende redenen en vanuit hun verschillende achtergronden te begrijpen redenen, slechts ten dele gelukt. De deskundigen adviseren het hof om het huidige co-ouderschap vast te leggen. Tevens wordt het hof geadviseerd te bepalen dat de ouders zich laten begeleiden door Krekel autisme-coaching, of een soortgelijke instantie ten behoeve van oudercoaching, met daarnaast training voor [kind 1] . De deskundigen zijn van mening dat de huidige co-ouderschapsregeling, gezien alle afwegingen, in het belang van de kinderen is.

2.4

Thans liggen ter beslissing voor de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen betreffende de kinderen, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (verder ook: de kinderalimentatie) en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud (verder ook: de partneralimentatie).

Hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

2.5

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

  1. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

  2. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

  3. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

  4. e wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.

2.6

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

2.7

De man stelt dat het hoofdverblijf van de kinderen bij hem dient te worden bepaald en dat ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een weekendregeling dient te worden vastgesteld. De man heeft weinig vertrouwen in de toekomst en vreest dat de vrouw zich opnieuw diskwalificerend over hem zal uitlaten zodra deze procedure is afgerond.

De vrouw betwist dat. Zij voert aan dat de man nagenoeg niet met haar communiceert. De vrouw probeert al lange tijd zo goed als mogelijk te communiceren met de man. De vrouw vreest dat de man essentiële informatie niet aan haar doorgeeft als het hoofdverblijf van (één van) de kinderen bij hem wordt bepaald. De vrouw stelt dat de co-ouderschapsregeling zoals deze nu geldt, dient te worden voortgezet.

Het hof begrijpt het verzoek van de vrouw aldus dat zij haar verzoek in hoger beroep voor zover het betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft gewijzigd in die zin dat zij thans verzoekt de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen.

2.8

De raad adviseert in zijn rapport van 29 februari 2016 een co-ouderschapsregeling vast te leggen. Ter zitting heeft de raad laten weten zich te kunnen vinden in het advies in het deskundigenbericht om de hoofdverblijfplaats van één van de kinderen bij de man te bepalen.

2.9

Het hof overweegt als volgt. Gelet op het deskundigenbericht en het advies van de raad is het hof van oordeel dat de huidige co-ouderschapsregeling dient te worden voortgezet. Gebleken is dat de huidige co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen de ene week bij de ene ouder verblijven en de andere week bij de andere ouder, al geruime tijd goed verloopt. Bij de kinderen wordt door de scholen geen verschil gemerkt tussen de weken waarin zij bij de man en de weken waarin zijn bij de vrouw verblijven. Weliswaar is de communicatie tussen partijen verre van optimaal, maar op praktisch niveau lijken de ouders goede afspraken met elkaar te kunnen maken. Dat de man weinig vertrouwen heeft in de vrouw en dat daarom de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem dient te worden vastgesteld in combinatie met een (veel minder ruime) zorgregeling met de vrouw, is naar het oordeel van het hof niet in het belang van de kinderen. Met de deskundigen acht het hof het wel verstandig dat de man hulp zoekt voor de verwerking van het als gevolg van de scheiding opgeroepen verdriet en boosheid ten aanzien van de vrouw. Met het voorgaande zijn de grieven van partijen ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voldoende besproken.

2.10

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is het hof, anders dan het advies in het deskundigenbericht en anders dan de raad, van oordeel dat hierin geen wijziging dient plaats te vinden. Zowel tijdens de verschillende mondelinge behandelingen als tijdens de gesprekken met de deskundigen is gebleken dat de man een groot en fundamenteel probleem heeft met de vrouw, ingegeven door het feit dat hij gedurende langere tijd door de vrouw is weggehouden bij de kinderen. Het lukt de man niet op een respectvolle wijze met de vrouw te communiceren. Daarnaast is tijdens de procedure gebleken dat de man de vrouw niet altijd adequaat informeert, daar waar het gaat om belangrijke informatie ten aanzien van de kinderen. Zo is in de procedure gebleken dat informatie van de schoolarts pas bij het indienen van producties door de man bij de vrouw bekend is geworden. Door de houding van de man heeft het hof onvoldoende vertrouwen dat de man de vrouw op een juiste en adequate wijze zal informeren over [kind 2] of [kind 1] , mocht de hoofdverblijfplaats van [kind 2] of [kind 1] bij hem worden bepaald. Deze opstelling van de man acht het hof niet in het belang van de kinderen en maakt dat het hof de hoofdverblijfplaats van een van de kinderen niet bij de man zal bepalen. Andersom heeft het hof geen aanleiding om aan te nemen dat de vrouw de man in de toekomst niet adequaat zal informeren over de kinderen, nu zij de vader ook thans adequaat informeert over de kinderen.

Met het voorgaande faalt de eerste grief in het incidenteel hoger beroep.

Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

2.11

De vrouw verzoekt, indien de door de rechtbank co-ouderschapsregeling wordt gewijzigd, een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding vast te stellen.

De man verzoekt op zijn beurt te bepalen dat de vrouw hem een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 13,- per maand dient te betalen. Hij voert in zijn tweede en derde grief aan dat, ondanks een co-ouderschap, de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan hem dient te voldoen, gelet op het verschil in draagkracht tussen partijen. In zijn vierde grief voert de man aan dat, indien de hoofdverblijfplaats van (een van) de kinderen bij hem wordt bepaald en er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld, een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te worden vastgesteld.

2.12

Het hof overweegt als volgt. Nu de door de rechtbank vastgestelde

co-ouderschapsregeling zal worden bekrachtigd en de hoofdverblijfplaats van de kinderen niet zal worden gewijzigd, komt het hof aan een inhoudelijke bespreking van het verzoek van de vrouw, alsmede aan een bespreking van de vierde grief van de man, niet toe.

Ten aanzien van de tweede en derde grief van de man overweegt het hof als volgt. Gebleken is dat de vrouw, naast de verblijfskosten voor de dagen dat de kinderen bij haar zijn, ook alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen op zich neemt. De man voldoet slechts de verblijfskosten van de kinderen voor de dagen dat zij bij hem verblijven. Vaststaat dat de man reeds de helft van de kinderbijslag ontvangt. Daarnaast kan de man, nu de kinderen de helft van de tijd bij hem verblijven, aanspraak maken op de helft van het te ontvangen kindgebonden budget, zo is het hof uit algemeen kenbare informatie op de website van de belastingdienst gebleken. Gelet op deze inkomsten heeft de man, naar het oordeel van het hof, onvoldoende onderbouwd dat hij daarnaast nog behoefte heeft aan een bijdrage van de vrouw in de verblijfskosten van de kinderen. Het hof zal het verzoek van de man om een bijdrage van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen daarom afwijzen.

Met het voorgaande falen de grieven twee tot en met vier in het incidenteel hoger beroep.

Bijdrage in de kosten van levensonderhoud

2.13

De man stelt in zijn vijfde grief in het incidenteel hoger beroep dat de vrouw

€ 628,- per maand dient bij te dragen in de kosten van zijn levensonderhoud in plaats van het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 210,- per maand. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte rekening gehouden met het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 156,- per kind per maand als zijnde de helft van de kosten van de kinderen, aldus de man in zijn zesde grief. De vrouw betwist dat.

2.14

Naar het oordeel van het hof dient het verzoek van de man te worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt. De door de man opgeworpen grieven ten aanzien van de partneralimentatie zijn verbonden aan de stellingen die hij heeft ingenomen in zijn grieven met betrekking tot de kinderalimentatie. Die stellingen zijn bovendien gebaseerd op een berekening waarbij het kindgebonden budget in mindering is gebracht op de behoefte van de kinderen, hetgeen een onjuiste benadering van het kindgebonden budget behelst. Nu, zoals hiervoor overwogen, ten aanzien van de kinderalimentatie, de bestreden beschikking niet zal worden gewijzigd, ziet het hof evenmin aanleiding tot wijziging van de partneralimentatie.

Daarmee falen de vijfde en zesde grief in het incidenteel hoger beroep.

3 De slotsom

in het principaal hoger beroep

3.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

in het incidenteel hoger beroep

3.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van

23 december 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.H. Schulten, C.J. Laurentius-Kooter en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door de griffier, en is op 31 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.