Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9379

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
17/00484
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:1564, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WOZ. Zoon van voormalig KNIL-militair terecht aangeslagen voor lokale heffingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-11-2017
FutD 2017-2844

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00484

uitspraakdatum: 31 oktober 2017

nummer /

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 28 maart 2017, nummer AWB 16/3241, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met betrekking tot het jaar 2016 ten name van belanghebbende bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 7 te [Z] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld op € 174.000 (hierna: de beschikking) en aan belanghebbende aanslagen in de onroerende-zaakbelasting (eigenaar woning), afvalstoffenheffing, rioolheffing, watersysteemheffing gebouwd (binnendijks), watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing (hierna: de aanslagen) opgelegd.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 28 maart 2017 ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 29 september 2017 een nader stuk ingezonden.

1.6.

Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, ter bijstand vergezeld van [A] . Namens de heffingsambtenaar is met kennisgeving aan het Hof niemand verschenen.

1.8.

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.9.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak.

2.2.

Belanghebbende is een nakomeling van een militair van het voormalige Koninklijk Nederlands-Indonesische Leger (hierna: KNIL).

2.3.

Artikel 1 van de Wet van 21 december 1949, houdende een voorziening in de zin van artikel 211 der Grondwet (Wet Souvereiniteitsoverdracht Indonesië) (Stb. 1949, No. J 570, blz. 1) luidt als volgt:

“De Mantelresolutie met ontwerp-overeenkomsten en briefwisseling betreffende de wijze om werkelijke, volledige en onvoorwaardelijke souvereiniteit over te dragen aan de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië overeenkomstig de Renville-beginselen, welke Mantelresolutie met ontwerp-overeenkomsten en briefwisseling door de Algemene Vergadering van de Ronde Tafel Conferentie te ’s-Gravenhage op 2 November 1949 is aangenomen en in afdruk in Nederlandse en in Indonesische tekst en in Engelse vertaling nevens deze wet is gevoegd, wordt door het Koninkrijk der Nederlanden aanvaard.”

2.4.

In het ontwerp-uniestatuut (Staatsblad 1949, No. J 570, blz. 7) (hierna: het uniestatuut) wordt, voor zover van belang, vermeld:

“Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië, besloten hebbende op basis van vrijwilligheid, gelijkheid en volledige onafhankelijkheid een vriendschappelijke samenwerking tot stand te brengen tussen elkander en tot verwezenlijking van de toekomstige samenwerking in het leven te roepen de Nederlands-Indonesische Unie, zijn overeengekomen in dit Uniestatuut de grondslag te leggen van hun onderlinge verhouding als onafhankelijke en souvereine staten …

(…).

Artikel 1

  1. De Nederlands-Indonesische Unie verwezenlijkt de georganiseerde samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië op basis van vrijwilligheid en gelijkheid in status met gelijke rechten.

  2. De Unie doet geen afbreuk aan de status van elk van de beide deelgenoten als onafhankelijke en souvereine staat.

(…).

Artikel 2

1. De Unie stelt zich ten doel samenwerking der deelgenoten ter behartiging van hun gemeenschappelijke belangen.

2. Deze samenwerking zal plaats hebben ter zake van onderwerpen in de eerste plaats liggende op het gebied der buitenlandse betrekkingen en defensie, en voorzover nodig financiën, alsmede ten aanzien van onderwerpen van economische en culturele aard.

Artikel 3

1. Beide deelgenoten verbinden zich hun staatsbestel te baseren op de beginselen der democratie en te streven naar een onafhankelijke rechtspraak.

2. Beide deelgenoten zullen de in de Bijlage van dit Statuut vermelde fundamentele menselijke rechten en vrijheden erkennen.”

In de bijlage bij het ontwerp-uniestatuut is, voor zover van belang, vermeld:

“De fundamentele menselijke rechten en vrijheden, welke ingevolge artikel 3 van het Uniestatuut door de deelgenoten worden erkend en welke een ieder gerechtigd is uit te oefenen en te genieten, zonder dat te dezer zake onderscheid van welke aard ook mag worden gemaakt op grond van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, nationale of maatschappelijke afkomst, bezit of geboorte, zijn de volgende: … Allen hebben aanspraak op gelijke bejegening en gelijke bescherming door de Wet.”

2.5.

De ontwerp-overgangsovereenkomst (Stb. 1949, No. J 570, blz. 41) (hierna: de overgangsovereenkomst) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 7

Het terugtrekken van de Nederlandse strijdkrachten uit Indonesië en de reorganisatie van de door of onder het gezag van de Regering van Indonesië (Nederlands-Indonesische overheid) gevormde en uitgeruste strijdkrachten in Indonesië worden geregeld als voorgeschreven in de aan deze overgangsovereenkomst gehechte “Regelingen betreffende Militaire Aangelegenheden”.

Artikel 8

1. De bestaande wettelijke regelingen en administratieve voorschriften blijven, voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de souvereiniteitsoverdracht, met de bepalingen van het Uniestatuut, van deze overgangsovereenkomst of van enige andere overeenkomst tussen partijen gesloten, ongewijzigd van kracht als eigen regelingen en voorschriften van het Koninkrijk der Nederlanden en van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië, zolang zij niet door de bevoegde organen van het Koninkrijk der Nederlanden, onderscheidenlijk de bevoegde organen van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië worden buiten werking gesteld of gewijzigd.”

2.6.

In de ontwerp-regelingen betreffende militaire aangelegenheden (Stb. 1949, No. J 570, blz. 55) betreffende de landstrijdkrachten is, voor zover van belang, opgemerkt:

“Artikel 1

De onder Nederlands bevel staande landstrijdkrachten zullen overeenkomstig de hiernavolgende richtlijnen zo spoedig mogelijk uit Indonesië worden teruggetrokken dan wel gereorganiseerd. (…).

Artikel 4

Leden van de strijdkrachten welke op het moment van de overdracht van de souvereiniteit in Indonesië aanwezig zijn en gevormd en uitgerust zijn door of onder het gezag van de Regering van Indonesië (Nederlands-Indonesische overheid), kunnen volgens nader te bepalen regelen worden opgenomen in de krijgsmacht van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië. (…).

Artikel 31

(…).

4. Met het einde van de reorganisatie houdt het Koninklijk Nederlandsch-Indonesisch Leger op te bestaan. (…)

Artikel 32

Het militaire personeel van in artikel 4 genoemde strijdkrachten is na de overdracht van de souvereiniteit

a. deels bestemd om in dienst te treden bij de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië;

b. deels bestemd om in dienst te treden bij het Koninkrijk der Nederlanden;

c. overigens bestemd om af te vloeien.”

2.7.

De voorgaande regelingen zijn op 27 december 1949 geratificeerd en in werking getreden (Stb. 1949, No. J 600).

2.8.

Het Memorandum houdende een overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië betreffende de beëindiging van de reorganisatie van het KNIL van 14 juli 1950, Trb. 1951, nr. 4 (hierna: het Memorandum), luidt – voor zover van belang – als volgt:

“1. De Nederlandse regering zal op 26 Juli 1950 het Koninklijk Nederlands-Indonesisch Leger opheffen. (…).

3. Gelijktijdig met de opheffing van het KNIL wordt door de Nederlandse Regering een Afwikkelingscommando opgericht onder Nederlandse militaire leiding. (…). Het heeft tot taak de administratieve afwikkeling – daaronder begrepen het vervoer naar hun uiteindelijke bestemmingsplaatsen – van de nog niet afgevloeide ex-KNIL-militairen, alsmede de afvoer naar Nederland van de nog in Indonesië verblijvende troepen van de Koninklijke Landmacht zo spoedig mogelijk te voltooien. (…).

5. De Nederlandse ex-KNIL-militairen zullen met ingang van 24 Juli (al dan niet tijdelijk) de status van KL-militairen krijgen.

Teneinde aan de Nederlandse Regering de gelegenheid te geven haar verplichtingen tegenover de voormalige KNIL-militairen van Indonesische landaard die afvloeien, op passende wijze te vervullen, heeft de Regering van de RIS er in toegestemd, dat deze voormalige KNIL-militairen met ingang van 24 Juli tijdelijk de status van KL-militairen krijgen, voor zover de omstandigheden niet toelaten hen voor 24 Juli naar hun plaats van herkomst te vervoeren. Tot aan het moment dat zij afgevloeid zijn, heeft de Nederlandse Regering de volledige verantwoordelijkheid ten opzichte van deze militairen (…).”

2.9.

Ter uitvoering van het Memorandum hebben de Staatssecretaris van Oorlog en de Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen een gemeenschappelijke beschikking (hierna: de Gemeenschappelijke Beschikking) vastgesteld (Trb. 1951, nr. 4). De Gemeenschappelijke Beschikking luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Artikel 1

1. Alle op 24 Juli 1950 tot het Koninklijk Nederlands-Indonesisch Leger behorende militairen, die op deze datum nog niet een van de bestemmingen, genoemd in artikel 32 van de “Regeling betreffende de onder Nederlands bevel staande landstrijdkrachten in Indonesië na de souvereiniteitsoverdracht” hebben gevolgd, met uitzondering van degenen, die buiten Indonesië verblijven en bestemd zijn af te vloeien in het werelddeel waar zij zich op de genoemde datum bevinden, zullen met ingang van deze datum tijdelijk dienst verrichten bij de Koninklijke Landmacht. (…).

Artikel 2

1. Op de in artikel 1 bedoelde militairen zijn de regelen betreffende de rechtspositie van het militair personeel van het Koninklijk Nederlands-Indonesisch Leger welke op 24 Juli 1950 van kracht zijn, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de periodieke geldelijke inkomsten worden uitgekeerd als voorschotten op de alsnog voor de vorenbedoelde dienstverrichting vast te stellen inkomsten.”

2.10.

Bij nota van 21 februari 1956 heeft de Indonesische regering aan de Nederlandse regering meegedeeld zich niet meer gebonden te achten aan het uniestatuut en alle daaraan gehechte overeenkomsten met de daarop betrekking hebbende brieven. De Nederlandse regering heeft bij nota van 3 maart 1956 verklaard deze opzegging niet te aanvaarden (zie hiervoor Trb. 1976, nr. 35).

2.11.

Belanghebbende heeft tegen de onderhavige woz-beschikking en de aanslagen vergeefs bezwaar gemaakt.

2.12.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar terecht kennelijk ongegrond is verklaard, waardoor van het horen in bezwaar kon worden afgezien, dat het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalt en dat de heffingsambtenaar terecht de beschikking en de aanslagen naar belanghebbende heeft verzonden.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de heffingsambtenaar onbevoegd was om de beschikking en de aanslagen op te leggen, of de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden en of het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de beschikking en de aanslagen niet naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken moeten worden gezonden.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft belanghebbende ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar, en tot vernietiging van de beschikking en de aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid heffingsambtenaar

4.1.

Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is om de beschikking en de aanslagen op te leggen omdat, naar het Hof begrijpt, (I) op grond van artikel 8, lid 1, van de overgangsovereenkomst, de wettelijke regelingen en de administratieve voorschriften van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië van toepassing zijn, en (II) de wettelijke regelingen en de administratieve voorschriften van de Nederlands-Indonesische Unie van toepassing zijn. Belanghebbende verwijst in dit kader naar het Memorandum en de Gemeenschappelijke Beschikking.

4.2.

Ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet, geschiedt de heffing van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). In artikel 5, lid 1, van de AWR, is bepaald dat de vaststelling van een belastingaanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. Artikel 231, lid 2, onderdeel b, van de Gemeentewet, bepaalt dat de bevoegdheden met betrekking tot de gemeentelijke belastingen gelden voor de gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen. Verder bepaalt artikel 15.33, lid 4, van de Wet Milieubeheer, dat wat betreft de afvalstoffenheffing artikel 231 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is. Wat betreft de watersysteemheffingen en zuiveringsheffing bepaalt artikel 123, lid 2, van de Waterschapswet, dat de AWR van toepassing is en het derde lid van dit artikel dat de ambtenaar van het waterschap bevoegd is. Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de heffingsambtenaar op grond van het nationale recht in beginsel bevoegd is om de beschikking en de aanslagen op te leggen.

4.3.

Artikel 94 van de Grondwet bepaalt dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

4.4.

Ook wanneer ervan dient te worden uitgegaan dat de hiervoor genoemde regelingen een ieder verbindende bepalingen vormen als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet, dan nog kan zulks belanghebbende niet baten. Het beroep van belanghebbende op artikel 8, lid 1, van de overgangsovereenkomst, faalt omdat dit artikellid niet een beperking meebrengt van de bevoegdheid van de Nederlandse overheid om Nederlandse belastingen te heffen. Wat betreft het beroep van belanghebbende op de wettelijke regelingen en de administratieve voorschriften van de Nederlands-Indonesische Unie zijn er naar het oordeel van het Hof geen aanknopingspunten voor de conclusie dat deze Unie ook betrekking heeft op de heffing van Nederlandse belastingen en derhalve hieraan in de weg zou staan. Uit het Memorandum en de Gemeenschappelijke Beschikking kan het Hof bovendien niet afleiden dat deze ook van toepassing zijn op de meerderjarige nakomeling van een militair van het KNIL. Bovendien zien naar het oordeel van het Hof het Memorandum en de Gemeenschappelijke Beschikking evenmin op de heffing van Nederlandse belastingen.

Hoorplicht

4.5.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht, kan van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende, omdat volgens hem het bezwaar kennelijk ongegrond is, vóór het doen van de uitspraken op bezwaar niet gehoord.

4.6.

Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar hem had moeten horen omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is. Over de toepassing van het in de vorige rechtsoverweging genoemd artikelonderdeel heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven geoordeeld (22 april 2013, nrs. AWB 11/1067en AWV 12/427, ECLI:NL:CBB:2013:BZ9960):

“Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling komt naar voren dat van een kennelijk ongegrond bezwaar sprake is wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn, er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie, en niet verwacht kan worden dat het horen nog van belang is voor het vaststellen van feiten en omstandigheden die op de beslissing van invloed kunnen zijn.”

4.7.

Van een kennelijke niet toewijsbaarheid is naar het oordeel van het Hof sprake indien uit het bezwaar en de stukken dienaangaande aanstonds blijkt dat het bezwaar niet toewijsbaar is en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

4.8.

De uitspraken op bezwaar zijn gedateerd 19 april 2016. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar kunnen afzien van het horen van belanghebbende alvorens de uitspraken op bezwaar te doen. De uitspraken op bezwaar over eerdere jaren, waarin min of meer dezelfde bezwaren aan de orde waren, zijn na beoordeling door de belastingrechter in stand gebleven (Rechtbank 22 augustus 2013, nr. AWB 13/473, ECLI:NL:RBGEL:2013:2507; Hof 24 juni 2016, nr. 13/01022, ECLI:NL:GHARL:2014:5069 en Rechtbank 10 november 2015, nr. AWB 15/1814, ECLI:NL:RBGEWL:2015:6799). De (nieuwe) stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is om de beschikking en de aanslagen op te leggen, is eerst in zijn nader stuk voor het Hof van 29 september 2017 ingenomen.

Gelijkheidsbeginsel

4.9.

Belanghebbende betoogt, naar het Hof begrijpt, dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat de wettelijke regelingen en administratieve voorschriften van de Nederlands-Indonesische Unie moeten worden toegepast en niet de Gemeentewet, de Wet Milieubeheer, de Waterschapswet en de AWR.

4.10.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in 4.4 is overwogen, faalt belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel.

5 Proceskosten en griffierecht

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 31 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema)

(B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 31 oktober 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.