Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9369

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
WAHV 200.184.926
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gegevens op de inleidende beschikking zijn juist, maar op basis van de gegevens op de aankondiging van beschikking mocht de betrokkene erop vertrouwen dat hem een lagere sanctie zou worden opgelegd. Het hof wijzigt het sanctiebedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.184.926

30 oktober 2017

CJIB 184958693

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant

van 30 september 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde stelt ten onrechte niet te zijn gehoord door de officier van justitie.

2. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat de officier van justitie, wanneer geen van de uitzonderingen van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich voordoet, de indiener van het beroepschrift de gelegenheid moet bieden om te worden gehoord.
Nu verzocht is om te worden gehoord en geen van de uitzonderingssituaties aan de orde is, had de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid moeten stellen te worden gehoord. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal daarom diens beslissing vernietigen evenals – met gegrondverklaring van het beroep daartegen – de beslissing van de officier van justitie. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren tegen die beslissingen geen bespreking.

3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 216,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen met 25 km/u (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 20 september 2014 om 23:20 uur op de A2 te ‘s-Hertogenbosch met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

4. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat de snelheidsmeting nattevingerwerk is geweest. Er is namelijk gebruikgemaakt van een boordsnelheidsmeter. Verder zijn de gecorrigeerde snelheid en het sanctiebedrag op de aankondiging van beschikking lager dan die op de sanctiebeschikking. Het vertrouwensbeginsel moet op zijn minst leiden tot een matiging van het sanctiebedrag, aldus de gemachtigde.

5. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de verbalisant de snelheid heeft gemeten met behulp van de boordsnelheidsmeter van zijn voertuig. Het gebruik van een boordsnelheidsmeter is geoorloofd. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de door de gemachtigde geopperde veronderstelling dat deze meting onnauwkeurig is geweest. Het verweer op dat punt wordt verworpen.

6. De gemachtigde wijst er terecht op dat de gecorrigeerde snelheid die op de aankondiging van de beschikking is vermeld één kilometer lager is dan de gecorrigeerde snelheid op de inleidende beschikking. Het sanctiebedrag op de aankondiging is eveneens lager (€ 205,-) dan de opgelegde sanctie. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de gemeten snelheid na correctie 155 km/u bedroeg. De snelheid en het sanctiebedrag op de inleidende beschikking zijn dus juist. De verbalisant heeft opgemerkt dat abusievelijk een onjuiste feitcode en een onjuist sanctiebedrag zijn vermeld.

7. Het hof is van oordeel dat de betrokkene er op basis van de gegevens in de aankondiging van beschikking op mocht vertrouwen dat hem een sanctie van € 205,- zou worden opgelegd. Gelet daarop wordt het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en het sanctiebedrag overeenkomstig aangepast.
Het teveel aan zekerheid gestelde bedrag moet aan de betrokkene worden terugbetaald.

8. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift. Aan het indienen van elk beroepschrift dient één punt te worden toegekend. Het hof ziet geen aanleiding om voor de fase van het administratief beroep een vergoeding toe te kennen. Immers valt niet in te zien waarom de gemachtigde zijn bezwaar tegen de inleidende beschikking, te weten de afwijking in de aankondiging van beschikking, pas in hoger beroep heeft ingebracht. De waarde per punt bedraagt € 495,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 495,- (= 2 x € 495,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt het sanctiebedrag in € 205,-;

bepaalt dat hetgeen teveel aan zekerheid is gesteld, te weten € 11,-, aan de betrokkene wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 495,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.