Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9349

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.211.083/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen hoger beroep tegen tussenbeschikking. Geen eind gemaakt aan enig deel van het verzochte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.211.083/01

(zaaknummer rechtbank C/18/151215 / FA RK 14-2631)

beschikking van 26 oktober 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. A. Atema te Groningen

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. van Bommel te Appingedam.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord | Groningen,

kantoorhoudende te Groningen,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 11 november 2014, 7 juli 2015,

3 mei 2016, 27 september 2016 en 20 december 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in de zaak blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 1 maart 2017;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Atema van 12 mei 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 september 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [C] en mevrouw [D] .

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie tussen partijen zijn [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2012, en [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2014, geboren. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.

3.2

Bij inleidend verzoekschrift, bij de rechtbank binnengekomen op 24 september 2014, heeft de vader - kort samengevat - de rechtbank verzocht een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen de ene week bij hem en de andere week bij de moeder verblijven. Voorts heeft de vader verzocht het hoofdverblijf van [de minderjarige2] bij de moeder te bepalen en het hoofdverblijf van [de minderjarige1] bij hem.

3.3

De moeder heeft verweer gevoerd en bij wijze van zelfstandig verzoek - voor zover hier van belang - verzocht het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen en de omgang tussen de vader en de kinderen voor onbepaalde tijd op te schorten.

3.4

Bij beschikking van 27 september 2016 heeft de kinderrechter het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder bepaald. De kinderrechter heeft voorts een voorlopige zorgregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld en de zaak voor het overige aangehouden.

3.5

Bij beschikking van 20 december 2016 heeft de kinderrechter - voor zover hier van belang - een deskundigenbericht bevolen (forensische mediation), drs. [E] als deskundige benoemd en vragen voor de deskundige geformuleerd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is - voor zover hier van belang - de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in geschil.

4.2

De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van

20 december 2016. Deze grief ziet op de vraagstelling aan de deskundige. De vader verzoekt het hof de beschikking van de kinderrechter te vernietigen en te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen mede onderdeel van de forensische mediation dient te zijn.

4.3

De moeder voert verweer en verzoekt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen althans niet-ontvankelijk te verklaren met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder te noemen: Rv) is - kort gezegd - bepaald dat geen afzonderlijk hoger beroep tegen een tussenbeschikking kan worden ingesteld, behoudens toestemming van de rechter. Voor het onderscheid tussen een (al dan niet gedeeltelijke) eindbeschikking en een tussenbeschikking is volgens vaste rechtspraak doorslaggevend of door middel van de beslissing in het dictum van de beschikking een eind is gemaakt omtrent enig deel van het verzochte. Daarbij is doorslaggevend of de beslissing een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Het hof verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 23 november 2007 (NJ 2007,623).

5.2

In de beschikking van de kinderrechter van 20 december 2016 heeft de kinderrechter forensische mediation gelast, een deskundige benoemd, een aantal onderzoeksvragen geformuleerd en verdere instructies gegeven voor het uit te voeren deskundigenonderzoek. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Het hof stelt vast dat in het dictum van de beschikking geen eind is gemaakt aan enig deel van het verzochte. Naar het oordeel van het hof kan de beslissing dan ook niet worden aangemerkt als een eindbeschikking. In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter hoger beroep niet uitdrukkelijk opengesteld en ook nadien is die tostemming niet alsnog, op verzoek, verleend. De (onjuiste) mededeling van de griffier onder de bestreden tussenbeschikking dat van de beschikking hoger beroep mogelijk is, is niet een beslissing van de kinderrechter dat tussentijds hoger beroep open wordt gesteld (HR 27 september 2002, NJ 2004, 100). De vader dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:

verklaart de vader niet-ontvankelijk;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, J.G. Idsardi en G.M. van der Meer, bijgestaan door mr. M. Koster als griffier, en is op 26 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.