Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9340

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.215.927/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag. Aanvaardbare termijn voor terugplaatsing verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.215.927/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/170648 / FA RK 16-2808)

beschikking van 24 oktober 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. de Vaal te Groningen,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI,

2. de pleegmoeder,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegmoeder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 14 februari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 12 mei 2017;

- het verweerschrift;

- een brief van mr. De Vaal van 30 mei 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 27 september 2017 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is mevrouw [A] verschenen. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [B] en mevrouw [C] .

Het hof heeft aanleiding gezien om aan de grootvader (mz) bijzondere toegang te verlenen om als toehoorder bij de mondelinge behandeling van de zaak aanwezig te zijn. Het hof zal, zoals ter zitting reeds medegedeeld, de grootvader (mz), anders dan de rechtbank, niet aanmerken als belanghebbende in deze procedure. Dit laatste geldt eveneens voor de (voormalig) pleegvader, die, vanwege de scheiding van de pleegouders, thans niet meer als de pleegvader wordt aangemerkt.

Ter zitting heeft mr. De Vaal een brief overgelegd van 20 september 2017 van dr. [D] , de behandelend psychiater van de moeder, werkzaam bij [E] aan de moeder.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder is [in] 2007 [de minderjarige] geboren.

3.2

In mei 2013 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld en in september 2013 is hij met een machtiging tot uithuisplaatsing in een crisispleeggezin geplaatst. Sinds december 2013 verblijft hij in het huidige, perspectiefbiedende pleeggezin.

3.3

[de minderjarige] ziet zijn moeder eens in de zes weken, waarbij de (door pleegmoeder begeleide) omgang de ene keer op een neutrale locatie plaatsvindt en de andere keer bij de grootvader (mz) thuis.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.

4.2

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 februari 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en - zo begrijpt het hof - opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

4.3

De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Het hof is van oordeel dat het gezag van de moeder dient te worden beëindigd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

5.4

Voor het hof is duidelijk dat de moeder veel van [de minderjarige] houdt. Ook is duidelijk dat de moeder, zoals zij zelf ook heeft aangevoerd, sinds [de minderjarige] uit huis is geplaatst op verschillende gebieden een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De moeder verdient waardering voor de wijze hoe zij aan zichzelf heeft gewerkt en het haar gelukt is steeds meer stabiliteit in haar leven te verkrijgen. Zo heeft zij zich onder psychiatrische behandeling gesteld, waarbij in augustus 2014 de diagnose schizofrenie van het paranoïde type is gesteld. In de periode mei 2014 tot december 2015 is zij drie keer klinisch behandeld voor haar psychiatrische klachten. Om te voorkomen dat haar (psychotische) klachten terugkeren gebruikt zij ook nu nog medicatie, die in depotvorm wordt verstrekt. De moeder maakt gebruik van vrijwillig budgetbeheer om haar schulden af te lossen. Verder doet zij met behoud van uitkering vrijwilligerswerk, waardoor sprake is van een dagbesteding.

5.5

Echter hoezeer ook van belang, het gaat bij de beoordeling van deze zaak niet primair om de ontwikkelingen ten goede van de moeder. Zoals hiervoor reeds overwogen staan de belangen van [de minderjarige] voorop. Het hof overweegt met betrekking tot het belang van [de minderjarige] als volgt.

5.6

[de minderjarige] is een heel kwetsbare jongen van tien jaar bij wie sprake is van een, zo is naar voren gekomen uit een door [F] in januari 2016 uitgevoerd onderzoek, complex, niet eenduidig beeld van een ontwikkelingsproblematiek. Hij functioneert cognitief op een licht verstandelijk gehandicapt niveau en sociaal-emotioneel op een jonger niveau (globaal peuterniveau). Hij is ontremd en naïef in sociale interacties, wat hem heel kwetsbaar maakt voor misbruik door derden. Hij overziet geen oorzaak-gevolg en heeft (daardoor) in sociale situaties voortdurend toezicht nodig. [de minderjarige] is gemakkelijk te overvragen en heeft veel behoefte aan duidelijkheid en structuur. Feitelijk heeft hij voortdurend één-op-één begeleiding en toezicht nodig.

5.7

[de minderjarige] is in september 2013 uit huis geplaatst omdat er sprake was van een zeer zorgelijke opvoedingssituatie bij de moeder thuis, waarbij het hem ontbrak aan basale zorg en veiligheid. De moeder kampt met een verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek en zij bood [de minderjarige] onvoldoende grenzen, structuur, aandacht, begeleiding en sturing en was emotioneel onvoldoende beschikbaar voor hem. De ingezette hulpverlening heeft tot onvoldoende verbetering geleid of werd onvoldoende geaccepteerd door de moeder. De moeder toonde onvoldoende probleeminzicht, kon onvoldoende aansluiten bij de specifieke ontwikkelingsbehoeften van [de minderjarige] en heeft hem niet de voor hem noodzakelijke stabiliteit en veiligheid kunnen bieden. Lentis heeft op grond van een bij de moeder uitgevoerd forensisch psychologisch onderzoek in maart 2016 geconcludeerd dat terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder niet in het belang van [de minderjarige] is, niet op korte termijn en ook niet op langere termijn. De redenen hiervoor zijn dat de moeder niet voldoende in staat is [de minderjarige] op te voeden en dat [de minderjarige] niet kan wachten totdat de moeder hiertoe eventueel wel in staat is. Hij heeft duidelijkheid nodig waar hij kan opgroeien.

5.8

[de minderjarige] verblijft inmiddels bijna vier jaar in het gezin van de pleegmoeder. Daar krijgt hij wat hij nodig heeft aan affectie, veiligheid, toezicht en begeleiding en hij profiteert hiervan. Hij heeft zich binnen zijn mogelijkheden positief ontwikkeld en is ingegroeid in het pleeggezin.

5.9

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder weer in staat moeten worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen, is verstreken. [de minderjarige] is gebaat bij continuïteit van zijn huidige opvoedingssituatie en het is van essentieel belang voor zijn ontwikkeling dat het hechtingsproces in het pleeggezin niet wordt doorbroken. Dit zou de ontwikkeling van [de minderjarige] ernstig kunnen schaden. Mede gezien het belaste verleden van [de minderjarige] en zijn kwetsbare ontwikkeling is het van groot belang dat door middel van de beëindiging van het gezag zowel voor [de minderjarige] zelf als voor alle betrokkenen duidelijkheid wordt verkregen over het toekomstperspectief van [de minderjarige] . Dit geldt ook voor de situatie waarin, zoals de moeder heeft betoogd, de moeder [de minderjarige] niet meer belast met haar wens om hem weer thuis te laten wonen. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dienen in beginsel van tijdelijke aard te zijn en die tijdelijkheid past niet bij de huidige situatie, waarin duidelijk is dat [de minderjarige] belang gelegen is in een bestendiging van het verblijf in het gezin van de pleegmoeder.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 14 februari 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.A. Vermeulen en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 24 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.