Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9275

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
200.217.773
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten jeugdzorg. Minderjarigen jonger dan twaalf jaar. Redelijke waardering belangen; niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.217.773

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 432743 en 432744)

beschikking van 26 oktober 2017

inzake

[Verzoekers]

verblijvende te [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: [Verzoekers] ,

advocaat: mr. P. Drenth te Den Haag,

en

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Eindhoven,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:


[de moeder] ,

verblijvende op een geheim adres,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.L. van Leer.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 februari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het beroepschrift met producties, ingekomen op 22 mei 2017;

- het e-mailbericht van de Raad voor de kinderbescherming van 10 juli 2017;

- de brief met bijlagen van mr. Drenth, ingekomen op 4 augustus 2017 en

- een bericht van het Openbaar ministerie van 8 februari 2017 met geheime informatie die niet aan partijen ter beschikking mag worden gesteld, ingekomen 9 augustus 2017.

2.2

Bij beschikkingen van 27 juli 2017 heeft het hof de Raad voor Rechtsbijstand te

‘s-Hertogenbosch gelast mr. Drenth toe te voegen als advocaat aan [Verzoekers] .

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn mr. Drenth en mr. Van Leer.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het ouderlijk gezag over [Verzoekers], geboren op [geboortedatum 1], en [Verzoekers], geboren op

[geboortedatum 2], wordt uitgeoefend door de moeder.

3.2

Bij beschikking van 22 augustus 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant [Verzoekers] onder toezicht gesteld, welke termijn laatstelijk is verlengd bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 augustus 2017 tot 22 augustus 2018.

3.3

De GI heeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet (Jw) op 28 december 2016 bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is en een verzoek daartoe ingediend. Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [Verzoekers] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft ingestemd met de verzoek.

3.4

Bij beschikking van 18 augustus 2016 heeft de kinderrechter de GI een machtiging verleend om [Verzoekers] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en doen verblijven, welke machtiging is verlengd bij beschikking 10 februari 2017 van

15 februari 2017 tot 24 februari 2017.

3.5

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter deze machtiging verlengd tot 21 juni 2017.

3.6

[Verzoekers] verblijven in een groep van [X] te [woonplaats] .

4 De omvang van het geschil

[Verzoekers] zijn met één grief in hoger beroep komen. In deze grief wordt aangevoerd dat de kinderrechter in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde door de door de officier van justitie aan de GI gegeven informatie niet aan de advocaat van de kinderen te verstrekken. Zij verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat het verzoek tot verkrijgen van een machtiging gesloten jeugdzorg dient te worden afgewezen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In artikel 6.1.1. Jw is het volgende bepaald:

1) Dit hoofdstuk is van toepassing op minderjarigen, alsmede op jeugdigen die achttien jaar zijn en ten aanzien van wie op het tijdstip waarop zij achttien werden, een machtiging op grond van dit hoofdstuk gold. Laatstbedoelde jeugdigen worden voor de toepassing van dit hoofdstuk, onverminderd artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als minderjarigen beschouwd.

2 ) In zaken betrekking hebbende op de toepassing van dit hoofdstuk is een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, bekwaam in en buiten rechte op te treden. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

5.2

Om te kunnen bepalen of [Verzoekers] , thans [leeftijd] , ontvankelijk zijn in hun verzoek in hoger beroep, dient het hof vast te stellen of zij tot een redelijke waardering van hun belangen in deze zaak in staat zijn. De advocaat van [Verzoekers] heeft in zijn begeleidend schrijven bij het appelschrift aangegeven dat de jonge kinderen in hoger beroep niet opnieuw hoeven te worden gehoord. Ter mondelinge behandeling heeft mr. Drenth nogmaals expliciet verklaard dat het niet wenselijk is dat [Verzoekers] worden gehoord. Het hof kan dus niet op basis van het horen van de kinderen een beslissing nemen over de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep.

Ook anderszins beschikt het hof over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of [Verzoekers] in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen. Mr. Drenth heeft verklaard dat hij geen contact heeft met de kinderen en niet weet waar ze zijn. Desgevraagd heeft mr. Drenth aangegeven dat hij het (instellen van) hoger beroep niet met [Verzoekers] heeft besproken. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat mr. Drenth onvoldoende heeft aangetoond dat [Verzoekers] in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen.

5.3

Nu niet kan worden vastgesteld of aan het criterium van 6.1.1. lid 2 Jw is voldaan, dient het hof [Verzoekers] niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek in hoger beroep.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart [Verzoekers] niet-ontvankelijk in hun verzoek het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T. ter Brugge, R. Feunekes en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. J.U.M. van der Werff en is op 26 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.