Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9250

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
21-006814-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:6687, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest n.a.v. regiezitting TGO Stapper

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006814-16

Uitspraak d.d.: 26 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 12 december 2016 met parketnummer 05-780022-14 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in [verblijfplaats]

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadslieden, mr. P.W. Szymkowiak en mr. G.L.P. Biesmans, naar voren is gebracht. Het hof heeft voorts kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal.

Verzoeken

De door de verdediging gedane verzoeken

De raadsman heeft bij appelschriftuur van 30 december 2016 onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman de verzoeken toegelicht en aangevuld. Het volgende wordt verzocht:

  1. Het horen als getuige van medeverdachten [medeverdachte A] en [medeverdachte B] . De verdediging betwist de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte A] en [medeverdachte B] , terwijl de rechtbank de verklaringen heeft gebruikt voor het bewijs. Thans doet zich de vraag voor of de getuigen zich nog kunnen beroepen op hun verschoningsrecht en de verdediging wenst de getuigen te kunnen ondervragen.

  2. Het doen van een reconstructie aan de hand van de verklaring van [medeverdachte A] . De verdediging meent dat door middel van een reconstructie kan worden onderzocht of de verklaring van [medeverdachte A] juist kan zijn, zodat kan worden ingeschat hoe betrouwbaar en geloofwaardig zijn verklaringen zijn. Volgens de verdediging is er geen letsel geconstateerd dat kan passen bij de verklaring van [medeverdachte A] . Indien de verklaring van [medeverdachte A] juist zou zijn, zou meer en ander letsel moeten zijn geconstateerd.

  3. Het laten opmaken van een aanvullende deskundigenrapportage met betrekking tot letsel E, waarbij de vraag dient te worden beantwoord hoe waarschijnlijk het is dat letsel E is toegebracht door hakkende bewegingen met een bijl, alsmede of het waarschijnlijker is dat letsel E is toegebracht met een mes dan wel met een bijl.

  4. Nader onderzoek naar de verklaring van [getuige X] met betrekking tot de wijze van waarneming (via camerabeelden) en de totstandkoming van haar verklaring.

  5. De verdediging heeft het verzoek tot nader onderzoek naar het bloedspatpatroon op de muren van de slaapkamer ter terechtzitting ingetrokken.

  6. Nader onderzoek naar het bloedspatpatroon op de bedpoot en tafelpoot. De verdediging wenst de vraag beantwoord te zien wat de meest waarschijnlijke oorzaak is van het bloedspatpatroon op bedpoot en tafelpoot en welke positie het slachtoffer had ten tijde van het ontstaan van het patroon. De uitkomst van dit onderzoek is van belang nu de rechtbank overweegt dat er geen bewijsmiddelen zijn die duiden op meer daders dan verdachte.

  7. Nader onderzoek naar het bloedspatpatroon op de G-star jas, zowel op bronniveau als op activiteitenniveau. Volgens de verdediging kan nader onderzoek uitwijzen of de jas gedragen werd op het moment van het toebrengen van het letsel.

Reactie advocaat-generaal op de verzoeken

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting als volgt gereageerd op de verzoeken:

  1. Toewijzing van het verzoek tot het horen van [medeverdachte A] en [medeverdachte B] .

  2. Afwijzing van het verzoek tot het laten plaatsvinden van een reconstructie. Gelet op de verklaringen van [medeverdachte A] en verdachte ziet de advocaat-generaal niet in wat een reconstructie kan opleveren voor de beantwoording van de vragen 348 en 350 Sv.

  3. Afwijzing van het verzoek tot het laten opmaken van een aanvullend deskundigenrapport omtrent letsel E. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

  4. Afwijzing van het verzoek om nader onderzoek naar de verklaring van [getuige X] , wegens ontbreken van noodzaak hiertoe.

  5. Het verzoek is niet gehandhaafd.

  6. Afwijzing van het verzoek tot nader onderzoek naar het bloedspatpatroon op de bedpoot en tafelpoot. De bloedspatten zijn op verschillende momenten op de bedpoot en tafelpoot terecht gekomen. Geen noodzaak om hier nader onderzoek naar te doen.

  7. Afwijzing van het verzoek tot het verrichten van nader onderzoek naar de G-star jas. Voor nader onderzoek is contextinformatie nodig, die ontbreekt. Geen noodzaak voor nader onderzoek.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt opgenomen en geobserveerd in het Pieter Baan Centrum, zodat gerapporteerd kan worden omtrent haar persoon. Subsidiair stelt de advocaat-generaal dat er een multidisciplinair rapport dient te worden opgemaakt.

Overwegingen

Het hof wijst het verzoek tot het horen als getuige van [medeverdachte A] en [medeverdachte B] toe. Het hof acht het aangewezen dat de getuigen ter terechtzitting worden gehoord.

Het hof wijst het verzoek tot het laten plaatsvinden van een reconstructie af. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is naar het oordeel van het hof het noodzaakcriterium van toepassing op een dergelijk verzoek. Aan het verzoek ligt de stelling ten grondslag dat indien de verklaring van [medeverdachte A] juist is, meer en ander letsel geconstateerd zou moeten zijn. Het hof is van oordeel dat niet valt in te zien dat een reconstructie het aangewezen middel is voor beantwoording van de vragen die de verdediging hierbij heeft gesteld, noch dat die reconstructie noodzakelijk is voor het nemen van een van de beslissingen op grond van de artikelen 348 en 350 Sv. Het hof wijst het verzoek af.

Het verzoek tot het laten opmaken van een aanvullend deskundigenrapport met betrekking tot letsel E zal worden toegewezen. Het hof zal de zaak hiertoe verwijzen naar de raadsheer-commissaris. Aan arts en patholoog M. Buiskool van het NFI dient te worden gevraagd antwoord te geven op de vragen van de verdediging:

‘hoe waarschijnlijk is het dat letsel E is toegebracht door hakkende bewegingen met een bijl’; en

‘is het waarschijnlijker dat letsel E is toegebracht met een mes of met een bijl’.

Nader onderzoek naar de verklaring van [getuige X] acht het hof niet noodzakelijk. Dit verzoek wordt afgewezen.

Het hof is van oordeel dat de noodzaak voor het laten verrichten van nader onderzoek naar het bloedspatpatroon op de bedpoot en tafelpoot onvoldoende is onderbouwd. Het hof ziet niet in hoe het gevraagde onderzoek kan bijdragen aan de vragen die de verdediging heeft gesteld, noch ziet het hof de noodzaak van het onderzoek voor enig te nemen beslissing op grond van de artikelen 348 en 350 Sv. Het hof wijst het verzoek af.

Het hof acht het niet noodzakelijk om nader onderzoek te laten verrichten naar de G-star jas, nu de onderbouwing van het verzoek steunt op veronderstellingen (bijvoorbeeld over de drager van de jas) waarop het gevraagde onderzoek niet ziet. In zoverre is het verzoek onvoldoende onderbouwd en wijst het hof het af.

De vordering tot opname en observatie in het PBC dan wel tot het laten opmaken van een ambulant persoonlijkheidsonderzoek wordt afgewezen. Het heeft daarbij met name in aanmerking genomen dat verdachte in 2014 bij een eerdere opname in het PBC niet heeft willen meewerken aan onderzoek naar haar persoon, en dat zij ter terechtzitting desgevraagd heeft aangegeven ook nu niet te zullen meewerken aan een observatie of een persoonlijkheidsonderzoek.

Verzoek namens benadeelde partijen

Namens de benadeelde partijen heeft mr. Sent verzocht om een conclusiewisseling, voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling. Verzocht is om door de verdediging eventuele bezwaren en opmerkingen en vragen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling aan de advocaat van de benadeelde partijen kenbaar te laten maken, zodat zij hier voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling op kunnen reageren. Dit komt de efficiency ten goede.

De advocaat-generaal en de raadsman van verdachte hebben ter terechtzitting bezwaar gemaakt tegen een schriftelijke conclusiewisseling.

Het hof zal, nu er al geen overeenstemming is tussen de betrokkenen, niet gelasten dat er voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling reeds schriftelijke conclusiewisseling plaatsvindt.

Verzoek namens nabestaanden

Namens de nabestaanden is door mr. Sent gemotiveerd verzocht om:

  1. toe te staan dat zij in hoger beroep tijdens de inhoudelijke behandeling weer gebruik maken van hun spreekrecht;

  2. toe te staan dat de advocaat namens hen het spreekrecht uitoefent als het gaat over de bewezenverklaring en de strafmaat;

  3. primair: toe te staan dat tweemaal het spreekrecht wordt uitgeoefend, één keer voor het requisitoir en één keer na het pleidooi van de verdediging;

subsidiair: toe te staan dat het spreekrecht wordt uitgeoefend na het requisitoir en pleidooi.

Het hof stelt vast dat een bepaling zoals artikel 334, derde lid, van Wetboek van Strafvordering, waarin wordt bepaald dat de benadeelde partij na het requisitoir haar vordering kan toelichten niet voor de spreekgerechtigde is ingevoerd. Voorts bepaalt artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dat aan degene die het spreekrecht heeft uitgeoefend, vragen kunnen worden gesteld. Daaruit kan worden afgeleid dat het spreekrecht uitgeoefend dient te worden in de onderzoeksfase van de behandeling van de zaak ter terechtzitting en dus voorafgaand aan het requisitoir en het pleidooi. Tenslotte ziet het in artikel 6 EVRM neergelegde beginsel van hoor en wederhoor naar het oordeel van het hof niet op de spreekgerechtigde, nu de uitoefening van het spreekrecht niet valt binnen het kader van de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen zoals bedoeld in artikel 6 EVRM.

Daarbij is ter gelegenheid van de voorgenomen uitbreiding van het spreekrecht de plaats daarvan in het strafproces bij de behandeling van het wetsvoorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces en wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter uitbreiding van de mogelijkheid van uitkering aan nabestaanden aan de orde geweest. De Tweede Kamerfractie van het CDA heeft er daarbij op gewezen “dat in de huidige regeling nu is voorzien dat het slachtoffer ingevolge artikel 302 het woord krijgt voordat de officier van justitie zijn requisitoir houdt.” Desgevraagd heeft de minister geantwoord dat er naar zijn oordeel geen reden voor het wijzigen van de bestaande bepaling en praktijk is (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 34 082, nr. 6, pag. 9).

Het hof bepaalt dat aan de nabestaanden het spreekrecht toekomt, zoals dat bij de rechtbank is uitgeoefend, en dat bij de inhoudelijke behandeling de uitoefening van het spreekrecht plaats vindt vóór het requisitoir.

De vraag, of de advocaat namens de spreekgerechtigden het spreekrecht mag uitoefenen, is voorbehouden aan de voorzitter ter terechtzitting.

Om de klemmende reden dat de onderzoekshandelingen naar verwachting niet binnen een maand zullen zijn voltooid, zal het onderzoek langer dan een maand, maar niet langer dan drie maanden worden geschorst.

BESLISSING

Het hof:

Heropent het onderzoek.

Beveelt de oproeping als getuigen van [medeverdachte A] en [medeverdachte B] tegen de nader te bepalen terechtzitting waarop de inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden.

Stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris, teneinde de deskundige M. Buiskool, arts en patholoog van het NFI, aanvullend te laten rapporteren zoals hierboven vermeld.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, doch ten hoogste voor de duur van drie maanden, met bevel tot oproeping van verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadslieden, alsmede met tijdige kennisgeving van het tijdstip aan de benadeelde partijen en mr. L. Harteveld.

Om de klemmende reden dat de rol van het hof eerdere behandeling niet toelaat wordt het onderzoek in deze zaak langer dan één maand geschorst.

Aldus gewezen door

mr. R.H. Koning, voorzitter,

mr. C. Caminada en mr. R.W. van Zuijlen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. B.P. Snijder, griffier,

en op 26 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.