Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:923

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
200.203.083
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WWZ-zaak. Mondelinge dreigementen gedaan in emotionele toestand als gevolg van moeizaam re-integratietraject. Terechte ontbinding op de g-grond. Ontbinding op de e-grond afgewezen. Verzoek om toekenning billijke vergoeding afgewezen. Geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0195
AR 2017/932
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.203.083

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, civiel recht, kantonrechter, locatie Utrecht, 5105309)

beschikking van 8 februari 2017

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerder,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. A.D.J. van Ruyven.

tegen

de stichting

[De Stichting] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: [De Stichting] ,

advocaat: mr. D. G. van der Mark.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van
10 augustus 2016 die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht verder: de kantonrechter - heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, binnengekomen bij de griffie van het hof op 9 november 2016;
- het verweerschrift van [De Stichting] tevens beroepschrift in incidenteel hoger beroep met producties;

- het verweerschrift van [verzoeker] in incidenteel hoger beroep met producties;

- de mondelinge behandeling op 25 januari 2017 waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op
8 maart 2017 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoeker] heeft in het principaal hoger beroep het hof verzocht om de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2016 te herstellen met doorbetaling van loon en voortzetting van vakantiedagenopbouw en indien de arbeidsovereenkomst niet zal worden hersteld aan hem de wettelijke transitievergoeding toe te kennen ten bedrage van € 7.583,- alsmede een billijke vergoeding ten bedrage van € 9.480,-, althans een bedrag in goede justitie te bepalen.

2.4

[De Stichting] heeft in het incidenteel hoger beroep het hof verzocht te bepalen dat de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW met ingang van 1 oktober 2016 zal zijn ontbonden en dat [verzoeker] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van de reeds betaalde transitievergoeding ter hoogte van

€ 8.460,- vermeerderd met wettelijke rente.

3 De feiten

3.1

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.2

[verzoeker] is sinds 1 juli 2006 in dienst van [De Stichting] geweest, oorspronkelijk in de functie van jongerenwerker, laatstelijk in de functie van sociaal werker maatschappelijke ondersteuning. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 2.274,99 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

3.3

Eind 2013/begin 2014 heeft [De Stichting] veranderingen in de organisatie doorgevoerd. [verzoeker] heeft toen in de functie van sociaal werker maatschappelijke ondersteuning een ander en uitgebreider takenpakket gekregen dan dat in de functie van jongerenwerker.

3.4

Op 18 september 2014 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld. Vanaf november 2014 heeft hij een re-integratietraject gevolgd. In een deskundigenoordeel van het UWV van 29 september 2015, op verzoek van [verzoeker] uitgebracht, heeft het UWV geoordeeld dat de door de werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen niet voldoende zijn omdat [De Stichting] [verzoeker] te lang in beheerderswerk heeft laten re-integreren. Op 7 december 2015 is [verzoeker] hersteld gemeld.

3.5

Op 7 januari 2016 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld. In een deskundigenoordeel van het UWV van 4 maart 2016 op verzoek van [verzoeker] heeft het UWV geoordeeld dat [verzoeker] op

7 december 2015 volledig belastbaar was voor zijn werk. De re-integratie van [verzoeker] is op

8 maart 2016 hervat.

3.6

Op 12 april 2016 heeft zich een incident op de kantoorlocaties van [De Stichting] voorgedaan.

3.7

Bij brief van 15 april 2016 heeft de directeur-bestuurder van [De Stichting] , [persoon 1] , onder meer het volgende aan [verzoeker] bericht:

Op dinsdag 12 april jl. bent u rond het middaguur langsgekomen op locatie [locatienaam] van Stichting [De Stichting] , waarna u een medewerkster ernstig heeft geïntimideerd. Niet alleen door uw toon, maar juist ook door uw houding en gedrag in dit gesprek. Zelfs nadat zij aangaf zich zeer onprettig en onveilig te voelen bij uw gedrag, bent u bovendien niet gestopt. U heeft haar daarna zelfs nog achtervolgd naar haar werkplek. Zij voelde zich door uw vasthoudende houding en benadering acuut bedreigd. U bent ook toen niet gestopt. Vervolgens heeft u ook andere medewerkers op een zelfde intimiderende wijze aangesproken. Onze manager, de heer [persoon 2] , heeft u verzocht aan het werk te gaan of het pand te verlaten en naar huis te gaan. U koos ervoor om het pand te verlaten maar ging naar een andere locatie [locatienaam] waar u opnieuw collega’s benaderde om in gesprek te gaan. Door de dreigende situatie die toen op verschillende locaties ontstond zag de heer [persoon 2] zich genoodzaakt om 112 te bellen. De politie is ter plaatse geweest. De politie nam de kwestie hoog op, zodanig zelfs dat zij u een toegangsverbod heeft opgelegd voor alle locaties van [De Stichting] .

Bovenstaande gedragingen en intimidaties hebben zich niet enkel en alleen op 12 april jl. afgespeeld. Zo heeft u zich in de dagen daarvoor in meerdere opmerkingen jegens ondergetekende ook intimiderend gedragen. Door uw wetenschap van details van mijn privéleven heeft u bovendien laten blijken dat u mij meerdere keren heeft achtervolgd naar o.a. mijn privéadres. Uw houding en gedrag heb ik mede hierdoor ook als bedreigend ervaren. Zeker omdat u in een eerder stadium in niet mis te verstane bewoordingen had aangegeven: “dat het een idee zou zijn om de directeur aan te rijden”. De medewerker aan wie u deze uitlating deed vond deze uitlating dermate bedreigend dat deze de noodzaak voelde ondergetekende te waarschuwen voor zijn veiligheid. Deze bewoordingen, die gelezen kunnen worden als een directe doodsbedreiging, vormde de aanleiding voor mij om extra veiligheidschecks in te voeren.

Concluderend laat ik u hierbij weten dat wij uw gedrag onacceptabel vinden. Het betreft ernstige misdragingen die als zeer intimiderend en bedreigend zijn ervaren door zowel het personeel als directie.

Ondanks herhaalde verzoeken heeft u uw gedragingen bovendien niet beëindigd en moest op 12 april de politie er zelfs aan te pas komen. Uw gedragingen zijn ernstig verwijtbaar en bovendien strafbaar. Er is hiervan ook melding gemaakt bij de politie. Uw wangedrag vormt tevens een dringende reden als omschreven in de wet (artikel 7:678 BW).

Voor dit ernstig verwijtbare gedrag overwegen wij dan ook een ontslag op staande voet. Voordat wij hiertoe overgaan moet het interne onderzoek dat heden is gestart afgerond worden.

Hangende dit onderzoek ben ik voornemens u op grond van artikel 2.7 onder A van de CAO Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening met onmiddellijke ingang te schorsen. Voordat ik hiertoe overga zal ik u, overeenkomstig deze CAO-bepaling, in de gelegenheid stellen zich te laten horen.

3.8

Op 21 april 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [De Stichting] (in de personen van de interim-manager [persoon 2] , de direct leidinggevende [persoon 3] en [persoon 4] ).

3.9

[verzoeker] heeft zich op 26 april 2016 wederom ziek gemeld.

3.10

Bij brief van 29 april 2016 heeft [persoon 1] het volgende aan [verzoeker] laten weten:

In aansluiting op onze brief aan u d.d. 15 april jongstleden waarin wij u ons voornemen u te schorsen hebben medegedeeld, berichten wij u nader.

(…)

In onze brief hebben wij het feitencomplex uiteengezet zoals zich dat heeft voorgedaan op 12 april jl. en de dagen ervoor (jegens de directeur), naar aanleiding waarvan wij u in de gelegenheid hebben gesteld uw kant van het verhaal te doen. Dit gesprek heeft uiteindelijk plaatsgevonden op donderdag 21 april jongstleden (…)

De door u gegeven verklaring en uitleg vormt geen enkele rechtvaardiging of excuus voor uw - door collega’s en de organisatie ervaren ontoelaatbare, (aanhoudend) intimiderende - gedrag die dag.

Ook al zou binnen [De Stichting] gewerkt worden met voice recorders, dan nog geeft u dan niet het recht om op een bedreigende en intimiderende wijze te handelen zoals u jegens deze collega heeft gedaan. De uitnodiging om een kop koffie te drinken al helemaal niet. Voor wat betreft uw argument dat u [persoon 5] even niet heeft kunnen vinden voor uw werk en dat dit u een reden zou geven om te handelen zoals u heeft gedaan, ontgaat [De Stichting] volledig.

Dat u zich hersteld wilde melden nadat uit het expertise onderzoek door HSK is gebleken dat u niets mankeert, is begrijpelijk. Dat op dat moment noch [persoon 3] , noch [persoon 1] aanwezig waren om uw hersteldmelding door te voeren, is niet een omstandigheid die uw gedrag rechtvaardigt.

Bovendien heeft gisteren een evaluatie met de bedrijfsarts plaatsgevonden over de uitkomst van de HSK rapportage (…) en heeft de bedrijfsarts geadviseerd tot een hersteldmelding. [De Stichting] voert uw hersteldmelding per 12 april 2016 dan ook door. Overigens betekent dit ook dat uw ziekmelding d.d. 26 april 2016 niet wordt geaccepteerd.

Het onderwerp van gesprek met [persoon 6] geeft u nog geen excuus om ook ten opzichte van hem bedreigend en/of intimiderend te handelen. Hetzelde geldt voor het feit dat de Ondernemingsraad uw mail nog niet heeft beantwoord.

Toen u meermaals door [persoon 2] bent verzocht - het werd u op een gegeven moment zelfs opgedragen - om locatie [locatienaam] te verlaten en naar huis te gaan, meende u uw gedrag nog even te kunnen voortzetten op [locatienaam] en daar voor de nodige onrust en angst onder personeel te zorgen. Het maakt niet uit of u uw blauwe map kwijt was of dat u de voorzitter van de OR had willen spreken, u bent gevraagd om naar huis te gaan en om tot bedaren te komen en dat heeft u geweigerd, met alle gevolgen van dien. De politie moest eraan te pas komen en dat u al dan niet reeds een afspraak had staan met de wijkagent in Zeist-Noord, doet niet af aan het feit dat de politie heeft moeten optreden, u een locatieverbod heeft opgelegd en uw zaak is geregistreerd (…)

De conclusie blijft dan ook - ondanks de door u aangedragen rechtvaardigingen voor uw handelen - dat u volstrekt onacceptabel gedrag heeft getoond. Het betreft ernstige misdragingen die als zeer intimiderend en bedreigend zijn ervaren door zowel het personeel als directie en vormen tevens een dringende reden als omschreven in de wet (artikel 7:678 BW). Bij deze wordt dan ook bevestigd dat u ex artikel 2.7 onder A van de Cao Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening bent geschorst, zulks in afwachting van een beëindigingsprocedure op grond van dringende redenen. Ook het locatieverbod blijft gelden en wij bevestigen bij deze dat het u niet is toegestaan om naar de werkplek te komen.”

3.11

Nadat [verzoeker] bij e-mailbericht van 2 mei 2016 aan [De Stichting] tegen de schorsing/non-actiefstelling bezwaar heeft gemaakt, bericht hij [persoon 1] bij brief van 5 mei 2016 onder meer als volgt:

Naar aanleiding van de aangetekende brieven die door mij zijn ontvangen wil ik inhoudelijk reageren. Ik begrijp uit de brieven dat ik ervan wordt verweten intimiderend en dreigend te zijn geweest op 12 april 2012. (…) In ons gesprek van 21 april heb ik hierover mijn verhaal gedaan. (…) De beschuldigingen in uw brieven schetsen een totaal ander en verkeerd beeld van deze dag en van mij als persoon. (…) Ik heb niemand geïntimideerd, noch de directeur achtervolgd of geïntimideerd, dreigende taal naar collega’s uitgesproken. (…) Het lijkt er voor mij op dat de rollen zijn omgedraaid. Ik heb zoals ik in ons gesprek van 21 april kenbaar heb gemaakt zelf geïntimideerd en bedreigd te zijn. (…) Ik heb aangegeven noodgedwongen door angst en paniek de situatie te hebben gefilmd om [persoon 2] [waarmee [persoon 2] wordt bedoeld, toevoeging hof] van mij te weerhouden. De intimidatie van [persoon 2] ging zelfs tot ver buiten de Koppeling.(…) Momenteel voel ik me erg aangevallen, geïntimideerd en in de hoek gezet door deze beschuldigingen. De re-integratie wordt door mij ervaren als zeer onduidelijk en onder de maat. Ik re-integreer al een tijd op een locatie zonder begeleiding of sturing. Als het werk is gedaan dan begrijp ik niet wat ik moet doen en ik ervaar dat als ik vragen heb collega’s meestal druk zijn met hun eigen werk.”

3.12

[De Stichting] heeft op 25 mei 2016 een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e en/of sub g BW bij de kantonrechter ingediend.

3.13

[verzoeker] heeft een transitievergoeding van [De Stichting] ontvangen ten bedrage van € 8.460,-.

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[De Stichting] heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 BW in verbinding met, in de eerste plaats, artikel 7:669 lid 3 sub e BW dan wel, in de tweede plaats, artikel 7:669 lid 3 sub g BW.

4.2

[verzoeker] heeft afwijzing van het verzoek bepleit, en subsidiair (het hof begrijpt: bij ontbinding) verzocht hem naast de transitievergoeding ook een billijke vergoeding toe te kennen, gezien de wijze waarop [De Stichting] met hem is omgegaan.

4.3

De kantonrechter heeft overwogen dat geen opzegverbod gold, geoordeeld dat de gedragingen van [verzoeker] niet een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen in de zin van de e-grond rechtvaardigen, maar dat er wel sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding waarvan geen van de partijen in het bijzonder een verwijt kan worden gemaakt. Herplaatsing in een andere passende functie ligt volgens de kantonrechter niet in de rede. De arbeidsverhouding is zodanig verstoord geraakt dat van [De Stichting] in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] laat voortduren. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst daarom op de g-grond ontbonden per 1 oktober 2016 en het verzoek van [De Stichting] in zoverre toegewezen. De kantonrechter heeft overwogen dat [verzoeker] op grond van de wet aanspraak heeft op een transitievergoeding, doch deze niet in het dictum van de bestreden beschikking toegekend, omdat [verzoeker] geen zelfstandig verzoek daartoe had ingediend noch tot toekenning van een billijke vergoeding.

5 De beoordeling in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

5.1

Onder aanvoering van vier grieven is [verzoeker] tegen voormeld oordeel van de kantonrechter in hoger beroep gekomen. Grief 1 richt zich tegen de feitenvaststelling. Met grief 2 voert [verzoeker] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van een opzegverbod. Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding. Grief 4 heeft betrekking op het niet toekennen van een transitievergoeding en, zo begrijpt het hof, ook op het niet toekennen van een billijke vergoeding.

De grief van [De Stichting] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter houdende de afwijzing van haar ontbindingsverzoek op de e-grond.

5.2

Aangezien het hof onder 3. de feiten zelfstandig heeft vastgesteld, heeft [verzoeker] geen belang meer bij behandeling van grief 1.

5.3

Ter zitting is gebleken dat [verzoeker] na zijn (tweede) ziekmelding op 7 januari 2016 nooit meer volledig hersteld is verklaard, maar dat hij nog voor 5% ziek is gebleven. Dit betekent dat ten tijde van het ontbindingsverzoek van [De Stichting] , dat op 25 mei 2016 bij de kantonrechter (griffie) is ingediend, sprake was van een opzegverbod. Grief 2 is derhalve terecht voorgedragen, maar kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden, zoals hierna onder 5.10 zal worden overwogen.

5.4

Volgens [De Stichting] is het handelen van [verzoeker] op 12 april 2016 als (ernstig) verwijtbaar te kwalificeren (e-grond). [verzoeker] heeft die dag meerdere medewerkers van [De Stichting] geïntimideerd en heeft zich bedreigend opgesteld. Hem is herhaaldelijk verzocht de locatie waar hij zich toen bevond ( [locatienaam] ) te verlaten, hetgeen hij uiteindelijk heeft gedaan, maar hij is vervolgens naar een andere locatie gegaan ( [locatienaam] ) waar hij zich ook heeft misdragen. [verzoeker] bouwde zijn intimiderend handelen op in de dagen vóór 12 april 2016 met opmerkingen, ging vervolgens met diverse collega’s de confrontatie aan en misdroeg zich uiteindelijk die bewuste dag op beide locaties, zozeer dat [De Stichting] (in de persoon van [persoon 2] ) zich genoodzaakt zag de politie te bellen, aldus [De Stichting] .

Dit incident tezamen met de overige omstandigheden - te weten de intimiderende opmerkingen van [verzoeker] tegen de directeur van [De Stichting] op 5, 6 en 7 april 2016, de voortdurende strijd en het niet willen accepteren van de gewijzigde functie en de onmogelijk geworden samenwerking tussen [verzoeker] en zijn leidinggevende(n) en collega’s - vormen volgens [De Stichting] de tweede grondslag voor ontbinding (de g-grond).

5.5

[verzoeker] heeft betwist dat hij zich op 12 april 2016 bedreigend en intimiderend heeft gedragen. Van verwijtbaar handelen van zijn zijde is dan ook geen sprake. [verzoeker] betwist eveneens dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt.

5.6

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 7:671b lid 1 BW in verbinding met artikel 7:669 lid 1 en lid 3 aanhef en onder e BW kan de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Op grond van artikel 7:671b lid 1 BW in verbinding met artikel 7:669 lid 1 en lid 3 aanhef en onder g BW kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren en herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

5.7

Het hof heeft ter zitting geconstateerd dat partijen een geheel andere beleving van de gebeurtenissen hebben die zich op 12 april 2016 hebben voorgedaan. Daar waar [De Stichting] , ter zitting toegelicht door [persoon 2] , het gedrag van [verzoeker] als intimiderend en bedreigend heeft ervaren, zowel jegens zichzelf als jegens de collega’s van [verzoeker] , herkent [verzoeker] zich hier totaal niet in. Sterker nog, [verzoeker] heeft zich, onder meer onder overlegging van een filmpje op een usb-stick, op het standpunt gesteld dat [De Stichting] zich jegens hem intimiderend heeft gedragen. [verzoeker] heeft ook ter zitting toegelicht hoe volgens hem die bewuste dag is verlopen.

Het hof heeft verder geconstateerd dat [verzoeker] alle krediet bij de ter zitting aanwezig leidinggevenden (te weten zijn direct leidinggevende mevrouw [persoon 3] en [persoon 1] voornoemd) heeft verspeeld. In het bijzonder de voortdurende strijd over de re-integratiewerkzaamheden heeft ertoe geleid dat [De Stichting] een terugkeer van [verzoeker] niet meer ziet zitten. Zowel [verzoeker] als Zoller hebben ter zitting uitgebreid uiteengezet hoe in hun visie de re-integratie is verlopen. In de kern genomen komt de visie van [verzoeker] er op neer dat hij van mening is dat hij zich voornamelijk met beheerderswerkzaamheden bezighield, zoals het schoonmaken van de wc’s en de keuken en het vegen van het dak alsmede met het rijden op de belbus (wat normaal gesproken volgens hem alleen door vrijwilligers wordt gedaan), en dat hij niet voor het werk waarin hij wilde terugkeren, het jongerenwerk, werd ingezet. Hij is zelf met het idee gekomen om werkbezoeken aan (basis)scholen af te leggen om kennis op te doen hoe andere organisaties functioneerden, maar kreeg te horen dat hij op de werkplek moest blijven waar hij zijn beheerderswerkzaamheden kon uitvoeren. Volgens [persoon 3] luidde het advies van de bedrijfsarts dat [verzoeker] niet met moeilijke doelgroepen in aanraking mocht komen, reden waarom met hem (volgens [persoon 3] in veel meer gesprekken dan alleen in de gespreksverslagen is vastgelegd) is afgesproken met beheerderswerkzaamheden te beginnen. Die werkzaamheden (onder meer opruimen en schoonmaken) hadden ook tot doel aan jongeren het belang te tonen van het op orde houden van werkruimtes en behoefden niet alle door [verzoeker] persoonlijk te worden uitgevoerd; het was juist de bedoeling dat hij daarvoor jongeren zou enthousiasmeren en dat hij die zou begeleiden. Deze werkzaamheden maken deel uit van de nieuwe functie van sociaal werker maatschappelijke ondersteuning. [verzoeker] weigerde echter in te zien dat die nieuwe functie breder was en veranderingen ten opzichte van zijn oude functie meebracht. Naast deze beheerderswerkzaamheden is met [verzoeker] veelvuldig gesproken over het begeleiden van vrijwilligers, het werven van stagiaires op bijvoorbeeld basisscholen en het volgen van een nieuwe opleiding met betrekking tot het geven van een training aan jongeren, maar [verzoeker] heeft hier geen gehoor aan gegeven. Volgens [persoon 3] heeft zij [verzoeker] voldoende aanknopingspunten gegeven om ‘naar buiten te gaan’, zo mocht hij naar middelbare scholen om ideeën op te doen en is hij twee keer op werkbezoek geweest en bestonden zijn werkzaamheden niet louter uit beheerderstaken. Zij heeft, zo verklaarde zij ter zitting, vanaf de allereerste ziekmelding van [verzoeker] haar uiterste best gedaan om de samenwerking met hem succesvol te laten zijn, maar heeft nu geen enkel vertrouwen meer in een normale manier van samenwerken.

5.8

Uit deze weergave blijkt dat er in de visie van beide partijen sprake is van een zeer moeizaam verlopen re-integratietrajct, waarin partijen langzamerhand tegenover elkaar zijn komen te staan en het hen niet meer lukte om de verschillen in de beleving van dat traject te overbruggen. Het hof overweegt voorts dat ook uit de overgelegde gespreksverslagen en de overige correspondentie tussen [verzoeker] en [De Stichting] voldoende blijkt van de moeizame relatie die partijen al jaren onderhouden. Daaruit blijkt eveneens dat partijen al vanaf november 2014 bezig met een re-integratietraject, welk traject moeizaam is verlopen door het verschil in inzicht over de wijze waarop [verzoeker] invulling diende te geven aan de door hem in zijn gewijzigde functie uit te voeren taken. In de maanden januari-maart 2015 hebben partijen een mediationtraject gevolgd, met mede als doel om de verhoudingen te herstellen, maar ook daarna is het niet gelukt tot een aanvaardbare oplossing te komen.

5.9

Op 12 april 2016 is het tot een uitbarsting gekomen in de relatie van [verzoeker] met [De Stichting] , waarover beide partijen ook ter zitting nog uitgebreid hun visie hebben gegeven.

5.10

Het hof acht op grond van het bovenstaande voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een zodanige verstoorde verhouding dan van [De Stichting] redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Grief 3 van [verzoeker] faalt derhalve. Voorzetting van de arbeidsovereenkomst is dan niet meer aan de orde.

Het hof acht de gedragingen van [verzoeker] op die bewuste 12 april 2016 echter niet zodanig verwijtbaar dat zij een ontbinding op de e-grond rechtvaardigen. Dat de op die dag aanwezige leidinggevenden en collega’s van [verzoeker] het gedrag van hem als intimiderend en bedreigend hebben ervaren, wil het hof zeker aannemen, maar onvoldoende duidelijk is geworden dat die gedragingen alleen, objectief gezien dusdanig ernstig waren dat van [De Stichting] in redelijkheid niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat geldt zeker ook de opmerkingen die [verzoeker] in de dagen voorafgaand aan 12 april 2016 heeft gemaakt en die door [De Stichting] op een bepaalde, voor [verzoeker] belastende wijze worden uitgelegd. Bovendien acht het hof het van belang dat het ‘bij woorden is gebleven’ en dat de door [verzoeker] gedane uitlatingen gezien moeten worden in het licht van zijn emotionele toestand, die (met name) is voortgekomen uit onvrede/frustratie over het in zijn ogen moeizame re-integratietraject, dat al geruime tijd gaande was. De grief van [De Stichting] treft dus geen doel.

5.11

Bij ontbinding bepaalt artikel 7:671b, zesde lid, dat het opzegverbod aan ontbinding niet in de weg hoeft te staan als er - toegespitst op deze zaak - geen verband bestaat tussen de ziekte en de slechte arbeidsverhouding. Dat is hier naar 's hofs oordeel het geval, zodat grief 2 (luidend: ‘Ten onrechte heeft de kantonrechter in de beschikking onder 4.4 geoordeeld dat er geen sprake is van een opzegverbod’) weliswaar slaagt, maar niet tot vernietiging van het vonnis kan leiden.

5.12

[verzoeker] heeft inmiddels een transitievergoeding ter hoogte van € 8.460,- van [De Stichting] ontvangen, zodat grief 4 in zoverre slaagt. Voor het overige - de billijke vergoeding - faalt de grief omdat de door [verzoeker] aangevoerde argumenten, kort gezegd het tekortschieten van [De Stichting] in haar reïntegratieverplichtingen en het aanvankelijk tijdens de tweede ziekteperiode betalen van 70% van het loon in plaats van 100% geen ernstige verwijtbaarheid van [De Stichting] opleveren die nopen tot het betalen van een billijke vergoeding. Anders dan [verzoeker] aanvoert is het hof niet gebleken dat het mislukken van het re-integratietraject in overwegende mate aan [De Stichting] te wijten is. Uit de overgelegde stukken, waaronder gespreksverslagen, en het feit dat mediation is ingezet, blijkt dat [De Stichting] zich voldoende heeft ingespannen om [verzoeker] te laten terugkeren in zijn (gewijzigde) functie en dat hem in dat traject ook andere werkzaamheden zijn aangeboden dan de werkzaamheden die door [verzoeker] zijn genoemd. Het onder 3.4 genoemde oordeel van het UWV maakt dat niet anders.

Weliswaar heeft het UWV in zijn rapport van 24 september 2015 geconcludeerd dat de door [De Stichting] uitgevoerde re-integratie-inspanningen op dat moment niet voldoende waren, maar dit had enkel betrekking op het te lang laten re-integreren van [verzoeker] in beheerderswerk, hetgeen op zich niet als ernstig verwijtbaar gedrag kan worden gekwalificeerd. Ook de betaling van 70% in plaats van 100% van het loon van [verzoeker] draagt deze kwalificatie niet nu [De Stichting] aanvankelijk had aangenomen dat [verzoeker] ’s ziekte was blijven doorlopen, welke omissie zij later heeft hersteld door alsnog het volledige loon aan [verzoeker] te betalen.

5.13

Het hof zal de beschikking van de kantonrechter bekrachtigen, behoudens voor zover met het ‘afwijzen van het meer of anders verzochte’ ook bedoeld wordt het recht op een transitievergoeding, op welk punt het vonnis zal worden vernietigd.

Het hof zal [verzoeker] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van [De Stichting] te stellen op € 718,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten x tarief II). [De Stichting] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [verzoeker] te stellen op € 894,-(1 punt x tarief II) voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter Midden-Nederland (locatie Utrecht) van 10 augustus 2016, behoudens voor zover met ‘wijst het meer of anders verzochte af’ ook wordt bedoeld het verzoek van [verzoeker] om een transitievergoeding, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

wijst het verzoek van [verzoeker] om een transitievergoeding toe, welke vergoeding inmiddels door [De Stichting] is betaald;

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [De Stichting] vastgesteld op € 718,- voor griffierecht en € 1.788,- (2 punten x tarief II) voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

in het incidenteel hoger beroep

verwerpt het beroep;

veroordeelt [De Stichting] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 894,- (0,5 punt x tarief II) voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A. van Rossum, mr. J.H. Kuiper en

mr. A.E.F. Hillen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

8 februari 2017.