Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9217

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
200.192.883/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. Hof komt op grond van het voorliggende bewijsmateriaal tot een ander oordeel dan de kantonrechter over de vraag of appellant erin is geslaagd te bewijzen dat geïntimeerde een gat in een afvoerbuis heeft veroorzaakt (waardoor bij appellant waterschade is ontstaan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.192.883

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3656464 CV EXPL 14-17497)

arrest van 24 oktober 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. B. van Dijk,

tegen:

[geïntimeerde] ,
h.o.d.n. SKO [geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. C.D. de Graeff.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 juni 2017 hier over.

De in dat arrest bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op

21 september 2017.

1.2

Vervolgens is arrest bepaald op de voorafgaand aan de comparitie overgelegde procesdossiers, aangevuld met het proces verbaal van de comparitie waaraan de spreekaantekeningen van mr. de Graeff zijn gehecht.

1.3

[appellant] heeft in hoger beroep vernietiging gevorderd van de vonnissen van de kantonrechter te Groningen van 6 mei 2015 en 2 maart 2016, en opnieuw rechtdoende het door hem in eerste instantie gevorderde toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.6 van het tussenvonnis van 6 mei 2015, nu tegen de vaststelling van die feiten geen bezwaren zijn geuit. Aangevuld met nog enkele feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan zijn de feiten als volgt.

2.2

[appellant] handelt onder meer in kunst, antiek, curiosa, gebruikte materialen en designmeubelen. In dat verband heeft hij voor opslag en verkoop van goederen een deel gehuurd van een loods op het adres [a-straat] 8-4 te [A] .

2.3

Op 7 februari 2014 is in het door [appellant] gehuurde deel van de loods waterschade ontstaan, doordat water de ruimte instroomde vanuit een gat in een (pvc) dakwaterafvoer die bovenlangs, op een hoogte van ten minste 8 meter vanaf de grond, door de gehuurde ruimte loopt. Het gat in de leiding bevond zich ongeveer 1 meter onder het dak, daar waar de afvoer een haakse bocht van verticale in horizontale richting maakt.

2.4

Ten tijde van het ontstaan van die waterschade verrichtte [geïntimeerde] samen met de door hem ingeschakelde [C] (zzp’er) in opdracht van de eigenaar van het pand (Ahold) schoonmaakwerkzaamheden op het dak. [geïntimeerde] constateerde dat een afvoerpunt, dat zich bevindt boven de door [appellant] gehuurde ruimte, verstopt was waardoor ter plaatse op het dak een plas water was ontstaan met een diepte van enkele centimeters. [geïntimeerde] heeft werkzaamheden verricht om die verstopping te verhelpen, waarna het water via de afvoer wel weer wegliep, maar door het gat in de afvoerbuis de ruimte van [appellant] instroomde.

2.5

De schade is ontdekt door dhr. [D] , die in de loods ruimte huurt naast de ruimte van [appellant] en op dat moment in het pand aanwezig was. [appellant] is gewaarschuwd en nadat hij bij zijn ruimte was aangekomen, is hij het dak opgegaan en heeft hij [geïntimeerde] van de lekkage in kennis gesteld. [geïntimeerde] heeft daarop samen met [C] provisorische maatregelen getroffen om de wateroverlast te stoppen en heeft samen met [C] beredderingswerkzaamheden uitgevoerd in de ruimte van [appellant] .

2.6

[appellant] heeft zijn schade gemeld bij zijn inboedelverzekeraar. Nadat die het verzoek om dekking voor de schade had afgewezen (omdat de zaken zich niet in een door de verzekering gedekte ruimte bevonden), heeft [appellant] [geïntimeerde] via diens aansprakelijkheidsverzekeraar (Nationale Nederlanden) aansprakelijk gesteld. Nationale Nederlanden heeft een rapport laten opstellen over de toedracht van de schadegebeurtenis en de omvang van de schade. Op basis van dat rapport heeft zij bij brief van 24 juli 2014 aansprakelijkheid van [geïntimeerde] van de hand gewezen; volgens Nationale Nederlanden kon niet vastgesteld worden of de schade aan de afvoer door haar verzekerde was veroorzaakt, of al eerder aanwezig was.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, veroordeling gevorderd van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 11.290,- te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente en proceskosten.
Hij heeft daartoe gesteld dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door bij het verhelpen van de verstopping met de steel van een bezem hard in de afvoer te porren, waardoor de buis is beschadigd.

3.2

[geïntimeerde] heeft de vordering betwist. Hij heeft ontkend met een bezemsteel in de afvoer te hebben gepord. Volgens hem heeft hij na de constatering van de verstopping met de hand vuil en een plastic zak uit de afvoer verwijderd, waarna het water weer wegliep. Hij vermoedt dat de plastic zak die hij heeft verwijderd en het daarom heen liggende vuil diende als provisorische afdichting van de afvoerleiding en dat de afvoer al vóór 7 februari 2014 was beschadigd.

3.3

De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis van 6 mei 2015 aan [appellant] bewijs opgedragen van zijn stelling dat [geïntimeerde] het gat in de afvoerbuis heeft veroorzaakt door daar met een stok of een soortgelijk voorwerp in te steken.
[appellant] heeft daarop, in aanvulling op enkele door hem al eerder in de procedure overgelegde schriftelijke verklaringen, enkele getuigen laten horen, waaronder zichzelf.
In contra-enquête heeft [geïntimeerde] zichzelf en [C] laten horen.

3.4

In zijn eindvonnis van 2 maart 2016 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen omdat hij het bewijs niet geleverd achtte. Hij heeft daarbij overwogen dat het door [appellant] geschetste scenario best waar kan zijn, maar dat dat hetzelfde gezegd kan worden van de alternatieve visie van [geïntimeerde] , en dat hij geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden om meer gewicht aan één van de twee varianten toe te kennen, hetgeen voor risico van [appellant] komt.

4
4. De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

[appellant] heeft tegen de beide vonnissen beroep ingesteld onder aanvoering van zeven grieven (genummerd 1 tot en met 7).

4.2

In grief 1 komt [appellant] op tegen de feitenvaststelling en de weergave van de standpunten van partijen door de kantonrechter. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter de feiten en de standpunten te beperkt weergegeven. Die grief faalt.
Daargelaten dat [appellant] niet (duidelijk) heeft toegelicht wat er ontbreekt aan de feitenvaststelling en de weergave van de standpunten, heeft hij bij die grief geen belang nu het hof zelf de feiten heeft vastgesteld en de standpunten van partijen (in eerste aanleg) heeft weergegeven, waarbij wordt opgemerkt dat - voor zover van belang - hieronder nog aanvullend feiten en/of stellingen in de beoordeling zullen worden betrokken.

4.3

In grief 2 klaagt [appellant] erover dat de kantonrechter de bewijslast op hem heeft gelegd. Volgens [appellant] had aan [geïntimeerde] het bewijs opgedragen dienen te worden van zijn stelling dat hij alleen met de hand vuil en plastic heeft verwijderd. [appellant] stelt zich op het standpunt dat dit een zelfstandig dan wel bevrijdend verweer betreft waarvan [geïntimeerde] de bewijslast draagt.

Die grief faalt, want miskent dat het verweer niet een bevrijdend verweer betreft, maar een verweer is tegen de grondslag van de vordering van [appellant] ; met het verweer betwist [geïntimeerde] de feiten en omstandigheden over de toedracht waarop [appellant] zijn vordering heeft gebaseerd en daarmee dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Naar de hoofdregel van bewijslastverdeling (artikel 150 Rv) rust daarom op [appellant] de bewijslast van zijn stellingen over de toedracht.

4.4

De grieven 3 tot en met 6 richten zich alle tegen de bewijswaardering door de kantonrechter en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij leggen in volle omvang de vraag voor of [appellant] het bewijs heeft geleverd dat [geïntimeerde] het gat in de afvoerbuis heeft veroorzaakt door daar met een bezemsteel in te porren.

4.5

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat [appellant] dat bewijs wél heeft geleverd. Het hof neemt daartoe de volgende feiten en omstandigheden, bezien in hun onderlinge verband en samenhang, in aanmerking:

a.) [geïntimeerde] heeft op 7 februari 2014 schoonmaakwerkzaamheden uitgevoerd op het dak;
b.) hij heeft een verstopping geconstateerd van een afvoerbuis die zich bevond boven de door [appellant] gehuurde ruimte;
c.) hij heeft werkzaamheden verricht om die verstopping te verhelpen;
d.) die werkzaamheden hebben erin geresulteerd dat het water weer werd afgevoerd;
e.) de afvoerleiding was echter beschadigd (gat), waardoor dat water lekkage heeft veroorzaakt bij [appellant] ;
f.) die beschadiging aan de buis komt, zoals [appellant] heeft aangevoerd en [geïntimeerde] heeft bevestigd, overeen met schade die ontstaat indien met de stok van een bezemsteel in de afvoerbuis gepord wordt. Enige andere mogelijke oorzaak van de beschadiging is niet naar voren gebracht;
g.) bij het verrichten van de werkzaamheden op het dak maakte [geïntimeerde] gebruik van een bezem;
h.) [D] heeft als getuige verklaard dat, toen hij na de ontdekking van de waterschade in de door [appellant] gehuurde ruimte bezig was om de schade te beperken, twee mensen de ruimte binnen kwamen. [D] verklaart vervolgens:
“Ik vroeg hen wat er gebeurd was. Een van de twee zei dat ze met de achterkant van een bezemsteel te hard in een afvoerbuis hadden zitten beuken/porren”;

i.) [appellant] heeft verschillende schriftelijke verklaringen overgelegd (producties 6 tot en met 10 bij dagvaarding in eerste aanleg) van personen die verklaren dat hun niet bekend is dat er voor 7 februari 2014 sprake was van lekkage in de loods. Het betreft verklaringen van de heer [E] en mevr. [F] (verhuurders), [G] en [H] (huurders van ruimte in dezelfde loods), [I] , meergenoemde [D] en [J] (partner van [appellant] ). Verder hebben [J] en [K] (vader van [appellant] ), als getuige gehoord, (nogmaals) bevestigd dat zij niet bekend zijn met een eerdere lekkage terwijl [J] gemiddeld een keer per twee weken en [K] senior daar twee keer per week kwam.

4.6

De (chronologie van de) feiten onder sub a.) tot en met e.) maken het waarschijnlijk dat de schade is ontstaan tijdens de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden.

4.7

De feiten en omstandigheden onder sub f.) en g.) maken het waarschijnlijk dat die schade is ontstaan doordat [geïntimeerde] met de steel van een bezem heeft gepord in de afvoerleiding.

4.8

Uit de verklaring van [D] (sub h.) blijkt dat [geïntimeerde] (of [C] ) heeft bevestigd dat de schade inderdaad op die waarschijnlijke manier (door [geïntimeerde] ) is veroorzaakt.

Het hof ziet, anders dan [geïntimeerde] , geen enkele aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [D] te twijfelen. Integendeel, het ligt niet voor de hand dat [D] zonder daarover door [geïntimeerde] (of [C] ) te zijn geïnformeerd zou hebben kunnen denken dat de beschadiging van de afvoerleiding zou zijn ontstaan door het daarin porren met een bezemsteel. Weliswaar heeft [appellant] als getuige verklaard dat [C] tegen hem (alleen) heeft gezegd: “dat hadden we vooraf beter kunnen controleren”, maar dat doet geen afbreuk aan de verklaring van [D] ; uit niets blijkt dat de verklaringen van [D] en [appellant] betrekking hebben op dezelfde uitlating. Dat maakt het zeer wel mogelijk dat [geïntimeerde] en/of [C] niet gelijkluidend tegenover [D] en [appellant] heeft/hebben verklaard. Dat is op zichzelf ook niet vreemd of ongeloofwaardig.

4.9

De verklaringen sub i.) tenslotte ondersteunen dat de schade niet al eerder aanwezig was.

Daarbij merkt het hof op dat het verklaringen betreft van personen die geacht kunnen worden bekend te zijn met de situatie in de loods. [geïntimeerde] heeft weliswaar betwist dat er niet eerder sprake zou zijn geweest van lekkage, maar hij heeft, tegenover de verschillende daarover afgelegde verklaringen, die stelling verder op geen enkele wijze onderbouwd, zodat geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen.

4.10

Het hof acht, in het licht van het vorenstaande, maar ook op zichzelf beschouwd, de verklaring die [geïntimeerde] heeft gegeven over de toedracht dermate onwaarschijnlijk dat daaraan voorbij wordt gegaan. Het hof acht niet geloofwaardig dat, als inderdaad al eerder een gat in de afvoer zou zijn ontstaan en hierdoor lekkage was ontstaan, de afvoer alleen provisorisch, met een plastic zak en wat vuil, zou zijn afgedicht. In dat geval had voor de hand gelegen dat die beschadiging, gezien ook de aard en ernst van de daardoor te verwachten wateroverlast, via inschakeling van de verhuurder op een professionele manier zou zijn verholpen.

4.11

Het hof gaat voorbij aan het aanbod van [geïntimeerde] in hoger beroep om aanvullend tegenbewijs te leveren. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg al gebruik gemaakt van de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren. Zijn aanbod in hoger beroep is, afgezien van het nog nader horen van [geïntimeerde] en [C] , verder niet op enigerlei wijze gespecificeerd, hetgeen in dit stadium van de procedure, na uitvoerige bewijslevering in eerste aanleg, wel van hem verlangd had mogen worden. Voor het nader horen van [geïntimeerde] en [C] acht het hof verder geen grond aanwezig; [geïntimeerde] heeft niet toegelicht wat hij en [C] nog nader zouden kunnen verklaren omtrent de feitelijke toedracht, hetgeen (eveneens) in dit stadium van de procedure wel verlangd had mogen worden (vgl. HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7245).

4.12

De grieven 3 tot en met 6 slagen derhalve.

4.13

Met het oordeel dat het bewijs is geleverd is, zoals tussen partijen niet in geschil is, tevens gegeven dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en dat hij gehouden is om [appellant] de door de waterlekkage geleden schade te vergoeden.

4.14

Met betrekking tot die schade overweegt het hof dat [appellant] zijn schade zelf heeft begroot op een bedrag van € 11.290,- incl. btw en inclusief € 1.200,- beredderingskosten. [geïntimeerde] heeft de schadebegroting van [appellant] op verschillende onderdelen betwist. Het door [appellant] overgelegde schaderapport (productie 3 bij inleidende dagvaarding) dat is opgesteld in opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] (Nationale Nederlanden) vermeldt dat de schade is begroot op € 9.000,- incl. btw en dat [appellant] daar uit pragmatische overwegingen mee akkoord is gegaan.

[appellant] heeft niet aangevoerd dat dit in het rapport onjuist is weergegeven. In die situatie ziet het hof aanleiding om de schade te begroten op een bedrag van € 9.000,- (incl. btw). Voor zover het door [geïntimeerde] tegen de vordering aangevoerde verweer ertoe strekt dat de schade op een lager bedrag zou uitkomen, geldt dat dit verweer in het licht van het aan zijn zijde opgestelde schaderapport onvoldoende is onderbouwd.

4.15

Over het toewijsbare schadebedrag is [geïntimeerde] , zoals door [appellant] is gevorderd, wettelijke rente verschuldigd vanaf 7 februari 2014, nu de verbintenis tot schadevergoeding voortvloeit uit onrechtmatige daad en die verbintenis, die strekt tot vergoeding van zaakschade, terstond opeisbaar is geworden.

4.16

Met betrekking tot de door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten overweegt het hof dat, anders dan [appellant] veronderstelt, daarop niet van toepassing is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit), omdat de hoofdvordering strekt tot nakoming door [geïntimeerde] van een op hem rustende verbintenis tot schadevergoeding en die verbintenis niet is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (art. 1 van het Besluit).
De vraag of buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd zal daarom worden beoordeeld naar het rapport BGK-integraal. Wil er sprake zijn van afzonderlijk voor

vergoeding in aanmerking komende (incasso)kosten, dan zal het moeten gaan om een vergoeding voor verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een –niet aanvaard- schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.
Het hof is niet gebleken dat daarvan sprake is. Uit de gedingstukken blijkt echter niet meer dan van een herhaalde aanmaning. Daarvoor kunnen de proceskosten geacht worden een vergoeding in te sluiten. De vordering van [appellant] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt derhalve afgewezen.

4.17

Uit het slagen van de grieven 3 tot en met 6 volgt dat ook grief 7, die strekt tot vernietiging van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, slaagt.

5
5. De slotsom

5.1

De grieven slagen grotendeels. Het tussenvonnis van 6 mei 2015 zal worden bekrachtigd, maar het eindvonnis van 2 maart 2016 zal worden vernietigd en de vordering van [appellant] zal alsnog, zij het gedeeltelijk, worden toegewezen.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 95,77

- griffierecht € 219,-

- getuigentaxen € 50,-

subtotaal verschotten € 364,77

- salaris advocaat € 1.350,- (4,5 punten x tarief € 300,- per punt)

Totaal € 1.714,77

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 96,01

- griffierecht € 314,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten x tarief II)

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


bekrachtigt het tussenvonnis van de kantonrechter te Groningen van 6 mei 2015;

vernietigt het eindvonnis van de kantonrechter te Groningen van 2 maart 2016 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 9.000,- (incl. btw), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2014 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 364,77 voor verschotten en op € 1.350,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 410,01 voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. M.E.L. Fikkers en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

24 oktober 2017.