Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9212

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
200.181.387/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Verjaring en overgangsrecht NBW. Uitleg vaststellingsovereenkomst. Belang bij vordering verklaring voor recht. Vordering tot nakoming van periodiek opeisbare verplichting tot afdracht pensioenpremie van (laatstelijk) oktober 1981 is verjaard. Opname van datum aanvang dienstverband in vaststellingsovereenkomst niet bedoeld om vast te stellen dat dienstverband toen is aangevangen, maar slechts om aanspraak op hogere vergoeding op basis van Sociaal Plan te motiveren. Belang bij gevraagde verklaring voor recht niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/175
AR 2017/5559
AR-Updates.nl 2017-1289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.181.387/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3761499 MC EXPL 15-245 BmR/842)

arrest van 24 oktober 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. R.G.M. van der Pas, kantoorhoudend te Breda,

tegen

Stichting Nederlandse Publieke Omroep,

gevestigd te Hilversum,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: NPO,

advocaat: mr. M.A. Kuyt-Fokkens, kantoorhoudend te Voorburg,

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

3 juni 2015 dat de kantonrechter in rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 september 2015,

- het arrest van 26 januari 2016,

- het proces-verbaal van comparitie na aanbrenging van 15 februari 2016,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord,

- een akte van [appellante] met een productie en een antwoordakte van NPO.

2.2

Vervolgens heeft NPO de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellante] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij arrest, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [appellante] alsnog toe te wijzen met veroordeling van NPO in de kosten van de procedure in beide instanties.

Aanvullend (bij memorie van grieven) heeft [appellante] , voor het geval ook het hof het beroep op verjaring van NPO honoreert, verzocht voor recht te verklaren dat 1 april 1978 heeft te gelden als de aanvangsdatum van de arbeidsverhouding tussen [appellante] en NPO.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.6. van het (bestreden) vonnis van 3 juni 2015 en zoals in het navolgende vermeld.

3.2

De Raad van Bestuur van de NPO heeft na consultering van de ondernemingsraad op 28 juli 2011 het besluit genomen tot implementatie van de nieuwe hoofdstructuur van de NPO. Het besluit had personele gevolgen. Ten behoeve daarvan is een Sociaal Plan Landelijke Publieke Omroepen opgesteld en van toepassing verklaard voor de periode van 1 juni 2010 t/m 31 december 2013.

3.3

Ten behoeve van de beëindiging van het dienstverband met [appellante] is tussen partijen op 13 februari 2013 een vaststellingsovereenkomst (verder: vso) ex artikel 7:900 BW overeengekomen, waarbij het dienstverband is beëindigd met ingang van 1 mei 2013 en waarbij onder meer de financiële gevolgen voor [appellante] conform het Sociaal Plan zijn geregeld. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“in overweging nemende, dat (…)

- u in dienst getreden bent bij de NPO [in] 1978, en geboren bent [in] 1953;

- u voor indiensttreding gedurende een periode van 3 jaar (1975 – 1977) op freelance basis werkzaamheden voor de NPO heeft verricht;

- uw functie van Manager MOA in het kader van deze reorganisatie komt te vervallen;

- overleg heeft plaatsgevonden over de voorwaarden en condities die gelden bij einde dienstverband;

(…)

zijn wij onderstaande regeling overeengekomen: (…)

4 Aan c.q. ten behoeve van u, zal de NPO conform het bepaalde in artikel 8 sub b. en artikel 9 van het Sociaal Plan bij einde dienstverband een bedrag betalen van € 330.776,57 bruto op grond van artikel 8 alsmede € 10.125,81 op grond van artikel 9 van het Sociaal Plan. Dit bedrag is gelijk aan respectievelijk 49 en 1,5 keer uw bruto maandsalaris per 1 januari 2013, inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. (...)

8 Wij komen met betrekking tot u alle verplichtingen na die uit het dienstverband en/of de beëindiging daarvan voortvloeien t.a.v. de Pensioenwet en/of uit de bepalingen van de geldende pensioenregeling.(…)

15 Met inachtneming van het hierboven sub 1 tot en met 14 bepaalde verlenen partijen elkaar algehele en finale kwijting over en weer. (…)”

3.4

Het Sociaal Plan bevat onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 8 Beëindiging arbeidsovereenkomst

a. a) Verplichting werkgever

ten aanzien van boventallige werknemers die niet intern kunnen worden herplaatst en met wie daarom het dienstverband wordt beëindigd, verplicht werkgever zich tot het betalen van een financiële vergoeding gebaseerd op de kantonrechtersformule, alsmede tot het aanbieden van professionele begeleiding bij het zoeken naar een nieuwe arbeidsplaats buiten de onderneming.

b) Financiële regeling (…)

Artikel 9 Additionele vergoeding freelancejaren

Freelancejaren zijn geen dienstjaren en kunnen derhalve niet meetellen voor de dienstjarentelling van de kantonrechtersformule conform artikel 8.

Aan een werknemer die met schriftelijke stukken kan aantonen binnen een termijn van minder dan 2 maanden voorafgaand aan het in dienst treden bij de huidige werkgever werkzaam te zijn geweest op basis van een opdrachtovereenkomst met de opdrachtgever – nu zijnde zijn huidige werkgever – wordt een additionele vergoeding betaald. (…)

Artikel 12 Overige financiële regelingen

a. a) Pensioenverzekering

De werknemer ontvangt bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een premievrije polis van PNO Media overeenkomstig de bepalingen van het voor de werknemer geldende pensioenreglement van werkgever. (…)

3.5

Op de arbeidsverhouding tussen partijen is van toepassing het door PNO vastgestelde Pensioenreglement PNO Pensioenregeling 1.

3.6

Het pensioenfonds hanteert ten behoeve van de ingangsdatum pensioenopbouw als datum indiensttreding van [appellante] bij NPO (althans haar rechtsvoorganger) 1 april 1981.

3.7

Bij brief van 3 december 2013 van de gemachtigde van [appellante] wordt aan NPO medegedeeld dat aanspraak wordt gemaakt op opbouw pensioenrechten over de periode 1 november 1978 tot en met 1 april 1981.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg, voor zover van belang in hoger beroep en kort samengevat, gevorderd veroordeling van NPO tot betaling van pensioenpremies aan het betrokken pensioenfonds ten behoeve van [appellante] over de periode van 1 november 1978 tot 1 april 1981, zulks onder oplegging van een dwangsom en met veroordeling van NPO in de kosten van de procedure.

4.2.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 juni 2015 die vordering afgewezen overwegende dat deze is verjaard. De kosten van de procedure zijn gecompenseerd.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

Pensioenpremie 1 november 1978 tot 1 april 1981: arbeidsovereenkomst

5.1

In de eerste grief komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat haar vordering tot aanvullende betaling van pensioenpremie over de periode van 1 november 1978 tot 1 april 1981 is verjaard.

5.2

Voor zover [appellante] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat de verplichting tot betaling zijn grondslag vindt in het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen haar en NPO per 1 april 1978 geldt het volgende.

5.3

In deze visie van [appellante] heeft NPO nagelaten haar verplichting (afdracht pensioenpremie aan het pensioenfonds) uit de per 1 april 1978 bestaande arbeidsovereenkomst na te komen. Partijen hebben zich voor wat betreft de toepasselijke verjaringsregels gebaseerd op het huidige Burgerlijk Wetboek. Uitgaande van maandelijkse opeisbaarheid van de afdracht van pensioenpremiebetalingen gaat het om de periode van 1 november 1978 tot 1 april 1981. Onder het toen toepasselijke recht gold een verjaringstermijn van 30 jaar (art. 2004 BW oud). Per 1 januari 1992 is ingevoerd het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 73 Overgangswet bleef het oude recht nog slechts gedurende één jaar van toepassing. Dat betekent dat de oude verjaringstermijn van dertig jaar door de kortere verjaringstermijn van het nieuwe recht (artikel 3: 308 BW, periodieke vorderingen, verjaringstermijn van vijf jaar) per 1 januari 1993 werd verdrongen zodat de verjaring, gelet op die kortere termijn, per 1 januari 1993 was voltooid.

5.4

[appellante] heeft nog aangevoerd dat de verjaring moet worden beoordeeld op basis van artikel 3:311 lid 1 BW. In dat artikel(lid) is bepaald:

Een rechtsvordering tot ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan of tot herstel van een tekortkoming verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de tekortkoming is ontstaan.

Indien de vordering van [appellante] al kan worden aangemerkt als een vordering tot herstel van een tekortkoming en ervan uitgaande dat [appellante] pas op 11 maart 2013 bekend is geworden met die tekortkoming, geldt echter dat ook in dit artikel is opgenomen dat de vordering in ieder geval verjaart twintig jaren nadat de tekortkoming is ontstaan. In de nu besproken grondslag van de vordering is de tekortkoming uiterlijk op 1 april 1981 ontstaan en is de vordering dus, ook op basis van artikel 3:311 lid 1 BW, per 1 april 2001 verjaard.

5.5

Op basis van de nu besproken, veronderstelde, grondslag van de vordering heeft de kantonrechter juist geoordeeld en slaagt de eerste grief niet.

Pensioenpremie 1 november 1978 tot 1 april 1981: vso

5.6

In grief 2 komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beroep van [appellante] op de vso, waarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst is aangevangen op 1 april 1978, niet afdoet aan het gegeven verjaringsoordeel.

5.7

De kantonrechter heeft de stellingen van [appellante] met betrekking tot de verschuldigde pensioenpremies over de periode van 1 november 1978 tot 1 april 1981 kennelijk aldus opgevat dat het enkele feit dat in de vso als datum aanvang dienstverband is genoemd 1 april 1978 de grondslag van de vordering (nakoming arbeidsovereenkomst) onverlet laat. Dat oordeel is begrijpelijk en in zoverre faalt grief 2.

5.8

De stellingen van [appellante] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep lijken echter ook aldus te moeten worden opgevat dat [appellante] als alternatieve of subsidiaire grond onder haar vordering heeft geschoven de stelling dat de vso zelf (en niet de arbeidsovereenkomst) de verplichting tot aanvullende pensioenpremiebetaling in het leven riep. Uitgaande van die grondslag en vaststellende dat de vso is gesloten op 13 februari 2013 geldt dat de vordering van [appellante] binnen vijf jaren na die datum is ingesteld en derhalve, hoe dan ook, niet is verjaard.

5.9

De nu te bespreken stelling van [appellante] houdt, naar het hof begrijpt, het volgende in. Op 13 februari 2013 hebben partijen de rechtstoestand tussen hen uitdrukkelijk vastgelegd in de vso. In die overeenkomst is bepaald dat het dienstverband is aangevangen op 1 april 1978. Ook is daarin (onderdeel 8) bepaald dat NPO alle verplichtingen die uit het dienstverband voortvloeien met betrekking tot de Pensioenwet en/of bepalingen uit geldende pensioenregelingen zal nakomen. De vso verplichtte aldus tot het (alsnog) betalen van de pensioenpremies aan het desbetreffende pensioenfonds over de periode van 1 november 1978 (toen [appellante] gerechtigd werd tot deelname aan het pensioenfonds) tot 1 april 1981.

5.10

NPO heeft deze uitleg van de vso bestreden stellende dat de passage "u in dienst getreden bent bij de NPO op 1 april 1978" daarin slechts is opgenomen om aldus te kunnen bewerkstelligen dat aan [appellante] op basis van het geldende Sociaal Plan een hogere uitkering kon worden verstrekt.

5.11

Voorop staat dat het voor de beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen steeds aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

5.12

Als productie 6 bij conclusie van antwoord is door NPO overgelegd het Sociaal Plan. In dat plan is neergelegd welke financiële regeling getroffen wordt voor hen met wie de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Kort gezegd is daarin opgenomen een formule om tot berekening van de toepasselijke vergoeding te komen. Die formule is gebaseerd, onder andere, op het aantal gewogen dienstjaren. Voor bepaling van de vergoeding diende aldus te worden nagegaan hoeveel dienstjaren de betrokkene had. In de vso (in artikel 9) is ook opgenomen een additionele regeling voor werknemers die kunnen aantonen dat zij, voorafgaand aan indiensttreding bij de werkgever werkzaam zijn geweest op basis van een overeenkomst van opdracht (freelance).

5.13

Op 22 januari 2013 is aan [appellante] aangeboden het concept van een beëindigingsovereenkomst op basis van dit Sociaal Plan (productie 2 bij conclusie van antwoord). Daarin was (na vergissing op dat punt in een eerdere versie) thans als datum indiensttreding opgenomen 1 april 1981. Als vergoeding ex artikel 8 Sociaal Plan was daarin opgenomen een bedrag van € 310.524,94. Als additionele vergoeding op basis van artikel 9 Sociaal Plan (freelancejaren) was daarin voorzien in betaling van een bedrag van € 20.251,63.

5.14

[appellante] heeft op 1 februari 2013 op dit voorstel gereageerd (productie 6 bij conclusie van antwoord) met de mededeling dat zij in zes jaren voorafgaand aan 1 april 1981 werkzaam was geweest op basis van (elkaar opvolgende) arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. In reactie daarop heeft mevrouw [B] (hoofd Personeel & Organisatie van NPO) op 1 februari 2013 aan [appellante] laten weten (productie 8 bij conclusie van antwoord) te betwisten dat voorafgaand aan 1 april 1981 sprake is geweest van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Tevens heeft zij aan [appellante] bericht:

“Desalniettemin zijn wij bereid je tegemoet te komen. Ik stel voor de eerste drie freelancejaren conform het bepaalde in artikel 9 Sociaal Plan te honoreren met een vergoeding van 1.5 maandsalaris. De tweede drie conform artikel 8 van het Sociaal Plan met drie maanden. Je totale vergoeding komt dan uit op 49 plus 1.5. maand is 50,5 maandsalarissen.”

5.15

Bij mailbericht van 4 februari 2013 heeft [appellante] aan [B] laten weten:

“Ik aanvaard het voorstel en ben van mening dat het recht doet aan de situatie.”

Op 13 februari is vervolgens de definitieve versie van de vso opgemaakt en ondertekend. Daarin is als datum indiensttreding genoemd 1 april 1978, is het op basis van artikel 8 Sociaal Plan te betalen bedrag verhoogd naar € 330.776,57 en is het op basis van artikel 9 Sociaal Plan (freelancejaren) te betalen bedrag verlaagd naar € 10.125,81.

5.16

Uit de aldus beschreven gang van zaken blijkt dat NPO in het kader van de onderhandelingen over de toepassing van het Sociaal Plan op [appellante] en de op basis daarvan op te maken vaststellingsovereenkomst bereid is geweest [appellante] te behandelen alsof zij reeds vanaf 1 april 1978 in dienst was zodat haar op basis van het Sociaal Plan een hogere vergoeding kon worden toegekend. Uit de beschreven gang van zaken blijkt niet dat de pensioensituatie van [appellante] aan de orde is geweest. Dat zulks anderszins uitdrukkelijk het geval geweest is heeft [appellante] niet gesteld. Kortom, uitleg van de vso leidt ertoe vast te stellen dat de datum van 1 april 1978 niet in de vso terecht is gekomen op basis van erkenning zijdens NPO van het daadwerkelijk bestaan van een dienstverband met NPO reeds vanaf 1 april 1978, maar slechts als rekendatum voor toekenning van de vergoeding van de artikelen 8 en 9 van het Sociaal Plan.

5.17

Uit het voorgaande volgt dat grief 2 niet slaagt.

Innerlijke tegenstrijdigheid vonnis waarvan beroep

5.18

In grief 3 betoogt [appellante] dat de kantonrechter zichzelf in zijn rechtsoverweging 4.3 tegenspreekt door enerzijds te overwegen er "veronderstellenderwijs" van uit te gaan dat sprake is geweest van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd vanaf 1 april 1978 tot 1 april 1981, maar anderzijds te overwegen dat de arbeidsovereenkomst met pensioenregeling in 1978 tot stand kwam.

5.19

De derde grief berust op een verkeerde lezing van het vonnis van de kantonrechter. In de aangevallen rechtsoverweging 4.3 heeft de kantonrechter tot uitgangspunt voor beoordeling genomen de hypothese dat, zoals [appellante] heeft gesteld, per 1 april 1978 sprake is geweest van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Bij de beoordeling van de aanvangsdatum van de door de kantonrechter genoemde verjaringstermijn van vijf jaren heeft hij ter verdere beoordeling als hypothese overwogen dat als aanvangsdatum van de opeisbaarheid van de vordering heeft te gelden de door [appellante] genoemde datum van 1 april 1978, zijnde aanvang dienstverband volgens [appellante] en dus zijnde de te beoordelen datum binnen de geformuleerde hypothese. Van een onvoorwaardelijk, buiten de besproken hypothese liggend, oordeel dát het dienstverband in 1978 is aangevangen is geen sprake. De grief faalt.

Nadere vorderingen van [appellante]

5.20

Aanvullend (bij memorie van grieven) heeft [appellante] , voor het geval ook het hof het beroep op verjaring van NPO honoreert, verzocht voor recht te verklaren dat 1 april 1978 heeft te gelden als de aanvangsdatum van de arbeidsverhouding tussen [appellante] en NPO.

5.21

In het midden wordt gelaten of deze nadere vordering moet worden opgevat als toelaatbare vermeerdering van eis of toelaatbare nadere grief. [appellante] stelt wel belang te hebben bij beoordeling van haar vordering, maar zij vermeldt niet welk belang dat dan is. Dat belang is ook niet zo evident dat afzonderlijke benoeming ervan achterwege gelaten kon worden. Beoordeling van de vordering kan immers niet leiden tot een andere in deze zaak vast te stellen rechtsbetrekking tussen partijen nu de aanspraken van [appellante] jegens NPO, al uitgaande van het bestaan van een arbeidsovereenkomst per 1 april 1978, verjaard zijn en het reeds per 1 april 1978 bestaan van een arbeidsovereenkomst niet redengevend is geoordeeld voor de vraag of partijen in de vso (alsnog) zijn overeengekomen ervan uit te gaan dat een arbeidsovereenkomst reeds per 1 april 1978 bestond en dat NPO op basis daarvan aanvullende pensioenpremiebetalingen zou doen.

Vordering NPO

5.22

NPO, van haar kant, heeft bij memorie van antwoord verzocht, voor het geval het hof zou oordelen dat uit de desbetreffende overweging in de beëindigingsovereenkomst voor NPO de verplichting is ontstaan met terugwerkende kracht pensioenpremies af te dragen ten behoeve van [appellante] over de periode 1978 - 1981, die overeenkomst in zoverre te vernietigen.

5.23

Daargelaten de vraag of de vordering van NPO in hoger beroep voor het eerst kan worden ingesteld geldt dat aan de voorwaarde waaronder deze is ingesteld niet is voldaan. Die vordering kan op die grond buiten behandeling blijven.

6 De slotsom

6.1.

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis, onder aanvulling en verbetering van gronden, moet worden bekrachtigd.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van NPO zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 711,--

- salaris advocaat € 1.788,-- (2 punten x tarief II)

Totaal € 2.499,--.

6.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Almere van 3 juni 2015, voor zover aan hoger beroep onderworpen;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van NPO vastgesteld op € 711,-- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131,-- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. D.H de Witte, en mr. C. Hoogland en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2017.