Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:920

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
200.189.377/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Spoedappel. In kort geding is ontruiming gevorderd vanwege overlast door de huurder. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.189.377/01

(zaaknummer rechtbank 4920574 VV EXPL 16-21)

arrest van 7 februari 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M. Mulderij-Anker, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

Woningstichting SWZ,

gevestigd te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: SWZ,

advocaat: mr. B.J. van den Berg, kantoorhoudende te Zwolle.

Het hof neemt hier het tussen partijen gewezen arrest in het incident tot schorsing van uitvoerbaarheid van 7 juni 2016 over.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Na het arrest in het incident tot schorsing van uitvoerbaarheid van 7 juni 2016 heeft SWZ de memorie van antwoord (met producties) genomen.

1.2

[appellante] is niet in de gelegenheid gesteld op die producties te reageren, zodat het hof die producties buiten beschouwing zal laten. Gelet op de uitkomst van het appel is SWZ daarmee niet in haar belangen geschaad.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2. De beoordeling in eerste aanleg

2.1

SWZ heeft ontruiming gevorderd van de door [appellante] van SWZ gehuurde woning gelegen aan de [a-straat] 183 te [A] , aangezien [appellante] in voldoende ernstige mate tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichting als huurder, namelijk door vanaf december 2014 overlast te veroorzaken aan haar naaste buren (de familie [B] aan de [a-straat] 185 en mevrouw [C] aan de [a-straat] 181 en met name haar directe benedenburen, de familie [D] aan de [a-straat] 161).

2.2

Na verweer door [appellante] heeft de kantonrechter de gevorderde ontruiming toegewezen bij het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 8 april 2016.

3 De motivering van de beslissing

3.1

Aangezien niet bekend is of feitelijk reeds is ontruimd, gaat het hof uit van een voldoende spoedeisend belang van SWZ bij haar vordering.

3.2

Met grief I wordt door [appellante] opgekomen tegen rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis, voor zover daarin volgens [appellante] is overwogen (a) dat geen sprake is van een ordinaire burenruzie en dat voorbij kan worden gegaan aan het standpunt van [appellante] dat zij geen overlast veroorzaakt maar dat zij zelf overlast ondervindt, (b) dat [appellante] een ontwijkende houding aanneemt, niet inziet dat sprake is van een ernstige overlastsituatie en dat zij elk hulpaanbod heeft afgewezen en voorts (c) dat niet verder wordt ingegaan op de verklaring van de wijkagent [E] ter zitting.

Grief II is gericht tegen het niet ingaan door de kantonrechter op de door [appellante] gedane aangifte ter zake van aan haar toegebrachte overlast en op de door haar overgelegde uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2015:4760).

3.3

Vaststaat dat de naaste buren van [appellante] (de familie [B] aan de [a-straat] 185, mevrouw [C] aan de [a-straat] 181 en de familie [D] aan de [a-straat] 161) vanaf december 2014 regelmatig bij zowel SWZ als de politie hebben geklaagd over de geluidsoverlast vanuit de woning van [appellante] , waarbij deze geluidsoverlast zowel overdag als ’s avonds is gerapporteerd. Volgens deze meldingen bestaat deze geluidsoverlast uit hard kloppen/tikken/bonken, luid gepraat en geschreeuw. SWZ heeft [appellante] herhaaldelijk schriftelijk gesommeerd de geluidsoverlast te beëindigen. [appellante] heeft weliswaar - in eerste aanleg en in hoger beroep - ontkend dat zij deze overlast heeft veroorzaakt, maar dit vormt slechts een blote ontkenning en doet onvoldoende af aan de overgelegde meldingen van overlast die de naaste buren volgens hun verklaringen van [appellante] ondervonden. Dat [appellante] zelf overlast ondervindt, is weersproken door SWZ, terwijl [appellante] dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Uit de (spoed)appeldagvaarding blijkt opnieuw dat [appellante] een ontwijkende houding aanneemt en dat zij niet inziet dat sprake is van een ernstige overlastsituatie alsmede dat zij geen hulp aanvaardt (“Appellante heeft geen hulp of begeleiding nodig, het gaat goed zoals het gaat..”, randnummer 10,spoedappeldagvaarding). Anders dan [appellante] naar voren heeft gebracht, is de kantonrechter in het bestreden vonnis wel degelijk ingegaan op de verklaring van wijkagent [E] ter zitting in eerste aanleg. Onder rechtsoverweging 4.7 wordt immers overwogen: “Dat [appellante] diezelfde afwijkende en ontoegankelijke houding jegens de politie heeft ingenomen, wordt bevestigd door de ter zitting afgelegde verklaringen van de wijkagent [E] , uit wiens verklaring trouwens ook volgt, dat [appellante] ernstige overlast veroorzaakt.” Een en ander brengt mee dat naar het oordeel van het hof grief I ongegrond is.

3.4

[appellante] heeft in eerste aanleg (bij brief van haar gemachtigde van 29 maart 2016) een door haar gedane aangifte in het geding gebracht. Dit betreft een aangifte van 20 november 2015 ter zake van vernieling van een bovenlicht in haar keuken alsmede het besmeuren met eieren tegen de ruiten van de door haar van SWZ gehuurde woning. In het onderhavige geschil gaat het naar het oordeel van het hof echter om de door [appellante] gepleegde overlast. Bovendien valt de desbetreffende aangifte in het niet bij de voorshands aannemelijk geachte door [appellante] gepleegde overlast jegens haar buren. In zoverre is voor de beoordeling van het onderhavige geschil de desbetreffende aangifte onvoldoende relevant. Wat betreft de in eerste aanleg overgelegde uitspraak (van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2015:4760) rust op de rechter geen verplichting daarop in te gaan, terwijl [appellante] voor het overige onvoldoende kenbaar heeft gemaakt waarom uit deze uitspraak zou voortvloeien dat het onderhavige geschil - ter zake waarvan voldoende concreet voorshands aannemelijk is gemaakt dat [appellante] aan haar buren gedurende langere tijd geluidsoverlast heeft veroorzaakt - zich niet leent voor een behandeling in kort geding; daartoe was [appellante] wel gehouden. Aldus acht het hof ook grief II ongegrond.

3.4

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de kantonrechter op goede gronden geoordeeld dat voorshands voldoende aannemelijk is dat [appellante] dusdanig tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de huurovereenkomst dat met voldoende mate van waarschijnlijkheid aangenomen kan worden dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden en ook een belangenafweging ten nadele van [appellante] uitvalt, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellante] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten (tarief II, 2 punten).

Beslissing

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 8 april 2016;

veroordeelt [appellante] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van SWZ begroot op € 1.788,- voor geliquideerd salaris van de advocaat en € 718,- voor verschotten;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper mr. H. de Hek en mr. D.H. de Witte en is uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar op dinsdag 7 februari 2017.