Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:917

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
200.179.873/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitengerechtelijke kosten. De veertiendagenbrief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW voldoet niet aan de wettelijke vereisten, nu in die brief wordt gesommeerd tot betaling binnen veertien dagen na dagtekening van de brief, in plaats van veertien dagen na ontvangst (zie HR 25-11-2016, ECLI:NL:HR:2016:2704, rechtsoverweging 3.6.1). Nu niet is voldaan aan de eis van artikel 6:96 lid 6 BW, zal het hof de buitengerechtelijke kosten afwijzen (zie genoemd arrest, rechtsoverweging 3.6.2).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/701

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.179.873/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4157043 CV EXPL 15-5125)

arrest van 7 februari 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J. Pieters, kantoorhoudend te Sneek,

tegen

Zorgkantoor Friesland B.V.,

gevestigd te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Zorgkantoor Friesland,

advocaat: mr. W. Winkel, kantoorhoudend te Drachten.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 december 2016 hier over.

1.2

Ingevolge het voormelde tussenarrest heeft op 12 januari 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd op het overgelegde comparitiedossier.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

Als gesteld en niet weersproken staan de volgende feiten tussen partijen vast.

Op grond van een indicatie afgegeven door het CIZ kon [appellante] aanspraak maken op AWBZ-zorg. Zij heeft zich daartoe aangemeld bij Zorgkantoor Friesland en op 10 april 2011 een aanvraag gedaan voor een persoonsgebonden budget (pgb), die is gehonoreerd. Bij beschikking van 20 mei 2014 heeft Zorgkantoor Friesland het pgb beëindigd tegen

23 april 2014, omdat [appellante] haar verantwoordingsverplichtingen niet nakwam. Hieruit is een vordering tot terugbetaling ontstaan op grond van onverschuldigde betaling groot € 3.345,66. [appellante] heeft tegen voornoemd besluit bij bezwaarschrift van 22 mei 2015 (ruimschoots buiten de zeswekentermijn) een bezwaarschrift ingediend. Wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding is [appellante] bij beslissing op bezwaar van 22 juli 2015 niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaarschrift. Tegen die beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld, dat bij uitspraak van 29 februari 2016 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ongegrond is verklaard. In genoemde bestuursrechtelijke procedure wordt gesproken over een besluit van 21 mei 2014, maar in de onderhavige procedure is tussen partijen niet in geschil is dat het primaire besluit dateert van 20 mei 2014 (productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg).

2.2

Grief 1 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van Zorgkantoor Friesland, strekkende tot betaling op grond van onverschuldigde betaling van het hiervoor onder 2.1 genoemde bedrag van € 3.345,66, vermeerderd met rente en kosten, heeft toegewezen.

2.3

In de toelichting op de grief wordt erkend dat de beschikking van 20 mei 2014 waarop de vordering is gebaseerd formele rechtskracht heeft gekregen. [appellante] wijst er evenwel op dat Zorgkantoor Friesland in haar verweerschrift in de bestuursrechtelijke beroepsprocedure de toezegging heeft gedaan dat zij een goed onderbouwde verantwoording alsnog in behandeling zal nemen. In dat licht acht [appellante] het onbegrijpelijk dat Zorgkantoor Friesland niet heeft gereageerd op de verantwoordingsstukken die zij heeft toegezonden met haar bezwaarschrift. [appellante] stelt dat zij daarom haar betalingsverplichting mag opschorten.

2.4

Zorgkantoor Friesland heeft erop gewezen dat zij in bedoeld verweerschrift heeft verwezen naar haar beslissing op bezwaar van 22 juli 2015 waarin precies staat beschreven welke stukken er dienen te worden ingediend en dat door [appellante] daar nooit aan is voldaan. Het gaat om onder meer: zorgovereenkomsten, urendeclaraties en bankafschriften waaruit de betalingen aan de zorgverleners blijkt. Deze stukken ontbreken bij de stukken die met het bezwaarschrift waren toegezonden.

2.5

Ter zitting van het hof heeft de advocaat van [appellante] erkend dat de door Zorgkantoor Friesland gevraagde stukken (zie 2.4) niet als bijlagen bij het bezwaarschrift zijn meegezonden en ook nadien nimmer zijn ingediend. Het was de bedoeling dat die gegevens zouden worden nagezonden, maar dat is kennelijk nooit gebeurd, aldus de advocaat. Daarmee is de grondslag aan de grief in zoverre komen te ontvallen en sneuvelt het beroep op opschorting, wat daar verder van zij.

2.6

De grief is verder gericht tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten.

Zoals ter zitting van het hof door de raadsheer-commissaris opgemerkt, voldoet de veertiendagenbrief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW waarnaar Zorgkantoor Friesland verwijst (de brief van 6 november 2014, prod. 5 dagvaarding in eerste aanleg) niet aan de wettelijke vereisten, nu in die brief wordt gesommeerd tot betaling binnen veertien dagen na dagtekening van de brief, in plaats van veertien dagen na ontvangst (zie HR 25-11-2016, ECLI:NL:HR:2016:2704, rechtsoverweging 3.6.1). Ter zitting van het hof heeft de advocaat van Zorgkantoor Friesland, daarmee geconfronteerd, die constatering niet bestreden en heeft hij aangegeven dat Zorgkantoor Friesland zich refereert aan het oordeel van het hof. Nu niet is voldaan aan de eis van artikel 6:96 lid 6 BW, zal het hof de buitengerechtelijke kosten afwijzen (zie genoemd arrest, rechtsoverweging 3.6.2). In zoverre treft het appel doel.

2.7

Ten slotte is de grief gericht tegen de toewijzing van de wettelijke rente vanaf 22 april 2014. In zoverre berust de grief op een verkeerde lezing van het bestreden vonnis. De wettelijke rente is als gevorderd toegewezen vanaf 20 mei 2014 en is, berekend tot 21 april 2015, opgenomen in het totaal berekende bedrag. Dat het verzuim intrad op 20 mei 2014 wordt door de grief niet bestreden. In zoverre faalt de grief.

3 De slotsom

3.1

De grief slaagt slechts ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten die alsnog zullen worden afgewezen. [appellante] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van Zorgkantoor Friesland begroot op € 711,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.264,- (2 punten in tarief 1) aan geliquideerd salaris van de advocaat.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 15 juli 2015 gewezen door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, voor zover in het eerste onderdeel van het dictum een bedrag van € 4.022,46 is toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.345,66 vanaf 22 april 2015 en in zoverre op nieuw recht doende: veroordeelt [appellante] tot betaling aan Zorgkantoor Friesland van een bedrag van € 3.345,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2014;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Zorgkantoor Friesland tot aan deze uitspraak op € 711,- aan verschotten en € 1.264,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. D.J. Keur en mr. I.F. Clement en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op dinsdag 7 februari 2017.