Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9083

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
20-10-2017
Zaaknummer
21-000019-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:8242, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Passantenregeling niet van toepassing bij TBS met voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000019-16

Uitspraak d.d.: 19 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 31 december 2015 met parketnummer 05-880498-15 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

thans verblijvende in [detentieadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Verdachte is bij vonnis van de rechtbank vrijgesproken van het hem onder feit 3 ten laste gelegde. Tegen een gegeven vrijspraak is voor een verdachte geen hoger beroep mogelijk, zodat hij ter zake van dit feit niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof verdachte ter zake van feit 1 en feit 2 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 51 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de oplegging van de maatregel van TBS met voorwaarden gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. M.E. Bosman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 31 december 2015, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging.

De rechtbank heeft in haar vonnis het door verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario niet aannemelijk geacht. De verdediging heeft dit scenario bij het hof opnieuw aangevoerd. Het hof overweegt dat de verdediging daarbij geen nieuwe of andere feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht dan al in eerste aanleg was gebeurd. Er is geen sprake van aannemelijk geworden feiten en omstandigheden die het alternatieve scenario thans wel zouden kunnen ondersteunen. Het hof acht evenals de rechtbank, het alternatieve scenario op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie van de feiten op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis daarom bevestigen, behalve voor zover het betreft de strafoplegging.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal vordert een gevangenisstraf van 51 maanden. De advocaat-generaal heeft verder gevorderd dat het hof aan verdachte de TBS-maatregel met voorwaarden oplegt, met de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden en met daarnaast drie extra voorwaarden: een contactverbod met de jongste dochter van verdachte, een verbod op contact met minderjarigen indien en voor zover dit contact zonder toestemming van behandelaars/reclassering en buiten aanwezigheid van professioneel toezicht plaatsvindt en het nakomen van eventuele beperkingen die behandelaars/reclassering stellen met betrekking tot het gebruik van telefoon, computer en andere gegevensdragers. De advocaat-generaal acht het niet wenselijk dat verdachte in vrijheid wordt gesteld alvorens zijn opname in de FPK te [plaats 1] aanvangt. De duur van de gevorderde gevangenisstraf is daarom gelijk aan de tijd dat verdachte tot op de datum van de uitspraak in voorlopige hechtenis heeft gezeten, vermeerderd met de maximale wachttijd (drie maanden) van verdachte voor opname in de FPK te [plaats 1] , rekening houdend met een voorwaardelijke invrijheidsstelling na het uitzitten van twee derde deel van de gevangenisstraf.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wil meewerken aan een behandeling, maar een TBS met voorwaarden is volgens hem niet noodzakelijk. De voorkeur van de verdediging gaat uit naar een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Gelet op de gezondheidstoestand van verdachte, gaat zijn voorkeur uit naar behandeling in de FPA [naam] te [plaats 2] , dichterbij de woonplaats van de vrouw van verdachte dan de FPK te [plaats 1] .

Overwegingen van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn dochter, die toentertijd tussen de zes en negen jaar oud was. Verdachte heeft zijn dochter betast en haar handen vastgepakt om zich door haar te laten betasten. De verdachte heeft door zo te handelen op grove wijze misbruik gemaakt van de afhankelijke positie die zijn jonge dochter innam tegenover hem als haar vader. In plaats van haar veiligheid en geborgenheid te bieden, heeft hij haar misbruikt voor het bevredigen van zijn seksuele lusten. Daarnaast heeft hij kinderpornografische foto’s van haar gemaakt. Hij heeft deze foto’s verspreid. De verdachte heeft zowel door de ontucht als door het maken en verspreiden van de kinderpornografische foto’s ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het zeer jonge meisje. De ervaring leert dat kinderen die het slachtoffer zijn geworden van een zedenmisdrijf daar nog langdurig psychische schade van kunnen ondervinden.

Het hof heeft bij de strafoplegging in ogenschouw genomen dat de ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden in verschillende periodes en in een lang tijdsbestek, en dat de kinderpornografische foto’s gemaakt zijn na de uithuisplaatsing van [dochter] , toen zij weer opnieuw bij verdachte en zijn vrouw in huis kwam wonen. Verdachte heeft bovendien eerder een langdurige gevangenisstraf uitgezeten voor seksueel misbruik van een van zijn andere dochters. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om nu weer de fout in te gaan.

Het hof is om voornoemde redenen van oordeel dat thans in ieder geval een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd dient te worden.

Het hof heeft kennis genomen van - onder meer - de volgende omtrent verdachte opgemaakte rapportages en adviezen:

- een Pro Justitia rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 29 mei 2017, opgemaakt door [onderzoeker 1] , psychiater en [onderzoeker 2] , klinisch psycholoog;

- een reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland van 8 augustus 2017, opgemaakt door [deskundige] .

In het rapport van het PBC van 29 mei 2017 komen de onderzoekers onder meer tot de volgende bevindingen en conclusies:

‘Dit onderzoek leidt tot de conclusie, dat het functioneren van betrokkene sterk gekleurd wordt door een ernstige persoonlijkheidsstoornis. (…)

[In termen van de DSM-5 een persoonlijkheidsstoornis anders gespecificeerd met voornamelijk narcistische, maar ook antisociale en afhankelijke kenmerken.] (…)

De ander lijkt meer een object (ding met functie) dan een subject (persoon met eigen

belangen). Mede hierdoor is het voor betrokkene onmogelijk reliëf aan te brengen in de beschrijving van voor hem belangrijke anderen, zoals zijn echtgenote. Er is bij betrokkene sprake van een ernstig gebrek in aanvoelen van grenzen tussen hem en de ander, zo ook op seksueel gebied (zie verder). Een geïnternaliseerd moreel kompas ontbreekt.(…)

Het spreken van betrokkene staat niet in het teken van het schetsen van zijn beleefde waarheid, maar in het teken van het creëren van een zo gunstig mogelijk beeld, ook als dit geen verband houdt met de ten laste gelegde feiten. Om dit beeld te creëren, schuwt betrokkene het niet om anderen, waaronder zijn kinderen, zwart af te schilderen. Hij voelt de spanning niet aan, die deze strategie oplevert bij de luisteraar. Betrokkene lijkt niet in staat te kijken naar eigen aandeel in het ontstaan van problemen. (…)

Dan blijkt dat betrokkene geen innerlijke grenzen over moet gaan om conventionele grenzen rondom seksualiteit te overschrijden in zijn spreken. Dit grenzeloze wordt gezien als uiting van de diffuse identiteit van betrokkene en het ontbreken van een sturend moreel kompas. Verder zijn er geen aanwijzingen voor een voortdurend aangejaagde seksuele drift en er zijn geen aanwijzingen voor een voortdurende gerichtheid op seksualiteit. Dit maakt dat onderzoekers onvoldoende argumenten hebben om een separate seksuele stoornis te classificeren, die de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek overstijgt en los daarvan moet worden gesteld. Grenzeloosheid, de ander als object en een beperkt moreel kompas worden dus ook gezien in de seksualiteitsbeleving van betrokkene, maar dit betreffen eveneens aspecten van zijn persoonlijkheid. (…)

De diagnostische beschrijving is een beschrijving van het duurzame functioneren van betrokkene ten tijde en was dan ook actueel ten tijde van de ten laste gelegde feiten. (…)

Onderzoekers zien dus een belangrijke mate van doorwerking van de geschetste

persoonlijkheidsproblematiek en daarmee samenhangende seksualiteitsbeleving in de totstandkoming van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen geacht. De aanwezigheid van een adequate impulscontrole en voldoende kennis van wat mag en niet mag, mede door eerdere ervaringen met justitie, maken dat betrokkene echter niet geheel 'geleefd' werd door impulsen en driften. Om die reden wordt geadviseerd betrokkene de ten laste gelegde feiten verminderd toe te rekenen, waarbij deze doorwerking als substantieel maar niet als (nagenoeg) alles bepalend wordt gezien. (…)

Gezien de context waarin het risico zich kan manifesteren niet op korte termijn aanwezig is, wordt het risico op korte termijn laag geacht, terwijl dit risico op langere termijn sterk toeneemt. Hierbij dient men in ogenschouw te nemen dat de context van betrokkene in belangrijke mate gevormd wordt door mensen die overtuigd zijn van de onschuld van betrokkene. Dan wordt gedacht aan zijn vrouw, maar ook aan mensen uit de geloofsgemeenschap. Er zijn geen eigen kinderen meer in het gezin van betrokkene. Wel is er een kleinkind. In de strafstukken lijkt naar voren te komen dat er op erotische wijze over dit kleinkind wordt gesproken. Dit baart zorgen. (…)

Een dergelijke behandeling, gericht op het organiseren van een extern risicomanagement, zou vanuit een FPA vormgegeven kunnen worden binnen het kader van bijzondere voorwaarden. Onderzoekers zijn zich bewust van het feit dat een voorwaardelijk kader als keerzijde een restant gevangenisstraf nodig heeft, als niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Mocht uw rechtbank bijzondere voorwaarden om die reden niet toereikend achten om het geschetste en ter preventie van recidive noodzakelijke behandeltraject in te gaan, dan kan de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden overwogen worden. Deze voorwaarden betreffen dan hetzelfde behandeladvies, als primair in het kader van bijzondere voorwaarden geadviseerd wordt.’

Het hof kent betekenis toe aan de conclusies van de deskundigen en neemt deze over. Het hof stelt vast dat er bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens. Daarnaast gaat het hof ervan uit dat de ziekelijke stoornis bij verdachte aanwezig was ten tijde van het plegen van de delicten. Het hof acht de verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.

In het recente reclasseringsrapport wordt – gelet op het rapport van het PBC – geadviseerd aan verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen, waaronder de voorwaarde van opname van verdachte in de FPK te [plaats 1] .

De IFZ heeft verdachte geïndiceerd en aangemeld bij de FPK te [plaats 1] . Verdachte is geaccepteerd op de afdeling ‘ [naam] ’, een afdeling gericht op behandeling van zedendelinquenten.

Getuige-deskundige [deskundige] van de Reclassering Nederland heeft ter terechtzitting van 5 oktober 2017 medegedeeld dat er thans nog geen plek is voor verdachte in de FPK te [plaats 1] , maar dat vanuit de FPK te [plaats 1] is toegezegd dat na de oplegging van een TBS met voorwaarden binnen maximaal drie maanden een opname in de FPK gerealiseerd kan en zal worden. Zij heeft tevens verklaard dat de IFZ-coördinator de mogelijkheid van opname in FPA [naam] te [plaats 2] heeft onderzocht. Daarbij is mede betrokken dat [naam] een FPA is, die geen zedenbehandeling aanbiedt zoals verdachte die zou moeten volgen. De verdachte zou in dat geval dagelijks van [plaats 2] naar Deventer moeten reizen om daar ambulante behandeling te volgen bij [naam] . Alles overziende acht de IFZ-coördinator de door verdachte gewenste opname in een FPA niet toereikend. Opname in een FPK is in casu geïndiceerd, aldus mevrouw [deskundige] .

Gelet op het rapport van het PBC en op het advies van de reclassering acht het hof een behandeling van verdachte noodzakelijk. Deze behandeling zal in ieder geval in aanvang in een klinisch kader dienen plaats te vinden. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen de ernst van de stoornis van verdachte zoals deze naar voren komt uit de rapportages en de constatering dat het recidiverisico volgens het PBC-rapport op langere termijn sterk toeneemt.


De aard en ernst van de feiten en hetgeen het hof is gebleken omtrent de persoon van de verdachte maken dat het hof van oordeel is dat de, in aanvang klinische, behandeling van verdachte dient plaats te vinden in het kader van een TBS-maatregel. Het hof is van oordeel dat een behandeling in een minder gedwongen kader niet toereikend is om het recidivegevaar – ook op lange termijn – tot een aanvaardbaar niveau te laten verminderen. Het hof acht een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel dan ook niet afdoende. Op grond van de conclusies in de over verdachte uitgebrachte rapportages is het hof van oordeel dat bij de TBS dwangverpleging thans niet noodzakelijk is, maar dat een TBS met voorwaarden dient te worden opgelegd. Verdachte heeft zich bereid verklaard zich aan alle op te leggen voorwaarden te zullen houden.

Al het voorgaande in aanmerking nemende en zoals hiervoor al is overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte, bij wie tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, ter beschikking dient te worden gesteld, hetgeen mogelijk is nu de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

De TBS-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Ten aanzien van de hoogte van de daarnaast op te leggen straf overweegt het hof als volgt.

Verdachte is recidivist, gelet op de eerder genoemde veroordeling in 2004 wegens ontucht met zijn middelste dochter, waarvoor hem een gevangenisstraf van 42 maanden is opgelegd. Daarnaast komt in de verschillende rapportages naar voren dat bij verdachte een ernstige stoornis is vastgesteld, alsmede recidivegevaar. Het hof is daarom, met de advocaat-generaal, van oordeel dat moet worden voorkomen dat de verdachte onbehandeld in vrijheid wordt gesteld om vervolgens zijn behandeling af te wachten, met alle risico’s van dien.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte gedetineerd dient te blijven totdat zijn behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden kan aanvangen.

Ter terechtzitting heeft getuige-deskundige [deskundige] van de Reclassering verklaard dat de FPK te [plaats 1] thans nog geen plek heeft voor verdachte, maar dat binnen drie maanden na de uitspraakdatum van dit arrest een plek beschikbaar zal zijn. De zogeheten ‘passantenregeling’ op grond waarvan veroordeelden tot gevangenisstraf in combinatie met TBS met dwangverpleging na ommekomst van hun straf in afwachting van plaatsing in een TBS-kliniek in een huis van bewaring verblijven, is niet van toepassing indien TBS met voorwaarden wordt opgelegd. Gelet hierop ziet het hof zich genoodzaakt een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De op te leggen gevangenisstraf zal, rekening houdend met aftrek wegens vervroegde invrijheidstelling, daarom gelijk zijn aan de duur van de op de datum van de uitspraak uitgezeten voorlopige hechtenis, vermeerderd met de drie maanden - vanaf de datum van de uitspraak - die overbrugd moeten worden tot de datum van opname van verdachte in de FPK te [plaats 1] . Het hof gaat er daarbij vanuit dat verdachte dan ook daadwerkelijk binnen deze drie maanden na uitspraak geplaatst wordt in de FPK te [plaats 1] .

Alles afwegende komt het hof aldus tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 52 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

Daarbij merkt het hof op dat, het verdachte uiteraard vrijstaat om te verzoeken eerder tot plaatsing in de FPK te [plaats 1] over te gaan mocht daar eerder dan na volledige ommekomst van de op te leggen gevangenisstraf een plek voor verdachte vrijkomen.

Het is het hof duidelijk dat de verdachte kampt met (ernstige) gezondheidsproblemen. Dit geeft het hof echter geen aanleiding een andere straf of maatregel op te leggen, aangezien het hof niet is gebleken dat een adequate medische behandeling in detentie of in een FPK niet mogelijk is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 37a, 38, 38a, 38e, 57, 240b en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 52 (tweeënvijftig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld.

Stelt daarbij de volgende voorwaarden:

Algemene voorwaarden:

- Betrokkene maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

- Betrokkene begeeft zich niet zonder toestemming buiten de Europese landsgrenzen van Nederland. Betrokkene overlegt hierover vooraf met de reclassering, het Openbaar Ministerie (OM) beslist.

- Betrokkene verleent medewerking aan het verstrekken van een actuele foto aan de reclassering ten behoeve van eventuele opsporing.

- Betrokkene werkt mee aan FPT en, indien de reclassering dit nodig acht, mee aan een time-out in forensische psychiatrische instelling, zulks te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie van maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

- Betrokkene verleent medewerking aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere, maar niet uitsluitend, in:

- medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of het ter inzage aanbieden van een geldig identiteitsbewijs (als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht) ten behoeve van het vaststellen van de identiteit;

- zich melden op afspraken bij de reclassering, zo vaak de reclassering dat nodig acht;

- zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;

- medewerking verlenen aan huisbezoeken;

- inzicht geven aan de reclassering over de voortgang van begeleiding of behandeling door andere instellingen/hulpverleners;

- niet verhuizen of van adres veranderen zonder toestemming van de reclassering;

- medewerking verlenen aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht.

Bijzondere voorwaarden:

- Betrokkene laat zich opnemen in FPK [plaats 1] (of soortgelijke zorginstelling), zulks te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie, zolang de reclassering dat nodig acht. Hij volgt de aanwijzingen van de behandelaars conform de op te stellen (delictpreventieve) behandelovereenkomst en het nader te formuleren behandelplan op. Dit behandelplan zal op geëigende momenten bijgesteld en nader gespecificeerd worden;

- Betrokkene houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorginstelling aan hem geeft in het kader van de behandeling, ook als dit inhoudt het innemen van medicatie die nodig is voor de behandeling.

- Indien tijdens de behandeling een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst is, zulks ter beoordeling van de reclassering, werkt betrokkene mee aan de indicatiestelling en plaatsing. Betrokkene zal zich committeren aan het nazorgtraject waaraan te zijner tijd invulling gegeven zal gaan worden. Dit omvat tevens het kiezen van een woonplek na overleg en toestemming van de reclassering en niet van woonplek veranderen anders dan na overleg en met toestemming van de reclassering. Contact en afstemming met de wijkagent zal in de (nieuwe) woonomgeving tot stand gebracht worden;

- Betrokkene onderhoudt contact met de reclassering en verschaft zicht op de voortgang van zijn behandeling. Hij houdt zich aan aanwijzingen, welke gaandeweg de behandeling geformuleerd zullen worden, te geven door of namens de reclassering. De reclassering zal contact onderhouden met zowel de behandelaars als met veroordeelde;

- Betrokkene houdt zich aan de hem door de zorginstelling dan wel de reclassering te stellen regels met betrekking tot het gebruik van telefonie, computer en andere gegevensdragers;

- Betrokkene zal inzicht geven in zijn sociaal netwerk en medewerking verlenen, indien geïndiceerd door de behandelaars en/of reclassering, aan relatiebegeleiding;

- Betrokkene onderhoudt contact met zijn kinderen (voor zover niet verboden), kleinkinderen en echtgenote uitsluitend in overleg met en na goedkeuring van de begeleidende instanties zolang als dit noodzakelijk geacht wordt. Hij verleent zijn medewerking aan het betrekken van belangrijke personen uit zijn netwerk bij de behandeling/begeleiding, onder andere zijn vrouw;

- Betrokkene zal op geen enkele manier, middellijk dan wel onmiddellijk contact onderhouden met [dochter] ;

- Betrokkene zal op geen enkele manier, middellijk dan wel onmiddellijk contact hebben met minderjarigen zonder toestemming van behandelaars/reclassering en buiten aanwezigheid van professioneel toezicht;

- Betrokkene verschaft de reclassering zicht in zijn financiën en eventuele schulden, zolang de reclassering dat nodig acht. Hij werkt, indien geïndiceerd, mee aan begeleiding dan wel bewindvoering;

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- HTC telefoon, zwart, registratienummer 1-A-3-1.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    Packard Bell computer, zwart, registratienummer 1-A-2-9

  • -

    Samsung Gt-I9070, smartphone, zwart

  • -

    een USB-stick

  • -

    Nintendo 3DS.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. R.H. Koning, voorzitter,

mr. E. Venekatte en mr. M.J. Wasmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. Kaat, griffier,

en op 19 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 19 oktober 2017.

Tegenwoordig:

mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter,

L. Joosten - van der Veen, advocaat-generaal,

mr. R.S. Helmus, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.