Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9024

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
200.165.949
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderlijke boedelverdeling. Omvang vorderingen. Opeisbaarheid vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/390
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.165.949

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 135801)

arrest van 17 oktober 2017

in de zaak van

1 [appellant subs 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellant subs 1] ,

2 [appellante sub 2] ,

wonende te [woonplaats in buitenland] ,

hierna: [appellante sub 2]

appellanten in hoger beroep,

advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [geïntimeerde] ,

geïntimeerde in hoger beroep,

advocaat: mr. M. Tijken.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 augustus 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 23 november 2015 (met inbegrip van de bijlagen (producties 2-6) die mr. van de Lockant-Geschiere en de bijlage (productie 1) die mr. Tijken voor deze comparitie aan het hof hebben gezonden);

- akte na gehouden comparitie tevens houdende vermeerdering en wijziging van eis aan de zijde van [appellant subs 1] en [appellante sub 2] (met bijlagen A en B);

- antwoordakte, tevens houdende productie (met als bijlage één productie).

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

[appellant subs 1] en [appellante sub 2] zijn broer en zus van elkaar en kinderen uit eerste echt van [erflater] (hierna: erflater) die op [overlijdensdatum] is overleden. Bij zijn overlijden was erflater in voor hem tweede echt en onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd met [geïntimeerde] . De huwelijkse voorwaarden behelzen een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.

2.2

Erflater heeft bij testament van 27 december 2006 over zijn nalatenschap beschikt en daarbij:

 aan [geïntimeerde] een legaat gemaakt van (zijn aandeel in) de echtelijke woning en de inboedel tegen inbreng van de waarde daarvan in de nalatenschap alsmede een bedrag in geld dat nader is bepaald onder III.C in het testament. Erflater heeft bepaald dat de waardering van de goederen van zijn nalatenschap zal gebeuren in onderling overleg tussen de erfgenamen, bij gebreke van overeenstemming door een deskundige die zij in onderling overleg benoemen en bij gebreke daarvan op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter in wiens ambtsgebied de goederen zich bevinden;

 aan ieder van zijn kleinkinderen een legaat gemaakt van € 1.000,-. Dit legaat strekt in mindering op de erfdelen van hun respectieve ouders. [geïntimeerde] moet dit bedrag aan ieder van de kleinkinderen renteloos schuldig erkennen. De legaten zijn opeisbaar in de gevallen die in het testament onder III.E.1 en III.E.2 zijn genoemd (zie hierna). Over de verkrijgingen van de kleinkinderen is een bewind ingesteld dat eindigt indien de betreffende verkrijger 25 jaar wordt. Ten tijde van zijn overlijden had erflater twee kleinkinderen, kinderen van [appellant subs 1] , te weten [kleinkind A] (geboren op [geboortedatum] ) en [kleinkind B] (geboren [geboortedatum] );

 [geïntimeerde] voor 1/100 gedeelte en [appellant subs 1] en [appellante sub 2] tezamen voor het overige gedeelte tot zijn erfgenamen benoemd;

 op zijn nalatenschap de wettelijke verdeling van toepassing verklaard (artikel 4:13 en volgende Burgerlijk Wetboek);

 onder III.E.1 en III.E.2 bepaald in welke gevallen de vorderingen van zijn kinderen opeisbaar zijn. Hij heeft voor zover hier van belang onder meer bepaald:

De vorderingen van mijn afstammelingen zijn voorts opeisbaar, tenzij voldoende zekerheid wordt gesteld, indien:

(…)

(…)

(…)

mijn echtgenote haar intrek neemt in een verzorgingshuis, bejaardenoord of verpleeghuis; en voor zover de niet-opeisbaarheid een succesvol beroep op een bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging of levensonderhoud in de weg staat”;

 [geïntimeerde] tot executeur benoemd.

2.3

De wettelijke verdeling is niet ongedaan gemaakt. [appellant subs 1] en [appellante sub 2] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. [geïntimeerde] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. Zij heeft ook haar benoeming tot executeur aanvaard. Zij heeft als boedelnotaris aangewezen mr. [notaris A] , notaris te [plaatsnaam] , die [appellant subs 1] en [appellante sub 2] bij brief van 4 mei 2012 kennis heeft gegeven van de aanvaarding van zijn opdracht.

2.4

Tussen partijen zijn geschillen gerezen over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Die geschillen betreffen kort gezegd de samenstelling en omvang van de nalatenschap van erflater, de hoogte van de vorderingen van de kinderen op [geïntimeerde] en de vraag of [geïntimeerde] haar intrek heeft genomen in een verzorgingshuis, bejaardenoord of verpleeghuis en deze vorderingen en de legaten van de kleinkinderen opeisbaar zijn geworden.

2.5

Het is partijen niet gelukt tot overeenstemming te komen over de afwikkeling van de nalatenschap. [appellant subs 1] en [appellante sub 2] hebben in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [geïntimeerde] zal veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in

dezen te wijzen vonnis aan [appellant subs 1] en [appellante sub 2] de onder punt 12 van de dagvaarding genoemde informatie te verstrekken onder overlegging van bewijsmiddelen door middel van bescheiden, alles op straffe van een dwangsom;

2. ( ( [geïntimeerde] zal veroordelen) een beschrijving over te leggen van de roerende zaken van erflater die ten tijde van het overlijden van erflater aanwezig waren, de waardebepaling daarvan, alles op straffe van een dwangsom;

2. ( [geïntimeerde] zal veroordelen om binnen veertien dagen na het te dezen te wijzen vonnis mee te werken aan de waardering van de echtelijke woning en de inboedel, op de wijze als in het testament is bepaald, op straffe van een dwangsom;

2. ( [geïntimeerde] zal veroordelen om aan de beide kleinkinderen het legaat van € 1.000,- per persoon te betalen;

2. ( het bedrag zal vaststellen, dat aan [appellant subs 1] en [appellante sub 2] ieder uit de nalatenschap van hun

vader toekomt - zijnde in totaal 99% van het netto saldo van de nalatenschap na aftrek van de legaten - en [geïntimeerde] zal veroordelen om aan ieder van hen te betalen hetgeen aan hem of haar volgens vaststelling door de rechtbank toekomt, te vermeerderen met de testamentair bepaalde samengestelde rente van 6% per jaar over het verschuldigde bedrag vanaf 19 maart 2012 tot aan de datum der volledige betaling;

6. subsidiair voor geval [geïntimeerde] de wettelijke verdeling binnen drie maanden na het overlijden van erflater ongedaan mocht hebben gemaakt, de verdeling van de nalatenschap zal vaststellen, waarbij [appellant subs 1] en [appellante sub 2] in ieder geval de in de dagvaarding onder 7 genoemde inboedelgoederen toebedeeld wensen te verkrijgen.

2.5

De rechtbank heeft bij haar vonnis van 17 september 2014 alle vorderingen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

2.6

[appellant subs 1] en [appellante sub 2] komen met negen grieven op tegen het vonnis van de rechtbank van 17 september 2014 en vorderen dat het hof dit vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen in eerste aanleg van [appellant subs 1] en [appellante sub 2] zal toewijzen. [geïntimeerde] voert verweer en concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en veroordeling van [appellant subs 1] en [appellante sub 2] in de kosten van de procedure in hoger beroep.

2.7

Op de comparitie van partijen van 23 november 2015, die het hof na de memoriewisseling heeft gelast, is vervolgens geïnventariseerd wat nog nodig is voor de afwikkeling van de nalatenschap van de erflater en welke informatie beschikbaar is ter beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] haar intrek heeft genomen in een verzorgingshuis, bejaardenoord of verpleeghuis. [geïntimeerde] was niet in staat op deze comparitie te verschijnen. Het is niet gelukt tijdens de comparitie telefonisch contact met haar te leggen om te vragen of zij een CIZ-indicatie heeft. Op de comparitie zijn partijen ten slotte het volgende overeengekomen:

“1. De advocaten van partijen zullen op de kortst mogelijke termijn een afspraak maken met notaris [notaris A] om gezamenlijk te komen tot een boedelbeschrijving in de nalatenschap van de heer [erflater] en tot vaststelling van de omvang van de erfdelen en de vorderingen van de kinderen. Ter gelegenheid van het overleg met de notaris zullen partijen ook aan de orde stellen de afgifte van roerende zaken en de gegevens die nodig zijn om te bepalen of de vordering van de kinderen en kleinkinderen al opeisbaar is.

2. Indien het overleg met de notaris niet leidt tot vaststelling van de erfdelen van de kinderen zullen partijen het hof vragen daaromtrent te beslissen met het oog op de vordering tot uitbetaling van de erfdelen.”

2.8

In hun akte na de comparitie hebben [appellant subs 1] en [appellante sub 2] hun eis vermeerderd dan wel gewijzigd. Deze eiswijziging is wat de gevorderde afgifte van roerende zaken betreft te beschouwen als een vermindering van eis. De vordering inzake de waardebepaling van de postzegelverzameling is eveneens te beschouwen als een vermindering van eis; aanvankelijk vorderden [appellant subs 1] en [appellante sub 2] immers waardebepaling van alle roerende zaken. Overigens is geen sprake van een vermeerdering van eis, behoudens voor zover [appellant subs 1] en [appellante sub 2] nu ook een verklaring voor recht vorderen inzake de opeisbaarheid van de vorderingen en de legaten. Het hof zal op grond van de twee-conclusieleer voorbijgaan aan deze vermeerdering van eis, nu [geïntimeerde] daartegen uitdrukkelijk bezwaar maakt en geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die een uitzondering op die regel rechtvaardigen.

2.9

Uit de akten die na de comparitie zijn gewisseld blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de samenstelling en de omvang van de nalatenschap van de erflater op de dag van diens overlijden. De boedelnotaris heeft een concept van een akte van boedelbeschrijving gemaakt (productie A bij de akte na comparitie aan de zijde [geïntimeerde] ). Voor de completering van de boedelbeschrijving is alleen nog een taxatie nodig van de postzegelverzameling die tot de nalatenschap behoort. Partijen zijn het erover eens dat deze taxatie moet worden uitgevoerd door Postzegelveiling Leopardi te Nijverdal. Het hof begrijpt uit de stukken dat niet alle door [appellant subs 1] en [appellante sub 2] genoemde postzegelalbums door [geïntimeerde] in de nalatenschap zijn aangetroffen. Namens [geïntimeerde] is meegedeeld dat de wel aangetroffen albums zijn afgegeven. Overigens is niet meegedeeld aan wie. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen door tussenkomst van hun advocaten en indien nog nodig samen aan Postzegelveiling Leopardi opdracht te geven de waarde van de postzegelverzameling op de sterfdag van de erflater vast te stellen en het taxatierapport over te leggen.

2.10

Zodra de waarde van de postzegelverzameling is komen vast te staan kan het hof de omvang van de vorderingen/erfdelen van [appellant subs 1] en [appellante sub 2] vaststellen. Het hof verlangt dat beide partijen aan de hand van het concept van de boedelbeschrijving, de taxatie van de postzegelverzameling en met inachtneming van de relevante bepalingen in het testament van de erflater, in het bijzonder de legaten, een berekening van de omvang van deze vorderingen/erfdelen maken. Daartoe behoort ook een berekening van de grootte van het bedrag in geld dat de erflater aan [geïntimeerde] heeft gelegateerd in III.C. in zijn testament.

2.11

Op de comparitie bij de rechtbank op 15 mei 2014 zijn partijen blijkens het proces-verbaal overeengekomen dat de thans gevorderde roerende zaken indien aanwezig kunnen worden toegedeeld aan [appellant subs 1] en [appellante sub 2] . Gelet op deze afspraak zal het hof de vordering inzake de afgifte van roerende zaken afwijzen.

2.12

Partijen zijn nog steeds verdeeld over de vraag of [geïntimeerde] haar intrek heeft genomen in een verzorgingshuis, bejaardenoord of verpleeghuis en of daardoor de vorderingen van [appellant subs 1] en [appellante sub 2] en de legaten van de kleinkinderen opeisbaar zijn geworden.

2.13

Uit de stukken die in het geding zijn gebracht blijkt dat [geïntimeerde] op 3 april 2012 een overeenkomst is aangegaan met [de woonzorgvoorziening] (hierna: de stichting of de woonzorgvoorziening). Deze overeenkomst is vastgelegd in een onderhandse akte getiteld ‘OVEREENKOMST TOT WONEN EN SERVICE VOOR ONBEPAALDE TIJD’.

2.14

Blijkens deze overeenkomst verhuurt de woonzorgvoorziening aan [geïntimeerde] de woonruimte plaatselijk bekend [adres] te [plaatsnaam] en levert aan haar zorg via een erkende thuiszorgorganisatie (toegelaten instelling in de zin van de AWBZ) en verricht ten behoeve van haar servicediensten. De zorg- en dienstverlening wordt verleend mede op basis van een CIZ-indicatie [geïntimeerde] die is verwerkt en passend is binnen een bij de overeenkomst af te spreken zorgarrangement. [geïntimeerde] dient aan de woonzorgvoorziening zogenaamde woonservicekosten te betalen die inhouden de kosten voor de huur van de woonruimte, de algemene aan de woonruimte dienstbare ruimten, servicekosten voor energie (voor deze ruimten). Zij dient tevens een vergoeding te betalen voor de woonservicediensten die inhouden een vergoeding voor de algemene kosten van de serviceorganisatie, het schoonhouden van de algemene ruimten, het verzorgen van de maaltijden, kosten voor persoonlijke zorg en begeleiding, overige kosten die in relatie staan tot de hotelfunctie die de woonzorgvoorziening biedt en de kosten voor niet-AWBZ-geïndiceerde diensten. Het tarief van de woonservicekosten bedroeg in 2012 € 3.092,-, inclusief omzetbelasting (artikel 8 van de overeenkomst). De overeenkomst voorziet op verschillende plaatsen in de mogelijkheid van een indicatie op grond van de AWBZ of een wijziging van de indicatie. In artikel 5 lid 2 van de overeenkomst is bepaald:

“De cliënt is de woonzorgvoorziening de overeengekomen prijs verschuldigd voor de overeengekomen zorg, diensten en bewoning. Voor zover de kosten niet op grond van de AWBZ, de WMO of ZVW worden vergoed, dan wel indien er zich wijzigingen voordoen in de wetgeving AWBZ, WMO of ZVW, op grond waarvan de vergoeding wijzigt, dan zal de woonzorgvoorziening de verschuldigde bedragen voor zover zij niet voor vergoeding in aanmerking komen volledig en rechtstreeks bij de cliënt in rekening brengen.”

2.15

[appellant subs 1] en [appellante sub 2] stellen onweersproken dat het de bedoeling van erflater is te voorkomen dat [geïntimeerde] eerst moet interen op haar vermogen ten koste van de vorderingen van [appellant subs 1] en [appellante sub 2] alvorens zij aanspraak kan maken op een bijdrage van overheidswege. Erflater heeft voor het geval [geïntimeerde] bij intrek in het verzorgingshuis een beroep moet doen op overheidsvoorzieningen in zijn testament bepaald dat de vorderingen van de kinderen en de legaten van de kleinkinderen vervroegd opeisbaar zijn.

2.16

[appellant subs 1] en [appellante sub 2] kwalificeren deze overeenkomst en de uitvoering daarvan en de huidige situatie als het intrek nemen door [geïntimeerde] in een verzorgingshuis, als bedoeld in het testament van erflater en stellen dat aan [geïntimeerde] zorg wordt verleend op grond van een CIZ-indicatie. [geïntimeerde] betwist dat en verwijst daarvoor naar een brief van de zorgmanager van [de woonzorgvoorziening] (locatie [woonzorglocatie] ), [zorgmanager] , aan mr. Tijken van 5 maart 2013 die schrijft:

“ [de woonzorgvoorziening] is een particulier kleinschalig wooninitiatief met o.a. een locatie in [plaatsnaam] , te weten [woonzorglocatie] . Naast een aantal appartementen beschikken wij ook over een aanleunappartement aan de [adres] te [plaatsnaam] .

Bewoners van [de woonzorgvoorziening] wonen bij ons op basis van een woon-service overeenkomst. Zij huren het appartement gedurende hun verblijf. Daarnaast hebben bewoners de mogelijkheid om zorg in te kopen. Deze zorg leveren wij niet zelf, maar wordt ingekocht via de thuiszorgorganisatie BTKzorg te [plaatsnaam] .

Daarmee bevestigen wij u dat [geïntimeerde] , niet haar intrek heeft genomen in een verzorgingshuis, bejaardenoord of verpleeghuis.”

2.17

Op de comparitie bij het hof van 23 november 2015 heeft de advocaat [geïntimeerde] op de vraag van de raadsheer-commissaris of hij weet of er een CIZ-indicatie is geantwoord: “Ik heb haar dat nooit gevraagd, ik weet niet of er een CIZ-indicatie is.” In zijn akte na de comparitie is mr. Tijken op dit punt niet nader ingegaan.

2.18

Het hof is van oordeel dat de brief van [zorgmanager] gelet op de inhoud van de woonzorgovereenkomst en de mogelijkheid dat er een CIZ-indicatie is, onvoldoende is om de stellingen van [appellant subs 1] en [appellante sub 2] te passeren. Voor beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] haar intrek heeft genomen in een verzorgingshuis kan naar het oordeel van het hof mede van belang zijn of [geïntimeerde] een CIZ-indicatie heeft op grond van aanvankelijk de AWBZ en thans de Wet Langdurige Zorg (WLZ) of enige andere wettelijke regeling waarbij de eigen bijdrage mede afhankelijk wordt gesteld van het inkomen en vermogen van de verzekerde. Het hof verwijst naar artikel 3.2.5 lid 1 WLZ dat luidt:

“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde de kosten daarvan gedeeltelijk draagt. De eigen bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort, de zorg die verstrekt wordt en de wijze waarop het recht op zorg tot gelding wordt gebracht, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.”

2.19

Beantwoording van deze vraag is verder ook en zeker van belang om te kunnen oordelen in hoeverre de niet-opeisbaarheid van de vorderingen en de legaten een succesvol beroep op een bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging of levensonderhoud in de weg staat.

2.20

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] al veel eerder een duidelijk antwoord had moeten geven op de vraag of zij een CIZ-indicatie heeft. Het hof zal hieraan nog geen gevolgen verbinden en haar nog een allerlaatste maal de gelegenheid geven deze vraag te beantwoorden alsmede alle gegevens over te leggen die van belang kunnen zijn voor de vraag of zij een CIZ-indicatie heeft en of zij recht heeft op zorg waarvoor zij een eigen bijdrage moet betalen die mede afhankelijk is van haar inkomen of vermogen.

2.21

Het hof zal op grond van het vorenstaande de volgende instructies geven en elke verdere beslissing aanhouden.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

stelt partijen in de gelegenheid het in 2.9 bedoelde taxatierapport inzake de postzegelverzameling over te leggen;

stelt partijen in de gelegenheid de in 2.10 bedoelde berekening van de omvang van de vorderingen en de legaten over te leggen;

verlangt dat [geïntimeerde] de in 2.21 gestelde vraag beantwoordt en de daar bedoelde gegevens overlegt;

bepaalt dat ieder partijen de hiervoor beschreven stukken overleggen bij akte ter rolle van 14 november 2017);

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.H.H.A. Moes en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.