Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9004

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
200.223.556/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Spoedappel, weging van botsende grondrechten. Uitzendverbod wordt bekrachtigd, rectificatie is gelet op de aandacht die de zaak reeds in de media heeft gehad, niet langer gerechtvaardigd. Ook ontbreekt daarbij het spoedeisende belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/535
AR 2017/5397
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.223.556/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/178087/KG ZA 17-185)

arrest in kort geding (spoedappel) van 17 oktober 2017

in de zaak van:

1 SBS Broadcasting B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

hierna: SBS

2. Noordkaap TV Producties B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

hierna: Noordkaap,

3. [appellant3] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant3]

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk ook SBS c.s.

advocaat mr. J.A.K. van den Berg te Amsterdam.

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser

hierna: [geïntimeerde],

advocaten: mr. J. Faas te Groningen

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen van
15 september 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 21 september 2017 met grieven,

  • -

    de memorie van antwoord tevens houdende wijziging van eis van 3 oktober 2017 met producties 1 en 2,

  • -

    aanvullende producties 13 en 14 van SBS c.s., opgestuurd per emailbericht van 4 oktober 2017,

  • -

    een aanvullende productie van [geïntimeerde] , ingezonden middels H formulier, en

  • -

    het pleidooi van 5 oktober 2015, waarbij van de zijde van SBS c.s. pleitaantekeningen zijn overgelegd.

2.2

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald op het door SBS c.s. overgelegde procesdossier. Een USB stick met daarop de uitzending van het programma Stegeman op de Bres van 4 juni 2017 is desgevraagd door [geïntimeerde] aan het hof ter beschikking gesteld.

2.3

Het hoger beroep van SBS c.s. strekt ertoe, kort gezegd, dat het kortgedingvonnis van 15 september 2017 wordt vernietigd en dat [geïntimeerde] alsnog in zijn vorderingen niet ontvankelijk worden verklaard, althans dat zijn vorderingen worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.14 van het vonnis van 15 september 2015, hebben SBS c.s. grief 1 gericht. Het hof zal hierna onder 3.2 met inachtneming van deze grief en met wat in hoger beroep tussen partijen verder is komen vast te staan, mede gelet op de inhoud van de overgelegde en niet betwiste stukken en de USB-stick, waaronder de door SBS c.s. overgelegde uitgetypte weergave van de uitzending, de feiten zelf vaststellen. De grief behoeft om die reden geen inhoudelijke behandeling.

3.2

Noordkaap produceert het programma Stegeman op de Bres. Het programma wordt gepresenteerd door [appellant3] , tevens algemeen directeur van Noordkaap. SBS zendt Stegeman op de Bres uit op haar televisiezender SBS6. De uitzendingen zijn daarna terug te zien op de website van SBS.

3.3

In de uitzending van Stegeman op de Bres van 4 juni 2017 is aandacht besteed aan overschrijvingen die hebben plaatsgevonden van de rekeningen van de ouders van [geïntimeerde] naar de rekening van [geïntimeerde] . Het betreft overschrijvingen van € 50.000,- (oktober 2012),
€ 20.000,- (januari 2013), € 50.000,- (augustus 2013) en € 5.000,- (maart 2014). De eerste twee betalingen zijn verricht met gebruikmaking door [geïntimeerde] van een door de vader c.q. moeder van [geïntimeerde] ondertekende overschrijvingskaart. De laatste twee betalingen zijn verricht middels internetbankieren.

3.4

De vader van [geïntimeerde] is op 28 februari 2014 overleden. De moeder van [geïntimeerde] heeft op 11 december 2015 aangifte gedaan tegen [geïntimeerde] van verduistering van voornoemde geldbedragen. In januari 2016 heeft de politie de zaak geseponeerd. De politie heeft hiervan op 23 november 2016 mededeling gedaan aan de moeder van [geïntimeerde] . Tegen de beslissing van de officier van justitie om [geïntimeerde] niet te vervolgen is door de moeder van [geïntimeerde] een klacht ingediend bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft de klacht bij beschikking van 11 april 2017 afgewezen. Aan de afwijzing heeft het hof onder andere ten grondslag gelegd dat het een geschil betreft, waarin overwegend aspecten van civielrechtelijke aard spelen en waar bij uitstek de weg van het civiele recht een oplossing biedt.

3.5

Voorafgaand aan de uitzending en de confrontatie op 2 februari 2017 als hierna beschreven, heeft een collega van [appellant3] op 10 november 2016 [geïntimeerde] thuis bezocht, zich voordoend als belangstellende voor de aankoop van een fiets waarvoor [geïntimeerde] had geadverteerd op Marktplaats.nl.

3.6

Tijdens dit bezoek heeft deze collega met gebruikmaking van een verborgen camera beeld- en geluidsopnamen gemaakt. De buitenkant van de woning, de buitenkant van de schuur en ook de binnenkant van de schuur van [geïntimeerde] zijn daarbij in beeld gebracht. [geïntimeerde] heeft geen toestemming gegeven voor het maken van deze beeld- en/of geluidsopnamen op 10 november 2016 en ook niet voor het gebruik daarvan.

3.7

Op 2 februari 2017 heeft een andere collega van [appellant3] een afspraak met [geïntimeerde] gemaakt op een terras in zijn woonplaats [B] . De afspraak was bedoeld voor een confrontatie tussen [appellant3] en [geïntimeerde] . In de uitzending zegt de commentaarstem van [appellant3] : "Moeder [C] wordt in de strijd tegen haar eigen zoon gesteund door haar dochter [D] . Beiden willen dat ik [geïntimeerde] ga aanspreken. We hebben een val opgezet ergens in het noorden van het land, waar [geïntimeerde] woont. Op de fiets arriveert [geïntimeerde] , samen met vrouw. Mijn collega, die zich als jonge journaliste voordoet, ontvangt het stel. Het gaat zogenaamd om een interview over de bijzondere plek waar zij wonen".

3.8

Van de confrontatie op het terras zijn door de duidelijk aanwezige opnameploeg beeld- en geluidsopnamen gemaakt. Op uitnodiging van [geïntimeerde] zijn [appellant3] en zijn collega's meegegaan naar de woning van [geïntimeerde] . In de uitzending zegt de commentaarstem van [appellant3] daarover: "[geïntimeerde] beweert bewijzen te kunnen laten zien. Dat zijn waarschijnlijk dezelfde stukken die hij al eerder aan [D] heeft overhandigd en die zijn niet overtuigend. We volgen hem naar zijn woning. En als we daar zijn geeft [geïntimeerde] aan dat de cameraploeg buiten moet blijven".

In de uitzending vraagt [appellant3] voor het betreden van de woning: "Mogen zij niet mee?"

[geïntimeerde] antwoordt daarop: "Nee, laat hen maar even wachten".

[appellant3] vervolgt met de opmerking: "Dit is een collega, die weet ook alles van het dossier". Die collega is vervolgens ook mee naar binnen gegaan.

3.9

Tijdens het bezoek van [appellant3] in de woning van [geïntimeerde] zijn door die collega met gebruikmaking van een verborgen camera beeld- en geluidsopnamen gemaakt. De achtergebleven cameraploeg heeft aan de buitenzijde van de woning beeldopnamen gemaakt van het gesprek tussen [appellant3] en [geïntimeerde] . In de uitzending is te zien dat de rolluiken van de woning gesloten worden door (de echtgenote van) [geïntimeerde] en gedurende het bezoek van [appellant3] grotendeels gesloten blijven. Ook deze beeldopnamen zijn gebruikt voor de uitzending van 4 juni 2017.

3.10

Naar aanleiding van de op 2 februari 2017 gemaakte opnamen heeft de advocaat van [geïntimeerde] SBS per brief, gedateerd 9 maart 2017 aangeschreven. In de betreffende brief staat, voor zover relevant, het volgende:

"(…) Als hoogtepunt heeft de zus van cliënt u ingeschakeld om een aflevering voor een (televisie)programma te maken over haar bewering dat cliënt geld en goederen heeft gestolen van hun vader en moeder. In dat kader heeft u een afspraak laten maken met cliënt en bent u vervolgens naar de woning van cliënt gegaan, waar cliënt u enkele bewijsstukken heeft getoond.

Graag verneem ik van u of de door u gemaakte filmbeelden daadwerkelijk in een (televisie)programma zullen worden gebruikt.

Mocht u daartoe voornemens zijn, dan verzoek ik u in de aflevering zorgvuldig het beginsel van hoor- en wederhoor toe te passen. (…)"

3.11

Per e-mail gedateerd 7 april 2017 heeft Noordkaap daarop de volgende reactie gestuurd:

"Via SBS Broadcasting hebben wij uw brief in goede orde ontvangen.

De beelden die wij hebben gemaakt zullen worden gebruikt in onze nieuwe serie van het programma Stegeman op de Bres, die vanaf zondag 21 mei op de buis zal verschijnen. Het gaat om een 6-delige serie, maar het is nog onduidelijk in welke aflevering dit verhaal zal worden uitgezonden.

Logischerwijze spreekt het voor zich dat wij het journalistieke beginsel van hoor en wederhoor

toepassen in onze uitzendingen."

3.12

Door SBS is via Twitter een vooraankondiging van de uitzending verstuurd met de volgende tekst: "Hoe kun je je eigen moeder zo belazeren?".

3.13

In de uitzending van 4 juni 2017 zijn de gezichten van [geïntimeerde] en zijn echtgenote onherkenbaar gemaakt en wordt de achternaam van [geïntimeerde] en/of zijn moeder niet genoemd. Wel worden de voornamen van [geïntimeerde] en zijn moeder in de uitzending herhaaldelijk genoemd en is de naam en achternaam van de zus van [geïntimeerde] in beeld gebracht.

3.14

Op 25 juli 2017 heeft de advocaat van [geïntimeerde] gedaagden een sommatiebrief gestuurd. Gedaagden hebben bij brief van 1 augustus 2017 geantwoord dat zij niet aan de sommaties zullen voldoen.

4 Het geschil en de procedure in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, samengevat, weergegeven, gevorderd

i. dat SBS wordt veroordeeld op straffe van een dwangsom de aflevering van Stegeman op de Bres van 4 juni 2017 van alle media waarop SBS de aflevering heeft geplaatst of heeft laten plaatsen, waaronder de website van SBS, te verwijderen en verwijderd te houden, en een rectificatie te plaatsen:

- op televisie op de eerstvolgende zondag na betekening van het vonnis tussen 21:45 uur en 22:15 uur, door de rectificatietekst schermvullend en goed leesbaar in beeld te brengen en in beeld te houden totdat de tekst op neutrale toon en in normaal tempo door een voice-over door de presentator is uitgesproken zonder daarbij nader commentaar te geven, en

- op internet helemaal bovenaan de website http://sbs6.nl/programmas/stegeman-op-de-bres/, goed leesbaar in zwarte vette letters met lettertype 20, gedurende hetzelfde aantal dagen dat de uitzending na 4 juni 2017 op deze website heeft gestaan, met de rectificatietest:

RECTIFICATIE
SBS is door de rechter veroordeeld tot rectificatie van de aflevering 3 van Stegeman op de Bres van 4 juni 2017. In de uitzending hebben wij ten onrechte

een geschil tussen moeder/zus en zoon eenzijdig belicht. Ten onrechte is de zoon neergezet als persoon die van zijn oude zieke moeder grote geldbedragen heeft gestolen. SBS heeft met het uitzenden van deze aflevering onrechtmatig gehandeld ten opzichte van de zoon, door verborgen camera beelden te gebruiken, het geschil eenzijdig te belichten en onder valse voorwendselen te handelen".

ii) dat SBS c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een voorschot op immateriële schadevergoeding van € 10.000,- en de proceskosten vermeerderd met de nakosten.

4.2

Aan zijn vorderingen heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat SBS c.s. door het uitzenden van de aflevering van 4 juni 2017 onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld, omdat hij daardoor in zijn persoonlijke levenssfeer is aangetast. SBS c.s. hebben gemotiveerd bestreden dat zij onrechtmatig hebben gehandeld.

4.3

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 15 september 2015 het onder 4.1 (i) genoemde uitzendverbod toegewezen en een rectificatie bevolen - uit te zenden op televisie op de eerstvolgende zondag tussen 21:45 en 22:15 uur na betekening van het vonnis en te plaatsen op de website van SBS6 - met de volgende inhoud:

"RECTIFICATIE

SBS is door de rechter veroordeeld tot rectificatie van de aflevering 3 van Stegeman op de Bres van 4 juni 2017. In de uitzending hebben wij ten onrechte een geschil tussen moeder/zus en zoon eenzijdig belicht. Ten onrechte is de zoon neergezet als persoon die van zijn oude zieke moeder grote geldbedragen heeft gestolen. SBS heeft met het uitzenden van deze aflevering onrechtmatig gehandeld ten opzichte van de zoon".

Het gevorderde voorschot op immateriële schadevergoeding is door de voorzieningenrechter afgewezen. De voorzieningenrechter heeft SBS in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld. Ten aanzien van [appellant3] en Noordkaap heeft de voorzieningenrechter de proceskosten gecompenseerd.

4.4

De bewuste aflevering van Stegeman op de Bres is door SBS direct na het vonnis van alle media verwijderd. [geïntimeerde] heeft ermee ingestemd dat de executie van het vonnis wordt opgeschort in afwachting van de uitkomst van dit hoger beroep.

5 De beoordeling van de (overige) grieven

5.1

De (overige) acht grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De grieven 2 tot en 7 bestrijden vanuit verschillende invalshoeken het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de uitzending van de bewuste aflevering van Stegeman op de Bres jegens [geïntimeerde] onrechtmatig is. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Tegen de afwijzing van het gevorderde voorschot op vergoeding van immateriële schade is door [geïntimeerde] niet incidenteel geappelleerd, reden dat deze vordering in hoger beroep niet meer aan de orde is. [geïntimeerde] heeft zijn eis bij memorie van antwoord gewijzigd. Tegen de wijziging daarvan is door SBS c.s. geen bezwaar gemaakt. De wijziging betreft een nadere specificatie van de rectificatie en enige tekstuele aanpassingen, waarin ook het hof geen aanleiding ziet deze eiswijziging ambtshalve wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Het hof zal derhalve recht doen op de gewijzigde eis.

Uitzending onrechtmatig?

5.2

Voor het antwoord op de vraag of SBS c.s. jegens [geïntimeerde] onrechtmatig hebben gehandeld door uitzending van de aflevering van Stegeman op de Bres van 4 juni 2017 op televisie en internet, dient een afweging te worden gemaakt tussen het recht van SBS c.s. hun mening vrijelijk te uiten (artikel 10 lid 1 EVRM) en het recht van [geïntimeerde] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer (artikel 8 lid 1 EVRM). De toetsing welke van deze beide fundamentele rechten in het concrete geval zwaarder weegt, dient te geschieden aan de hand van alle omstandigheden van het geval, en met inachtneming van de noodzakelijkheids- en proportionaliteitstoets van artikel 10 lid 2 EVRM, dan wel artikel 8 lid 2 EVRM (zie onder meer HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, NJ 2012/571 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569).

5.3

Het hof betrekt bij die afweging de volgende feiten en omstandigheden.

5.4

Het programma Stegeman op de Bres wordt door SBS c.s. beschreven als een programma waarbij [appellant3] mensen helpt met zeer uiteenlopende problemen die om wat voor reden dan ook niet door politie of instanties worden geholpen. Het programma is gericht op het helpen van individuen, onder andere door de vermeende veroorzaker te confronteren met de problemen van het vermeende slachtoffer. Dat de aflevering van 4 juni 2017 van het programma Stegeman op de Bres daarnaast ook een algemeen maatschappelijk belang dient, namelijk het waarschuwen van ouderen tegen financieel misbruik door kinderen, komt in de bewuste aflevering van 4 juni 2017 niet, althans onvoldoende tot uiting. Zoals de advocaat van SBS c.s. ter zitting beaamde, is dit ook niet de context waarin het programma is geplaatst. Het programma belicht, zoals [appellant3] in het programma ook zelf aangeeft, een welles-nietes discussie tussen de moeder en zus van [geïntimeerde] enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds ter zake van de door hem verrichte betalingen van de rekening van de ouders naar hemzelf.

5.5

Het programma laat zien dat [appellant3] , gevoed door de informatie van de moeder en zus, besluit [geïntimeerde] in zijn woonplaats [B] ter verantwoording te roepen. Onder valse voorwendselen wordt door [appellant3] met [geïntimeerde] een afspraak gemaakt op een terras in [B] . Daar wordt hij door [appellant3] geconfronteerd met de stellingen van de moeder en zus. [geïntimeerde] nodigt vervolgens [appellant3] uit met hem mee te gaan naar zijn woning, waar hij bewijzen kan laten zien dat het geld hem is geschonken. Vaststaat dat slechts delen van het gesprek dat tussen [geïntimeerde] en [appellant3] plaatsvond in de woning van [geïntimeerde] in de bewuste aflevering zijn verwerkt. Naar hetgeen [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld, is daarin niet verwerkt het fragment van het gesprek waarin hij zegt dat een geweldsincident tussen de vader en zus de oorzaak ervan is dat de zus gedurende een periode van 24 jaar geen contact met de ouders heeft gehad. Evenmin is daarin verwerkt dat de kinderen van de zus substantiële schenkingen van de ouders hebben gehad en dat de ouders de kleding en vakanties van de zus betaalden. Ook de mede door vader ondertekende aangifte schenkingsbelasting van 3 april 2013 ten bedrage van € 50.000,- wordt niet genoemd of getoond. Een ander element dat door SBS c.s. niet is genoemd, is dat [geïntimeerde] ten behoeve van de moeder, die bij hem zou komen wonen, de woning heeft verbouwd en dat hij het geld ook niet nodig had omdat hij zelf over eigen vermogen beschikte.

5.6

Aan SBS c.s. kan worden toegegeven dat zij in beginsel vrij zijn in de vormgeving van hun programma en in de keuze van fragmenten van het bewuste gesprek. Aan SBS c.s. kan verder worden toegegeven dat de door [geïntimeerde] genoemde fragmenten niet direct ontlastend zijn voor de door de moeder en zus geuite beschuldigingen dat hij het geld heeft verduisterd. Door het weglaten van die fragmenten wordt echter een te eenzijdig beeld van het geschil tussen [geïntimeerde] en de moeder en zus gegeven. Het door [appellant3] zelf genoemde welles-nietes karakter komt in de aflevering aldus onvoldoende tot uiting. [geïntimeerde] wordt door de wijze waarop [appellant3] de moeder en zus bevraagt, namelijk met gesloten vragen en woorden in de mond leggend in combinatie met de veroordelende toonzetting van het programma door gebruik van woorden als "in de zak steken" en "oplichtingspraktijk" neergezet als een dief. Dit beeld wordt versterkt door de aan de uitzending voorafgaande aankondiging op Twitter: "hoe kun je je moeder zo belazeren?". Uit de door [geïntimeerde] overgelegde Twitterberichten, blijkt ook dat kijkers [geïntimeerde] zo zien. Daarbij komt dat SBS c.s. ook met zoveel woorden bevestigen dat het programma hint op diefstal (pt. 49 MvG).

5.7

Van beide bezoeken aan de woning van [geïntimeerde] zijn door SBS c.s. met een verborgen camera opnamen gemaakt. Ingevolge vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geldt dat het gebruik van een verborgen camera een indringende methode is, die restrictief moet worden gebruikt (zie EHRM, 13 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1013JUD003742806, Bremner/Turkije). Van restrictief gebruik is hier geen sprake. Voor beide opnamen heeft [geïntimeerde] geen toestemming gegeven, ook niet achteraf.

5.8

Ten aanzien van de opname van 10 november 2016 geldt dat door SBS ter zitting desgevraagd is bevestigd dat het uitzenden daarvan achteraf beschouwd achterwege had kunnen blijven omdat die geen bijdrage leverde aan het onderwerp, maar dat de opname wel ten doel had om zicht te krijgen op vermogensbestanddelen van [geïntimeerde] . Die beelden, in combinatie met de andere beelden en het commentaar van [appellant3] , hebben het beeld van zelfverrijking ten koste van zijn ouders versterkt. Ten aanzien van de opname op 2 februari 2017 geldt nog het volgende. Dat [geïntimeerde] aan [appellant3] toestemming zou hebben gegeven het gesprek in zijn woning op te nemen en uit te zenden, zoals SBS c.s. ter zitting hebben gesteld, volgt niet uit de schriftelijke verklaring van [appellant3] (prod. 12 SBS c.s.). [appellant3] verklaart slechts dat [geïntimeerde] en zijn vrouw zich continu volledig bewust waren van de opnamen en daartegen nooit bezwaar hebben gemaakt. Dat zij zich daarvan bewust waren, blijkt volgens SBS c.s. uit de hiervoor onder 3.10 geciteerde brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 9 maart 2017. Aannemelijk is echter dat de daarin genoemde filmbeelden, zoals [geïntimeerde] stelt, betrekking hebben op de filmbeelden die gemaakt zijn van de confrontatie op het terras in [B] en niet op de met de verborgen camera gemaakte beelden van het gesprek in de woning van [geïntimeerde] . Dat [geïntimeerde] impliciet zou hebben ingestemd met het opnemen en het uitzenden van beelden van dit gesprek, is gelet op zijn opmerking dat de cameraploeg buiten moest blijven en zijn vrouw de rolluiken dichtdeed teneinde te voorkomen dat er van buitenaf werd gefilmd, niet aannemelijk. Dat [geïntimeerde] ermee instemde een geluidsopname van het gesprek te maken, maakt dit niet anders. SBS c.s. had, gelet op hiervoor genoemde opmerking dat de cameraploeg buiten diende te blijven, niet mogen aannemen dat [geïntimeerde] ook instemde met beeldopnamen. Het argument van SBS c.s. dat uit de beelden het weerwoord van [geïntimeerde] blijkt, mist eveneens relevantie al was het maar vanwege het weglaten van onderdelen van het gesprek die een genuanceerder en meer evenwichtig beeld van de zaak hadden kunnen geven.

5.9

De gezichten van [geïntimeerde] en zijn vrouw zijn in de bewuste uitzending op 4 juni 2017 onherkenbaar in beeld gebracht. Daar staat echter tegenover dat [geïntimeerde] , hetgeen door SBS c.s. niet is bestreden, in een markant huis in [B] woont. Beelden van dat huis en de omgeving waarin het is gelegen, worden in het programma herhaaldelijk getoond. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat familie, vrienden, kennissen en buurtbewoners, ondanks de aangebrachte verhulling van de identiteit van [geïntimeerde] en zijn vrouw, hen zullen herkennen door het gebruik van de beelden van de buiten- en binnenkant van de woning van [geïntimeerde] in combinatie met de beelden van het plein in [B] en de opmerking van [appellant3] dat het een vestingstadje in het Noorden van het land betreft. De in het geding gebrachte verklaring van mevrouw [E] (prod. 17 [geïntimeerde] ) vormt daarvan vooralsnog een overtuigende illustratie. Een en ander is door SBS c.s. onvoldoende gemotiveerd weersproken.

5.10

In de geschetste omstandigheden vormt het uitzenden van de met een verborgen camera gemaakte opnamen van [geïntimeerde] in het programma Stegeman op de Bres naar het voorlopig oordeel van het hof een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde] . Het belang gevrijwaard te blijven van inbreuken daarop weegt in dit geval zwaarder dan de journalistieke uitingsvrijheid en het op zichzelf legitieme en door artikel 10 EVRM beschermde, particuliere en commerciële belang van SBS c.s. een onderhoudend programma te vervaardigen. Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat het programma niet gericht is op het aan de kaak stellen van een maatschappelijke misstand. Het lijkt veeleer te gaan om een familievete waarbij de integriteit van [geïntimeerde] in twijfel wordt getrokken. Hetgeen door [geïntimeerde] als weerwoord is aangevoerd is bovendien slechts gedeeltelijk naar voren gebracht in de uitzending. Daarenboven is gebruik gemaakt van een verborgen camera, terwijl ook voor een andere wijze van informatievergaring gekozen had kunnen worden.

Voor de verbeeldingskracht van de bewuste uitzending was het naar het oordeel van het hof verder ook niet nodig de woonomgeving van [geïntimeerde] zo prominent en herhaaldelijk in beeld te brengen. Alle voorgaande feiten en omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof de aflevering van Stegeman op de Bres van 4 juni 2017 onrechtmatig jegens [geïntimeerde] . Daarmee weegt het recht van [geïntimeerde] op eerbiediging van zijn persoonlijk levenssfeer in dit geval zwaarder dan het recht van SBS c.s. op vrijheid van meningsuiting. De grieven 2 tot en met 7 falen.

Uitzendverbod

5.11

Vervolgens moet beoordeeld worden (grief 9) of het door de voorzieningenrechter toegewezen uitzendverbod in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten van [geïntimeerde] (artikel 10 lid 2 EVRM). Bij die beoordeling betrekt het hof de afweging die het hierboven heeft gemaakt. Van belang is te benadrukken dat een zwaarwegende factor bij de vaststelling van de onrechtmatigheid wordt gevormd door de veroordelende toon van het programma die te weinig recht doet aan de aard van de misstand, te weten een welles-nietes discussie in familieverband. Er zijn geen klemmende reden van publiek belang die de uitzending van beelden van de woning van [geïntimeerde] rechtvaardigen. Verder geldt dat voor de beoogde bewijsvoering het niet nodig was een verborgen camera te gebruiken, te minder nu [geïntimeerde] had ingestemd met een geluidsopname van het gesprek.

Dat [geïntimeerde] door de toonzetting van het programma en het herhaaldelijk gebruik van de met verborgen camera gemaakte beelden van zijn woonomgeving, in zijn persoonlijke levenssfeer ernstig is aangetast en dat hem dat heeft geschaad, acht het hof, mede gelet op de verklaring van [geïntimeerde] en zijn echtgenote en de overlegde Twitterberichten, voldoende aannemelijk. Dit alles afwegend is het hof met de voorzieningenrechter van oordeel dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde] een verbod van de bewuste uitzending van Stegeman op de Bres rechtvaardigt. Het spreekt voor zich dat [geïntimeerde] een spoedeisend belang heeft bij het voortduren van dit verbod.

Rectificatie

5.12

Onder grief 9 wordt door SBS c.s. tevens de door de voorzieningenrechter toegewezen rectificatie aan de orde gesteld. Zij beroepen zich daartoe op artikel 10 lid 2 EVRM en de daarin besloten liggende eis dat een beperking van hun vrijheid van meningsuiting proportioneel moet zijn aan het daarmee nagestreefde doel, te weten het herstellen van de smet die door de bewuste uitzending op de reputatie van [geïntimeerde] is geworpen.

5.13

SBS c.s. menen dat de gevorderde en toegewezen rectificatie disproportioneel is omdat, samengevat weergegeven, het zijn doel voorbijschiet nu [geïntimeerde] door zijn directe omgeving is herkend, terwijl de gevraagde rectificatie op de televisie een veel groter publiek bereikt. SBS c.s. wijzen in dit verband tevens op de tijd die is verstreken tussen de uitzending van het bewuste programma en het door dit hof te wijzen arrest. De rectificatie krijgt daardoor een punitief karakter en dient daarmee een ander doel dan voorzien in artikel 6:167 BW, het rechtzetten van feitelijke onjuistheden. Volgens SBS c.s. heeft [geïntimeerde] vanwege de publiciteit die het bestreden vonnis in de pers heeft gegenereerd en na een arrest nog zal generen, in het geheel geen belang bij een rectificatie.

5.14

Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] belang heeft bij de rectificatie, een onderscheid moet worden gemaakt tussen de toestand ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg en die ten tijde van de uitspraak in hoger beroep. Het hof is verder van oordeel, anders dan SBS c.s., dat artikel 6:167 BW niet alleen ziet op het rechtzetten van feitelijke onjuistheden, maar ook op het rechtzetten van misleidende publicaties die het gevolg zijn van onvolledigheid. In het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in het bijzonder de onvolledige uitzending van het weerwoord van [geïntimeerde] dat het negatieve beeld dat de kijker van hem krijgt bij het zien van de aflevering slechts heeft versterkt, had [geïntimeerde] in eerste aanleg voldoende belang bij de door hem gevorderde rectificatie gericht op eerherstel.

5.15

De situatie ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is echter anders. Het hof volgt SBS c.s. in hun betoog dat de gevorderde rectificatie op de televisie in het licht van de door hen aangevoerde omstandigheden, die door [geïntimeerde] niet of nauwelijks zijn weersproken, niet proportioneel is. Hierbij komt dat inmiddels geruime tijd is verstreken sinds de uitzending op 4 juni 2017 en de smet op de reputatie van [geïntimeerde] door alle aandacht die deze zaak ten gevolge van het bestreden vonnis reeds in de media heeft gehad, voldoende is hersteld.

Het (spoedeisende) belang bij de rectificatie ontbreekt daarom. De gevorderde rectificatie zal alsnog worden afgewezen.

Onderscheid [appellant3] , Noordkaap en SBS

5.16

Met grief 8 komen SBS c.s. op tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om de proceskosten tussen [geïntimeerde] enerzijds en [appellant3] en Noordkaap anderzijds te compenseren. Die grief slaagt. Nu de vorderingen jegens [appellant3] en Noordkaap zijn afgewezen had de voorzieningenrechter [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant3] en Noordkaap moeten veroordelen. Het hof begroot deze kosten op nihil nu [appellant3] en Noordkaap niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun advocaat, die ook namens SBS optrad, voor hen extra kosten hebben gemaakt.

6 Slotsom

De grieven in het hoger beroep slagen alleen wat betreft de rectificatie en de proceskostenveroordeling. Het hof zal het vonnis voor het overige bekrachtigen.

Omdat de grief wat betreft de proceskostenveroordeling geen materieel belang heeft, en [appellant3] en Noordkaap ook in hoger beroep niet hebben gespecificeerd welk deel van de werkzaamheden van hun advocaat alleen aan hen is gespendeerd, zal het hof SBS c.s. als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordelen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding

- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 15 september 2017, met uitzondering van de onder 5.2 bevolen rectificatie en de onder 5.3 uitgesproken proceskostencompensatie, vernietigt het vonnis uitsluitend op deze twee punten en doet in zoverre opnieuw recht;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant3] en Noordkaap in eerste aanleg, begroot op nihil;

- veroordeelt SBS c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,- aan salaris voor de advocaat en op € 313,- voor verschotten;

- verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. R.E Weening, mr. I.F. Clement en J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
17 oktober 2017.