Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8962

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
21-002049-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwerping van een 359a Sv-verweer en van een vijftal bewijsverweren. Verdachte heeft zich, in enkele gevallen samen met (een van) zijn broer(s), schuldig gemaakt aan twee Opiumwetdelicten, tweemaal (gewoonte)witwassen, valsheid in geschrift en gebruikmaken van een vals geschrift. Het hof veroordeelt hem tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf en verklaart tevens het huis van verdachte verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002049-15

Uitspraak d.d.: 27 september 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 maart 2015 met parketnummer 07-690541-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [plaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor de feiten 1 tot en met 5 tot gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en tot verbeurdverklaring van de woning op het adres [woonadres] te [plaats] . Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. M.J. van Essen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft in voormeld vonnis de verdachte vrijgesproken van feit 4 en heeft de verdachte voor de feiten 1, 2,3 en 5 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast van het onder verdachte inbeslaggenomen het woonhuis aan het [woonadres] te [plaats] .

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

In hoger beroep heeft de raadsvrouw het verweer herhaald dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens – kort samengevat – schending van artikel 359a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op gronden zoals weergegeven in haar pleitnota en in de door haar in eerste aanleg overgelegde pleitnota. Subsidiair moet bedoelde schending volgens de raadsvrouw leiden tot uitsluiting van het bewijs van de vruchten van de ingezette dwangmiddelen.

De rechtbank heeft ten aanzien van dit verweer in haar vonnis onder meer overwogen:

"Uit het dossier leidt de rechtbank af dat verdachte in het onderzoek naar strafbare feiten die gepleegd konden zijn door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar voren gekomen is, in het bijzonder als de eigenaar van de woning aan het [woonadres] te [plaats] en als de persoon die ingeschreven staat op het adres [adres] te [plaats] . Hetgeen aan informatie over die woningen verzameld is heeft geleid tot het instellen van strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte. Van verzuimen bij het gebruik van opsporingsbevoegdheden in de onderzoeken tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] of in het onderzoek tegen verdachte is niet gebleken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren is zijn vervolging of om te beslissen dat het resultaat van genoemde onderzoek geheel of gedeeltelijk niet voor het bewijs te gebruiken is."

Het hof neemt de beslissing van de rechtbank op dit verweer over en maakt die tot de zijne, en verwerpt derhalve dit verweer. Het hof overweegt daarbij dat de raadsvrouw noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep heeft aangevoerd in welk (verdedigings-)belang verdachte door de gestelde schending is getroffen, zodat alleen al om die reden het verweer, zowel ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging als ten aanzien van de bewijsuitsluiting moet worden verworpen op grond van onvoldoende onderbouwing daarvan. Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat door de doorzoeking van de woning aan het [woonadres] te [plaats] het huisrecht van verdachte is geschonden, gaat het verweer eraan voorbij dat bij die doorzoeking is gehandeld overeenkomstig de geldende regels, zodat van schending van het huisrecht geen sprake is, terwijl verdachte op het moment van de doorzoeking nog niet op dat adres stond ingeschreven.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 05 oktober 2011 te [plaats] , (althans) in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan het [woonadres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1107 gram hennep althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 31 december 2010, te [plaats] , en/of te [plaats] en/of (elders) in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s), meermalen, althans eenmaal, een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en) afkomstig van (een) contante storting(en), te weten onder meer

- op of omstreeks 5 januari 2010 een geldbedrag van euro 2.000,- en/of

- op of omstreeks 28 januari 2010 een geldbedrag van euro 2.000,- en/of

- op of omstreeks 9 februari 2010 een geldbedrag van euro 1.000,- en/of

- op of omstreeks 12 februari 2010 een geldbedrag van euro 1.000,- en/of

- op of omstreeks 1 maart 2010 een geldbedrag van euro 5.000,- en/of

- op of omstreeks 26 mei 2010 een geldbedrag van euro 5.350,- en/of

- op of omstreeks 30 juni 2010 een geldbedrag van euro 5.600,- en/of

- op of omstreeks 21 juli 2010 een geldbedrag van euro 20.000,- en/of

- op of omstreeks 26 juli 2010 een geldbedrag van euro 6.950,- en/of

- op of omstreeks 05 oktober 2010 een geldbedrag van euro 2.000,-

en/of een of meerdere bedrag(en) betreffende overboeking(en)

- op of omstreeks 8 maart 2010 een geldbedrag van euro 3000,- , en/of

- op of omstreeks 27 mei 2010 een geldbedrag van euro 5400,-, en/of

- op of omstreeks 6 juni 2010 een geldbedrag van euro 2000,-, en/of

- op of omstreeks 30 juni 2010 een geldbedrag van euro 5700,-, en/of

- op of omstreeks 2 juli 2010 een geldbedrag van euro 800,-, en/of

- op of omstreeks 22 juli 2010 een geldbedrag van euro 20.000,-, en/of

- op of omstreeks 26 juli 2010 een geldbedrag van euro 5400,-, en/of

- op of omstreeks 12 augustus 2010 een geldbedrag van euro 1000,-, en/of

- op of omstreeks 25 augustus 2010 een geldbedrag van euro 5400,-, en/of

- op of omstreeks 5 september 2010 een geldbedrag van euro 2000,-, en/of

- op of omstreeks 31 oktober 2010 een geldbedrag van euro 2000,-, en/of

- op of omstreeks 5 december 2010 een geldbedrag van euro 1700,-

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en), gebruik gemaakt, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de maand(en) augustus 2009 en/of september 2009 te [plaats] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt of doen maken van een vals(e) of vervalst(e) werkgeversverklaring(en) afgegeven door of namens [bedrijf] , - zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken of doen gebruikmaken hierin dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) voornoemde werkgeversverklaring(en) heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken en/of overgelegd en/of doen overleggen aan Aegon Levensverzekering N.V., en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat hij, verdachte, niet werkzaam was voor en/of in dienst was van het bedrijf [bedrijf] zoals (telkens) aangegeven op de werkgeversverklaring(en),

en/of

hij op of omstreeks 25 augustus 2009 en/of 01 september 2009, althans in of omstreeks het tijdvak omvattende de maand(en) augustus 2009 en/of september 2009, te [plaats] , (althans) in de gemeente [plaats] , (en/of) elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een werkgeversverklaring afgegeven door of namens [bedrijf] (ten behoeve van het aanvragen van een hypothecaire lening) - zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken of vervalst en/of doen vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid (zakelijk weergegeven) op voornoemde werkgeversverklaring vermeld en/of doen vermelden

- dat [verdachte] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, en/of

- dat [verdachte] is aangesteld in vaste dienst, en/of

- dat er geen sprake is van een proeftijd, en/of

- dat het bruto jaarsalaris euro 42.616,92 bedraagt, en/of door ondertekening van die verklaring verklaard of doen verklaren dat die verklaring volledig naar waarheid was ingevuld,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 22 september 2009 tot en met 7 oktober 2011, te [plaats] , (althans) in de gemeente [plaats] , en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een voorwerp, te weten een woning/een pand (gelegen aan het [woonadres] kadastrale aanduiding [plaats] [nummer] ), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans meermalen, althans eenmaal, van een voorwerp, te weten een woning/een pand (gelegen aan het [woonadres] kadastrale aanduiding [plaats] [nummer] ), gebruik heeft gemaakt, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

5:
hij op of omstreeks 07 april 2011 te [plaats] , (althans) in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 586, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsverweer en overweging omtrent het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw op gronden zoals weergegeven in haar pleitnota - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat bij het ontbreken van een behoorlijk proces-verbaal waarin is aangegeven wat precies in de schuur bij het [woonadres] te [plaats] is aangetroffen en het ontbreken van het opzet van verdachte op het aanwezig hebben van hennep, verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

Op grond van een proces-verbaal in onderzoek FINECKLPD2011/PR.05.011 (paragraaf 3.4 op bladzijde 17), een bij het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming in onderzoek FINECKLPD20112 behorende bijlage, te weten de 'Kennisgeving van inbeslagneming' (bladzijde 472), alsmede een proces-verbaal met nummer PL 2600 11-110201 PR.05013, komt vast te staan dat op 5 oktober 2011 in de schuur bij de woning aan het [woonadres] te [plaats] verpakkingen zijn aangetroffen waarin plantaardig materiaal van de hennepplant, henneptoppen en gemalen henneptoppen met een totaalgewicht van 1.107 kilogram is aangetroffen en in inbeslaggenomen. Verdachte ontkent niet dat zulks het geval is. Hij heeft daarentegen aangevoerd dat, nadat in de door hem gehuurde woning aan de [adres] te [plaats] een hennepkwekerij was aangetroffen en ontmanteld, hij in het kader van de opruiming van dat pand (op last van de verhuurder) alles wat zich in dat pand bevond heeft overgebracht naar de schuur bij zijn woning aan het [woonadres] . Verdachte heeft voorts verklaard dat, terwijl hij wist van de ontruimde hennepkwekerij, bij de door hem opgeruimde voorwerpen ook zakken met troep waren die hij als 'kruidenachtig' omschrijft. Verdachte heeft onder voormelde omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, op zijn minst genomen willens en wetens de kans aanvaard dat de zakken met 'kruidenachtig' afval die afkomstig waren uit een pand waar zeer kort tevoren een hennepkwekerij in bedrijf was geweest, hennepplanten en/of delen daarvan bevatten. Bovendien heeft verdachte geen verklaring gegeven voor het tijdsverloop tussen de ontruiming van de woning aan de [adres] en het aantreffen van de hennep in de schuur van de woning van het [woonadres] , te weten zes maanden. Het hof verwerpt daarom het verweer.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw op gronden zoals weergegeven in haar pleitnota - zakelijk weergegeven - aangevoerd ten aanzien van de verweten contante stortingen en overboekingen dat deze deels hebben plaatsgevonden tussen verdachte en zijn broers onderling, terwijl verschillende familieleden van verdachte hebben verklaard dat zij geregeld onderling geld lenen en ook vanuit de inmiddels overleden vader geld is verstrekt aan een deel van de zonen. Een ander deel van de stortingen en overboekingen heeft volgens verdachte betrekking op geld van [betrokkene 1] dat verdachte op verzoek van [betrokkene 1] op zijn eigen rekening heeft gestort om het vervolgens over te boeken naar de rekening van [betrokkene 1] . Ten slotte heeft verdachte op de terechtzitting van het hof verklaard dat hij sinds zijn vijftiende heeft gewerkt, onder andere bij McDonalds en dat hij vrijwel al het daarmee door hem verdiende geld heeft opgespaard. Dit geld bewaarde hij thuis en zette hij niet op een bankrekening. Volgens zijn raadsvrouw heeft verdachte hiermee een afdoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring gegeven voor de herkomst van geld dat op zijn rekening is gestort en het geld dat hij van zijn rekening naar andere rekeningen heeft overgeboekt. Daarmee komt de criminele herkomst van geldbedragen te vervallen en moet verdachte worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

De rechtbank heeft in haar vonnis onder meer overwogen:

"Uit de gegevens van de belastingdienst blijkt dat verdachte in 2007 € 11.974,- (loonheffing € 2.181,-), in 2008 € 14.939,- (loonheffing € 3.612,-), in 2009 € 27.038 (loonheffing € 7.055,-) en in 2010 € 7.334,- (loonheffing € 556,-) heeft verdiend. In totaal over vier jaar heeft verdachte netto € 47.881,- verdiend. Aan hypotheeklasten betaalde verdachte in 2010 € 960,04 per maand.

Ten aanzien van de overboeking van € 5.400,- op 28 mei 2010 naar [bedrijf] heeft verdachte verklaard dat [betrokkene 1] aan hem heeft gevraagd om dit bedrag op zijn rekening te storten en vervolgens over te schrijven naar [betrokkene 1] , omdat [betrokkene 1] zelf niet de mogelijkheid had om het bedrag te storten. Ten aanzien van de andere bedragen heeft verdachte gezwegen. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij veel spaargeld thuis had liggen en dat hij dit contant gestort heeft.

[betrokkene 1] heeft echter verklaard dat [bedrijf] in 2010 is opgericht en dat hij in november 2010 weer is gestopt, omdat hij geen opdrachten kreeg. Hij had geen werknemers in dienst en heeft het salaris niet overgemaakt. Hij had zijn bankpas uitgeleend aan [medeverdachte 1] . Uit de bankafschriften van [bedrijf] blijkt dat de enige bijschrijvingen afkomstig zijn van verdachte en dat deze bedragen kort daaropvolgend worden gestort als salaris aan [betrokkene 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en eenmaal als lening aan [medeverdachte 2] . Verder vinden er, uitgezonderd de bankkosten, geen transacties plaats.

De rechtbank is van oordeel dat de contante stortingen op de rekening van verdachte niet verklaard kunnen worden uit het inkomen van verdachte, te minder nu verdachte hypotheeklasten had. Voor de contante stortingen en vervolgens de overschrijvingen van en naar zijn rekening heeft verdachte geen concrete, verifieerbare en op voorhand niet onaannemelijke verklaring gegeven. Zijn verklaring dat hij dit geld thuis had liggen is onvoldoende en ongeloofwaardig. Ook de stelling van de raadsvrouw dat het geld afkomstig

kan zijn van de rijke vader en/of vriendin van verdachte is op geen enkele wijze nader onderbouwd. De rechtbank komt mede gelet op het onder 1 en 5 bewezenverklaarde tot de slotsom dat het niet anders kan dan dat deze bedragen van misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte met die bedragen financiële transacties verricht heeft om die oorsprong te verhullen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en dat hij, gelet op de grote hoeveelheid contante stortingen en overschrijvingen en de periode waarin dit heeft plaatsgevonden, hiervan een gewoonte heeft gemaakt."

Het hof verenigt zich met deze overweging en maakt die tot de zijne. Het hof overweegt daarnaast dat de verklaring van verdachte dat hij het door hem bij onder andere McDonalds verdiende geld thuis bewaarde en opspaarde zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, hoogst onaannemelijk is. McDonalds betaalt haar werknemers niet uit in contant geld en van het regelmatig opnemen van verdiend salaris is niet gebleken. Daarnaast acht het hof het onaannemelijk dat verdachte het geld, dat hij volgens eigen zeggen in contanten voorhanden had, eerst op zijn eigen bankrekening zou storten om het vervolgens aan zijn broer(s) over te maken. De stelling van verdachte dat hij dat deed omdat zijn broer(s) er op het moment van het beschikbaar stellen van het geld niet was/waren is zonder nadere onderbouwing, die ook ontbreekt, daartoe onvoldoende.

Het hof verwerpt het verweer derhalve.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw op gronden zoals weergegeven in haar pleitnota - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is ten laste gelegd.

Het hof is van oordeel dat de gevoerde verweren worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij nog dat, anders dan de raadsvrouw heeft gesteld, feit 3 niet slechts betrekking heeft op het stuk dat moet doorgaan voor een werkgeversverklaring d.d. 25 augustus 2009. Verdachte heeft verklaard dat hij tot driemaal toe een dergelijk stuk heeft moeten inleveren, omdat - zakelijk weergegeven - met de aanvankelijk ingeleverde exemplaren telkens iets niet in orde was. Dat dit het geval is geweest blijkt ook uit het dossier, nu op bladzijde 80 (van het dossier in zaak 1 in het onderzoek met de naam [medeverdachte 4] ), als bijlage bij de betreffende aanvraag voor een hypotheekofferte bij Aegon Levensverzekering N.V. een kopie is gevoegd van een stuk dat moet doorgaan voor een werkgeversverklaring betreffende verdachte, die op 1 september 2009 is ondertekend door [betrokkene 2] .

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, nu de door verdachte overgelegde werkgeversverklaring niet vals was en de woning derhalve niet afkomstig is uit enig misdrijf, in die zin dat de hypotheek voor de woning is verkregen met een valse werkgeversverklaring.

Gelet op de bewezenverklaring van feit 3 mist dit verweer feitelijke grondslag en wordt het door het hof verworpen.

Voor zover de raadsvrouw heeft verwezen naar de vaststelling van de rechtbank dat verdachte met de door hemzelf vervalste werkgeversverklaring rechtstreeks de hypothecaire geldlening en daarmee de woning heeft verkregen, zodat het verkrijgen van de woning niet als een witwasdelict kan worden gekwalificeerd, gaat de raadsvrouw voorbij aan hetgeen de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2015 in de zaak met nummer 13/017604 heeft overwogen.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw op gronden zoals weergegeven in haar pleitnota - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is ten laste gelegd.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

De rechtbank heeft in haar vonnis onder meer overwogen:

"Op 7 april 2011 is in de woning op de [adres] te [plaats] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met verschillende kweekruimten. In ruimte A (de woonkamer) stonden 388 planten en in ruimte B (de slaapkamer) 198 planten, totaal 586 hennepplanten. Er is geconstateerd dat er sprake was van beroeps- of bedrijfsmatig, dan wel professioneel handelen met betrekking tot de teelt van hennep en dat er meerdere eerdere oogsten zijn geweest. De planten werden getest met behulp van een ESA test testbuisje, MMC International. De test gaf een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof

in hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet.

Verdachte heeft verklaard dat hij de huurder is van [adres] , maar dat hij de woning heeft onderverhuurd aan iemand anders. Hij had nog wel sleutels van de woning.

De ex-vriendin van verdachte, [betrokkene 3] , heeft op 24 augustus 2011 verklaard dat verdachte een woning aan de [adres] in [plaats] heeft en dat in die woning een hennepplantage is aangetroffen. Zij heeft verdachte horen zeggen dat de plantage van hem is, maar dat hij de politie verteld heeft dat hij de woning onderverhuurd heeft.

De rechtbank vindt de ontkennende verklaring van verdachte ongeloofwaardig gelet op de verklaring van [betrokkene 3] en op de omstandigheid dat verdachte nauwelijks iets heeft willen zeggen over de door hem genoemde huurder van de woning."

Het hof verenigt zich met deze overweging en maakt die tot de zijne. Het hof verwerpt daarom het verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op 05 oktober 2011 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan het [woonadres] ) een hoeveelheid van in totaal 1107 gram hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2:
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 01 januari 2010 tot en met 31 december 2010, in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte geldbedragen afkomstig van contante stortingen, te weten onder meer
- op of omstreeks 5 januari 2010 een geldbedrag van euro 2.000,- en/of

- op of omstreeks 28 januari 2010 een geldbedrag van euro 2.000,- en/of

- op of omstreeks 9 februari 2010 een geldbedrag van euro 1.000,- en/of

- op of omstreeks 12 februari 2010 een geldbedrag van euro 1.000,- en/of

- op of omstreeks 1 maart 2010 een geldbedrag van euro 5.000,- en/of

- op of omstreeks 26 mei 2010 een geldbedrag van euro 5.350,- en/of

- op of omstreeks 30 juni 2010 een geldbedrag van euro 5.600,- en/of

- op of omstreeks 21 juli 2010 een geldbedrag van euro 20.000,- en/of

- op of omstreeks 26 juli 2010 een geldbedrag van euro 6.950,- en/of

- op of omstreeks 05 oktober 2010 een geldbedrag van euro 2.000,- en/of

een of meerdere bedrag(en) betreffende overboeking(en)

- op of omstreeks 8 maart 2010 een geldbedrag van euro 3000,- en/of

- op of omstreeks 27 mei 2010 een geldbedrag van euro 5400,- en/of

- op of omstreeks 6 juni 2010 een geldbedrag van euro 2000,- en/of

- op of omstreeks 30 juni 2010 een geldbedrag van euro 5700,- en/of

- op of omstreeks 2 juli 2010 een geldbedrag van euro 800,- en/of

- op of omstreeks 22 juli 2010 een geldbedrag van euro 20.000,- en/of

- op of omstreeks 26 juli 2010 een geldbedrag van euro 5400,- en/of

- op of omstreeks 12 augustus 2010 een geldbedrag van euro 1000,- en/of

- op of omstreeks 25 augustus 2010 een geldbedrag van euro 5400,- en/of

- op of omstreeks 5 september 2010 een geldbedrag van euro 2000,- en/of

- op of omstreeks 31 oktober 2010 een geldbedrag van euro 2000,- en/of

- op of omstreeks 5 december 2010 een geldbedrag van euro 1700,-

verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen terwijl verdachte telkens wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
3:
hij in de maand september 2009 te in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring afgegeven door of namens [bedrijf] , - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte voornoemde werkgeversverklaring heeft verstrekt en/of doen verstrekken aan Aegon Levensverzekering N.V., en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat hij, verdachte, niet werkzaam was voor en/of in dienst was van het bedrijf [bedrijf] zoals aangegeven op de werkgeversverklaring
en
hij op 01 september 2009, in Nederland, een werkgeversverklaring afgegeven door of namens [bedrijf] (ten behoeve van het aanvragen van een hypothecaire lening) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken immers heeft verdachte valselijk en in strijd met de waarheid (zakelijk weergegeven) op voornoemde werkgeversverklaring vermeld of doen vermelden

- dat [verdachte] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, en

- dat [verdachte] is aangesteld in vaste dienst, en

- dat het bruto jaarsalaris euro 42.616,92 bedraagt,

en door ondertekening van die verklaring verklaard of doen verklaren dat die verklaring volledig naar waarheid was ingevuld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4:
hij in de periode van 22 september 2009 tot en met 7 oktober 2011, te [plaats] , in de gemeente [plaats] , een voorwerp, te weten een woning/een pand (gelegen aan het [woonadres] kadastrale aanduiding [plaats] [nummer] ), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte wist dat bovenomschreven voorwerp
- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

5:
hij op 07 april 2011 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van in totaal 586, hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

en

valsheid in geschrift.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een reeks misdrijven.

Verdachte heeft grote geldbedragen die van misdrijf afkomstig waren alsmede het woonhuis aan het [woonadres] te [plaats] witgewassen, hij heeft valsheid in geschrift gepleegd en hij heeft opzettelijk gebruik gemaakt van een vals geschrift bij de aanvraag van een hypotheek. Daarnaast heeft verdachte een hennepkwekerij met in totaal 586 planten in werking gehad in een door hem gehuurde woning en heeft hij een hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan met een totaalgewicht van 1107 gram aanwezig gehad in de schuur van zijn woning aan het [woonadres] .

Door witwassen en - kort gezegd - hypotheekfraude wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en dit heeft eveneens een ontwrichtende werking op de maatschappij. Door het kweken van hennepplanten en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de illegale handel in voor de volksgezondheid schadelijke softdrugs en de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 augustus 2017 blijkt dat hij eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

De aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten, maken dat afdoening met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wat betreft het hof de enige juiste is. Een taakstraf of een geheel voorwaardelijke straf, zoals de raadsvrouw heeft bepleit, is niet aan de orde.

Het hof acht in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden passend en geboden. De raadsvrouw heeft er echter terecht op gewezen dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn - de procedure in eerste aanleg heeft een ruim drieënhalf jaar geduurd en in hoger beroep tweeënhalf jaar geduurd -, hetgeen niet aan de verdediging kan worden toegerekend. In verband hiermee zal het hof verdachte een gevangenisstraf van zes maanden opleggen.

Verbeurdverklaring

Het onder 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een huis met kadastrale aanduiding [plaats] [nummer] , locatie [woonadres] , [plaats] . Dit woonhuis behoort de verdachte toe. Het voorwerp zal daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 57, 63, 225, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een onroerend registergoed, te weten een huis met kadastrale aanduiding [plaats] [nummer] , locatie [woonadres] , [plaats] .

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. T.M.L. Wolters en mr. H.L. Stuiver, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 27 september 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Proces-verbaal met nummer 29-940915, d.d. 29 maart 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (bladzijden 1 tot en met 29 van een dossier van het Korps landelijke politiediensten, Team FinEC KLPD Breed onder voormeld nummer).

2 Proces-verbaal met nummer 29844250, d.d. 6 oktober 2011 in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (bladzijden 469 en 470 van een dossier van het Korps landelijke politiediensten, Team FineEC KLPD Breed onder voormeld nummer).

3 Proces-verbaal met nummer PL 2600 11-110201 PR.0501, d.d. 21 december 2011 in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (bladzijde 669 van een dossier van het Korps landelijke politiediensten, Team FineEC KLPD Breed onder nummer 29-940915).

4 ECLI:NL:HR:2015:950.