Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8839

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
200.197.565
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In kracht van gewijsde gaan van beslissing van de Nederlandse rechter tot het niet erkennen van een buitenlands vonnis. Uitleg artikel 41 Brussel II-Bis en toepassing artikel 21 lid 4 Brussel II-Bis. Is sprake van een voorvraag of een afzonderlijk verzoek tot erkenning? Absolute competentie en relatieve competentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.197.565

(zaaknummer rechtbank Overijssel 180260)

beschikking van 12 oktober 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. D. Beuving te Hengelo (O),

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats verweerster] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R. de Falco te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 mei 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 augustus 2016;

  • -

    een aanvullend verzoekschrift met producties;

  • -

    het verweerschrift tevens in hoger beroep met producties;

  • -

    een journaalbericht van 9 juni 2017 van mr. Beuving met producties;

  • -

    een aanvullend verweerschrift met productie;

  • -

    een journaalbericht van mr. Beuving van 29 juni 2017 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 11 juli 2017 plaatsgevonden. Namens de vader is zijn advocaat verschenen. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker raad] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op [trouwdatum] in [plaats 1] met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is [kind] , verder te noemen: [kind] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum kind] . [kind] woont bij de moeder.

3.2

De vader heeft de [nationaliteit 1] nationaliteit. De moeder heeft de [nationaliteit 2] en [nationaliteit 3] nationaliteit. [kind] heeft de [nationaliteit 1] en [nationaliteit 3] nationaliteit.

3.3

Bij beslissing van 8 oktober 2013 heeft de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] :

  1. het huwelijk tussen de vader en de moeder beëindigd door de schuld van beide echtgenoten;

  2. bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de [kind] bij de moeder zal zijn;

  3. een omgangsregeling tussen de vader en [kind] vastgesteld;

  4. een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] vastgesteld en daarbij bepaald dat de moeder kan beschikken over dit geld, en

  5. en proceskostenveroordeling uitgesproken.

3.4

Bij beschikking van 20 augustus 2014 heeft de rechtbank Overijssel het gezamenlijk gezag van de ouders over [kind] beëindigd en bepaald dat het gezag voortaan alleen aan de moeder toekomt.

3.5

Bij beschikking van 31 oktober 2014 heeft de voorzieningen rechter in de rechtbank Overijssel de beslissing van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] , van 8 oktober 2013 ten aanzien van de hiervoor onder 3.3 vermelde beslissingen onder a, b, d en e in Nederland niet erkenbaar verklaard en bepaald dat deze beslissingen niet ten uitvoer kunnen worden gelegd.

3.6

Bij beschikking van 20 mei 2016 (zaaknummers 164201 en 165200) heeft de rechtbank:

  • -

    het beroep van de moeder gegrond verklaard en de beschikking van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2014 voor zover die ziet op de afwijzing van het verzoek van de moeder om de beschikking van de rechtbank [plaats 2] van 8 oktober 2013 niet erkenbaar te verklaren met betrekking tot de daarin vastgestelde omgangsregeling, vernietigd en

  • -

    de beschikking van de rechtbank [plaats 2] van 8 oktober 2013 voor zover die ziet op de vastgestelde omgangsregeling in Nederland niet erkenbaar verklaard en bepaald dat deze beschikking niet in Nederland kan worden ten uitvoer gelegd.

3.7

De echtscheiding is inmiddels ingeschreven in de daarvoor bestemde registers.

3.8

Bij de thans bestreden beschikking van 20 mei 2016 (zaaknummer 180260) heeft de rechtbank het verzoek van de vader om het vonnis van de districtsrechtbank [plaats 2] , van 8 oktober 2013, zaaknummer [zaaknummer] , voor wat betreft de daarin vastgelegde omgangsregeling te mogen uitvoeren met behulp van de sterke arm, afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de erkenning van de beschikking van de rechtbank te [plaats 2] , van 8 oktober 2013 en de vraag of kan worden bepaald dat de beschikking met behulp van de sterke arm mag worden uitgevoerd.

4.2

De vader is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 mei 2016 (zaaknummer 180260). De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te wijzigen in die zin dat het verzoek van de vader wordt toegewezen dan wel dat het verzoek van de vader dient te worden doorgeleid aan de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, dan wel te beslissen zoals het hof juist acht.

4.3

De moeder voert verweer. Zij verzoekt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans dat hoger beroep af te wijzen, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure.

4.4

In het aanvullend verzoekschrift verzoekt de vader:

  • -

    te erkennen dat de beschikking van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] van 8 oktober 2013 vanaf het moment van uitreiking van het certificaat zoals bedoeld in artikel 41 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (verder: Brussel II-bis) geldig is en automatisch is erkend en in Nederland dient te worden uitgevoerd zonder de mogelijkheid van tegenspraak;

  • -

    de beschikking van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] van 8 oktober 2013, voor zover de afspraken de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffende, waaronder een contact- en omgangsregeling tussen de vader en [kind] , te erkennen en

  • -

    de beschikking van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] , van 8 oktober 2013, voor zover de echtscheiding tussen partijen betreffende, te erkennen.

4.5

De moeder heeft tevens verweer gevoerd op het aanvullend verzoek. Zij verzoekt het hof de vader in zijn aanvullende verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze verzoeken af te wijzen, met veroordeling van de vader in de kosten van dit hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vader voert in zijn grieven I en II aan dat de rechtbank zijn verzoek om de beschikking van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] van 8 oktober 2013 te mogen uitvoeren met behulp van de sterke arm ten onrechte heeft afgewezen, omdat de rechtbank bij afzonderlijke beschikking van 20 mei 2016 de beschikking van 8 oktober 2013 van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] , niet heeft erkend. De vader stelt dat de rechtbank voormelde beschikking ten onrechte niet heeft erkend. De vader heeft een certificaat overgelegd, zoals artikel 41 Brussel II-bis dat verlangt, zodat geen uitvoerbaarverklaring behoeft te worden verkregen en men zich niet tegen de erkenning kan verzetten.

5.2

Het hof constateert dat de vader met de grieven I en II inhoudelijk in hoger beroep komt van de beschikking van de rechtbank van 20 mei 2016, met zaaknummers 164201 en 165200. In die procedure bij de rechtbank kwam de moeder in hoger beroep van een beschikking van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2014. Volgens de moeder had de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de beschikking van 8 oktober 2013 van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] , deels diende te worden erkend. De rechtbank heeft in de beschikking van 20 mei 2016, met zaaknummers 164201 en 165200, de beschikking van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2014 vernietigd wat betreft de afwijzing van het verzoek van de moeder om de beschikking van 8 oktober 2013 niet erkenbaar te verklaren met betrekking tot de daarin vastgestelde omgangsregeling en alsnog de beschikking van 8 oktober 2013, wat betreft de vastgestelde omgangsregeling, niet erkenbaar in Nederland verklaard en bepaald dat deze beschikking niet in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden gelegd.

De vader had tegen deze beschikking op grond van artikel 17 lid 4 Uitvoeringswet, dan wel artikel 34 Brussel II-bis een beroep tot cassatie bij de Hoge Raad kunnen indienen, hetgeen de vader niet heeft gedaan. Dit betekent dat de beschikking van 20 mei 2016, met zaaknummers 164201 en 165200, in kracht van gewijsde is gegaan. Dat de beschikking van 8 oktober 2013 van de districtsrechtbank te [plaats 2] , niet wordt erkend en niet ten uitvoer kan worden gelegd, staat daarmee rechtens vast. De grieven I en II van de vader falen.

5.3

In zijn aanvullend verzoek in hoger beroep stelt de vader dat op grond van artikel 41 Brussel II-bis een bijzondere regeling geldt voor het omgangsrecht, wanneer dat is toegekend bij een in een lidstaat gegeven uitvoerbare beslissing. Deze beslissing wordt in een andere lidstaat erkend en is aldaar uitvoerbaar zonder dat een uitvoerbaarverklaring behoeft te worden verkregen en zonder dat men zich tegen de erkenning kan verzetten, indien met betrekking tot die beslissing in het land van herkomst overeenkomstig lid 2 van artikel 41 Brussel II-bis een certificaat is afgegeven. Volgens de vader is een dergelijk certificaat afgegeven. Bovendien stelt de vader dat hij ingevolge artikel 21 lid 4 Brussel II-bis bevoegd is om in iedere procedure waarin er een relatie is met de erkenning, om erkenning te vragen, derhalve ook in deze procedure.

5.4

Ten aanzien van het verzoek van de vader gebaseerd op artikel 41 Brussel II-bis is het hof van oordeel dat dit artikel in onderhavige zaak niet van toepassing is, omdat uit de beschikking van de districtsrechtbank te [plaats 2] , van 8 oktober 2013, niet blijkt dat de omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Alleen de beslissing betreffende het levensonderhoud van [kind] is in die beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit verzoek van de vader zal het hof dan ook afwijzen.

5.5

Met betrekking tot het verzoek van de vader aangaande artikel 21 lid 4 Brussel II-bis overweegt het hof het volgende. De vraag naar de erkenbaarheid van een buitenlandse beslissing kan als incidentele vraag (in het Nederlandse internationaal privaatrecht meestal 'voorvraag' genoemd) spelen in een procedure die betrekking heeft op een andere kwestie. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een procedure betrekking heeft op de afstamming van een kind, welke afstamming afhankelijk is van het al of niet ontbonden zijn van het huwelijk van de moeder en voorts in kwesties van, onder meer, nationaliteitsrecht, vreemdelingenrecht en sociaal verzekeringsrecht. Voor de beantwoording van een dergelijke voorvraag is het niet nodig een exequaturprocedure te volgen, het aangezochte gerecht kan daarover uitspraak doen. Het hof is echter van oordeel dat het in deze procedure niet een zogenoemde voorvraag betreft. Het verzoek van de vader betreft alleen de erkenbaarheid van een buitenlandse beslissing, namelijk het verzoek de beschikking van 8 oktober 2013 van de districtsrechtbank te [plaats 2] , voor zover de afspraken de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffende, waaronder een contact- en omgangsregeling tussen de vader en [kind] , en voor zover de echtscheiding tussen partijen betreffende, te erkennen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het onbevoegd is om van deze verzoeken in hoger beroep kennis te nemen. De absoluut bevoegde rechter wordt op grond van artikel 15 Uitvoeringswet Internationale Kinderbescherming (Uitvoeringswet) aangewezen. Voor Nederland is dat de voorzieningenrechter bij de rechtbank. Voor Nederland bepaalt artikel 18 lid 2 Uitvoeringswet dat voor het aanwijzen van de relatief bevoegde rechter artikel 29 lid 2 Brussel II-bis op overeenkomstige wijze moet worden toegepast. Op grond van artikel 29 lid 2 Brussel II-bis is het relatief bevoegde gerecht dat van de gewone verblijfplaats van de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, of van de gewone verblijfplaats van een kind waarop het verzoek betrekking heeft. In onderhavig geval is daarom relatief bevoegd de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo.

Het hof zal, zoals de vader ook in zijn vijfde grief stelt, ingevolge artikel 73 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de zaak verwijzen naar de wel bevoegde rechter, de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, om de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, voort te zetten. Blijkens het bepaalde in artikel 74 lid 2 Rv dient de griffier een afschrift van deze beschikking aan de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, te verzenden. In zoverre slaagt grief V.

5.6

De grieven III en IV behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking meer, nu deze grieven uitgaan van een erkende en een ten uitvoer te leggen beslissing.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven I tot en met IV, dan wel zijn deze tevergeefs voorgesteld (zie 5.6) en slaagt grief V zoals onder 5.5 beschreven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen wat betreft de afwijzing van het verzoek van de vader de beschikking van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] , van 8 oktober 2013, te erkennen en het verzoek de uitvoering van de omgangsregeling in die beschikking uit te voeren met behulp van de sterke arm. Het hof zal het verzoek van de vader gebaseerd op artikel 41 Brussel II-bis afwijzen en met betrekking tot zijn overige twee verzoeken in hoger beroep de zaak verwijzen naar de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo.

6.2

Het hof zal de proceskosten in dit hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 mei 2016 (zaaknummer 180260), wat betreft de afwijzing van het verzoek van de vader de beschikking van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] , van 8 oktober 2013, te erkennen en het verzoek de uitvoering van de omgangsregeling in die beschikking uit te voeren met behulp van de sterke arm;

verklaart zich onbevoegd om van de navolgende verzoeken in hoger beroep kennis te nemen:

  • -

    de beschikking van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] , van 8 oktober 2013, voor zover de afspraken de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffende, waaronder een contact- en omgangsregeling tussen de vader en [kind] , te erkennen en

  • -

    de beschikking van de districtsrechtbank van de stad [plaats 2] , van 8 oktober 2013, voor zover de echtscheiding tussen partijen betreffende, te erkennen;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, J.B. de Groot en A.L.H. Ernes, bijgestaan door de griffier en is op 12 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.