Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8821

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
200.207.335
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie. Behoefte vaststellen exclusief kindgebonden budget.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.207.335

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 414166)

beschikking van 10 oktober 2017

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.Y.M. Jansse te Zeist ,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.R. van Wieren te ‘s-Hertogenbosch.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, met producties A tot en met I en het dossier in eerste aanleg, bijlagen A tot en met D, ingekomen op 13 januari 2017;

- het journaalbericht van mr. Jansse van 24 februari 2017 met bijlage E van het dossier in eerste aanleg;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties 4 tot en met 10;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties J tot en met L;

- een journaalbericht van mr. Jansse van 8 juni 2017 met producties M tot en met Z;

- een journaalbericht van mr. Van Wieren van 15 juni 2017 met producties 11 tot en met 23;

- een journaalbericht van mr. Jansse van 15 juni 2017 met producties Z1 en Z2.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 27 juni 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Na de mondelinge behandeling heeft het hof partijen de gelegenheid gegeven om zich uit te laten over de vraag hoe moet worden omgegaan met het kindgebonden budget in de onderhavige procedure met het oog op de uitspraak van de Hoge Raad van 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1273. Mr. Jansse heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij journaalbericht van 14 september 2017 met als bijlage een brief van mr. Jansse van diezelfde datum. Mr. Van Wieren heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij journaalbericht van 26 september 2017 met als bijlage een brief van mr. Van Wieren van diezelfde datum.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op [datum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren op [datum] te [plaats] ;

- [kind 2] , geboren op [datum] te [plaats] ;

- [kind 3] , geboren op [datum] te [plaats] .

Partijen zijn van rechtswege belast met het gezag over het minderjarige kind en het minderjarige kind heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking van 16 maart 2011 van de rechtbank Utrecht is onder meer bepaald dat de man met ingang van de datum van die beschikking dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (verder ook partneralimentatie) met een bedrag van € 550,- per maand en in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen (verder ook kinderalimentatie) met een bedrag van € 350,- per kind per maand.

3.4

Bij beschikking van 12 juli 2012 heeft het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, voormelde beschikking onder meer wat betreft de kinder- en partneralimentatie vernietigd en is bepaald dat de man met ingang van 8 maart 2010 als kinderalimentatie € 500,- per kind per maand zal betalen en is het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van partneralimentatie afgewezen omdat niet is komen vast te staan de vrouw behoefte heeft aan partneralimentatie.

4 De omvang van het geschil

4.1

In het principaal en incidenteel hoger beroep is de partneralimentatie in geschil. De rechtbank heeft in de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 18 oktober 2016 (hierna: de bestreden beschikking) de behoefte van de vrouw in totaal op € 1.906,- netto per maand vastgesteld en geoordeeld dat zij naast haar eigen inkomen behoefte heeft aan een bijdrage van de man van € 477,- per maand. De rechtbank heeft vervolgens, omdat de man volgens de rechtbank heeft nagelaten een draagkrachtverweer te voeren en niet heeft betwist dat hij voldoende draagkracht heeft, - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de man met ingang van 1 mei 2016 een partneralimentatiebijdrage van € 477,- per maand dient te voldoen en de kosten van de procedure gecompenseerd.

4.2

De vrouw is in het principaal hoger beroep met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op haar behoefte , de hoogte van haar eigen inkomsten en de kosten van de kinderen. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man als partneralimentatie € 4.042,- netto (€ 6.708,- bruto) per maand, dan wel een ander bedrag dat het hof juist acht, dient te voldoen.

4.3

De man voert verweer in het principaal hoger beroep en is op zijn beurt met twaalf grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de lotsverbondenheid, de (verbleking en de hoogte van de) behoefte, de verdiencapaciteit en de behoeftigheid van de vrouw, de duur van de verplichting tot levensonderhoud, de mogelijkheid voor de man om nog een draagkrachtverweer te voeren, de ingangsdatum en de kosten van de procedure in eerste aanleg. Daarnaast heeft de man een aanvullend (voorwaardelijk) verzoek ingediend. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

a. de vrouw in haar verzoeken in het principaal hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen, althans de partneralimentatie niet op een hoger bedrag dan door de rechtbank is vastgesteld te bepalen;

b. de vrouw te veroordelen in de werkelijke proceskosten aan de zijde van de man, althans in de proceskosten in eerste en in tweede aanleg

voorwaardelijke aanvullende verzoeken

c. indien het hof vaststelt dat de man geen bijdrage is verschuldigd: te bepalen dat de vrouw aan de man dient terug te betalen hetgeen zij onverschuldigd heeft ontvangen, zo nodig in termijnen, althans zodanige beslissing te geven als het hof juist acht;

d. indien en voor zover sprake is van enig door de man aan de vrouw te betalen bedrag: de hoogte van dat bedrag uiterlijk binnen één jaar na ingang in vier gelijke termijnen af te bouwen naar nihil, althans de afbouw en duur van de resterende alimentatieverplichting te beperken tot maximaal twee jaar gerekend vanaf 1 mei 2016, althans zodanige afbouw en termijn te bepalen als het hof juist acht.

4.4

De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de man in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Partijen hebben geen grieven gericht tegen de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking dat de vrouw een beroep doet op het bepaalde in artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW), te weten dat de beschikking van het hof van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat van onvolledige gegevens is uitgegaan en dat zij kan worden ontvangen in haar verzoek tot vaststelling van partneralimentatie, zodat de stelling van de man dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden geen verdere bespreking hoeft.

5.2

In geschil is de vraag of de vrouw behoefte heeft aan partneralimentatie. Op grond van artikel 157 lid BW kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen.

5.3

Allereerst geeft het hof een beslissing over de ingangsdatum van een eventuele alimentatiebijdrage voor de vrouw. De man stelt dat hij in eerste aanleg impliciet verweer heeft gevoerd tegen de ingangsdatum van een eventuele partneralimentatie. De vrouw betwist dit.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering. In het vorenstaande ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

Het hof hanteert als ingangsdatum van de hierna eventueel vast te stellen partneralimentatie 1 mei 2016, de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrouw haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft ingediend. De man heeft met ingang van die datum en gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, rekening kunnen en moeten houden met een eventuele verplichting tot het voldoen van partneralimentatie.

5.4

De vrouw stelt dat de man ten tijde van het huwelijk kostwinner was en dat zij zorgde voor het gezin. Om die reden had zij behoefte aan partneralimentatie na de echtscheiding. Nadat het hof haar verzoek daartoe had afgewezen, omdat het hof van oordeel was dat zij haar behoefte onvoldoende nader had onderbouwd, had zij geen mogelijkheden om een nieuwe start te maken en was zij vooral bezig te overleven. Zij heeft tweemaal moeten verhuizen met de kinderen. Er waren daarnaast veel zorgen over de kinderen. De afgelopen jaren heeft zij het bedrag dat zij heeft ontvangen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van € 26.547,39 aangewend om in haar kosten van levensonderhoud te voorzien. Haar mogelijkheden om werk te zoeken waren beperkt omdat zij niet over een adequate opleiding beschikte en geen financiële middelen had om hierin te kunnen investeren. Zij heeft wel werkzaamheden gevonden en meerdere functies verricht, maar uitsluitend op basis van tijdelijke contracten. In januari 2017 is zij arbeidsongeschikt geworden. Thans ontvangt zij een ZW-uitkering. Het UWV voert de medische controle en de afspraken gericht op re-integratie uit.

Haar behoefte moet worden gebaseerd op de huwelijksgerelateerde welstand van partijen en haar huidige financiële situatie. Uit de door haar overgelegde productie Z1 volgt dat haar behoefte in totaal € 4.046,43 netto per maand bedraagt en dat dit bedrag de komende twaalf maanden moet worden verhoogd met eenmalige kosten in verband met de aanschaf van een fiets, een auto, een computer en het volgen van een opleiding tot een bedrag van € 5.616,84 per maand. Haar eigen inkomen bestaat uit de ZW-uitkering, die op dit moment € 1.075,- bruto (€ 800,- netto) per maand bedraagt. Zij ontvangt daarnaast een bijdrage voor de bij haar woonachtige kinderen en zal daarom straks niet of nauwelijks aanspraak hebben op een aanvulling op grond van de Participatiewet.

5.5

De man voert verweer en brengt het volgende naar voren. Sedert de echtscheiding heeft hij geen partneralimentatie betaald. De vrouw was financieel onafhankelijk. Zij maakt niet inzichtelijk van welke middelen zij heeft geleefd. De vrouw heeft onvoldoende nader onderbouwd dat zij zich voldoende heeft ingespannen om betaalde werkzaamheden te verrichten. Zij heeft bevestigd dat zij de eerste jaren na het uiteengaan van partijen in dat kader geen activiteiten heeft verricht. De vrouw had haar eigen middelen kunnen aanwenden om een opleiding te volgen. Voorts blijkt uit de door de vrouw overgelegde stukken niet dat zij medische beperkingen heeft, maar wel dat zij enige tijd een hoger dagloon heeft genoten dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. De vrouw heeft de op haar behoeftelijst vermelde uitgaven nauwelijks onderbouwd met bewijsstukken. Het is een keuze van de vrouw om niet fulltime te gaan werken. Die keuze dient voor haar rekening te komen. Op grond van de jurisprudentie kan worden geconcludeerd dat in de situatie van partijen sprake is van verbleking van de behoefte van de vrouw en afname van de lotsverbondenheid. Volgens de wetgever neemt het oorzakelijk verband tussen het huwelijk en de behoeftigheid in de loop der tijd steeds meer af.

5.6

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

5.7

Het hof zal beoordelen in hoeverre de vrouw haar behoefte met de door haar in hoger beroep overgelegde behoeftelijst (Z1) en onderliggende stukken heeft aangetoond. Daarbij neemt het hof onder andere in ogenschouw dat de man niet heeft weersproken dat partijen gedurende het huwelijk beiden een [auto(merk)] ter beschikking hadden en dat zij regelmatig op vakantie gingen als gezin. Dat de vrouw een aantal uitgaven niet volledig heeft onderbouwd, wil nog niet direct zeggen dat daarmee geen rekening moet worden gehouden. De voormalige mate van welstand die partijen hadden, is daarbij ook van belang.

5.8

Rekening wordt gehouden met de volgende maandelijkse uitgaven van de vrouw:

- huur € 875,-;

- ziektekostenverzekering € 130,44;

- eigen bijdrage ziektekostenverzekering € 32,08 (nu de vrouw de laatste maanden te maken heeft gehad met gezondheidsklachten ten gevolge waarvan zij op dit moment arbeidsongeschikt is, zijn deze kosten aannemelijk);

- energie € 135,-, water € 24,-, woonverzekering € 24,13, WA-verzekering € 31,02, € KPN-pakket € 62,50 en gemeentelijke belastingen € 50,61 (deze lasten dienen niet te worden verminderd met een deel dat volgens de man ziet op de kinderen, nu de vrouw deze kosten feitelijk heeft, en ook zal hebben zonder kinderen, terwijl ook geen goed onderscheid kan worden gemaakt in het (overgrote) deel van de vrouw en het deel voor de kinderen);

- mobiel € 30,-;

- autobelasting € 40,- en onderhoud auto € 83,30;

- kosten voor huishoudelijke apparatuur van € 50,-;

- kosten voor een fiets van € 12,50;

- reisverzekering € 8,87, uitvaartverzekering € 16,51, rechtsbijstandverzekering € 11,65;

- sportschool € 27,50;

- kosten eten en dagelijkse verzorging € 421,-;

- benzine, de vrouw heeft dit onderbouwd tot € 75,-;

- in redelijkheid: kleding tot € 150,-, kosten openbaar vervoer tot € 10,-, kosten cadeaus voor verjaardagen, bijzondere gelegenheden en voor de kinderen tot € 50,-, kosten kapper € 41,66;

- kosten voor een vakantie voor de vrouw persoonlijk € 2.000,- wat leidt tot een maandelijkse post van € 166,67 per maand (de kosten voor de vakanties van de kinderen dienen in het kader van de behoefteberekening van de vrouw buiten beschouwing te worden gelaten).

5.9

Het hof houdt geen rekening met de door de vrouw opgevoerde (maandelijkse) afschrijving op de auto en de computer, een pensioenopbouw € 500,-, onvoorziene kosten en de kosten voor huis- en tuinartikelen, omdat de vrouw deze kosten onvoldoende toegelicht dan wel onvoldoende nader onderbouwd heeft. Het hof laat de door de vrouw opgevoerde eenmalige kosten voor de aanschaf van een fiets, auto en computer eveneens buiten beschouwing. Het hof houdt verder geen rekening met eenmalige opleidingskosten van € 5.095,- , omdat de vrouw op dit moment geen opleiding volgt.

Nu het de behoefte van de vrouw betreft, gaat het hof niet in op de stellingen van partijen omtrent de kosten van de kinderen van partijen die partijen ieder voldoen. Deze uitgaven zijn in het kader van het bepalen van de hoogte van de behoefte van de vrouw niet relevant.

5.10

Aldus gerekend heeft de vrouw naar het oordeel van het hof behoefte aan een bedrag van in totaal afgerond € 2.560,- netto per maand. In de bestreden beschikking is de behoefte van de vrouw door de rechtbank berekend op € 1.906,- netto per maand, daarom zal het hof de bestreden beschikking op dit punt vernietigen. De vrouw ontvangt de partneralimentatie als een bruto bedrag. Omgerekend heeft zij behoefte aan een bedrag van € 4.529,- bruto per maand van de man, indien zij geen eigen inkomen heeft.

5.11

Het hof gaat voorbij aan de stellingen van de man dat sprake is van verbleking van de behoefte en afname van de lotsverbondenheid. Het enkele tijdsverloop en het feit dat de vrouw al die tijd geen bijdrage heeft verzocht, zijn hiervoor onvoldoende. De vrouw heeft genoegzaam toegelicht dat zij aanvankelijk genoodzaakt was om te leven van de financiële middelen die zij ter beschikking had en dat zij de tering naar de nering heeft gezet. Inmiddels zijn haar eigen middelen uitgeput, is het kindgebonden budget waarop zij recht heeft lager dan voorheen en ontvangt zij minder kinderalimentatie omdat het oudste kind meerderjarig is geworden. Haar behoefte is niet zozeer veranderd, maar haar inkomsten zijn lager en haar financiële middelen zijn verbruikt, zodat zij niet langer in staat is zelf in die behoefte te voorzien. Zou de vrouw zich onvoldoende hebben ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, dan zou dat een grond kunnen zijn te oordelen dat de lotsverbondenheid is afgenomen. Het hof is echter van oordeel dat uit de schets die de vrouw geeft van de gang van zaken sinds het uiteengaan van partijen en uit de door haar overgelegde stukken, waaronder bijlage 5 en bijlage M, genoegzaam blijkt dat de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om inkomsten te verwerven. De vrouw heeft na een aantal jaren uit het arbeidsproces te zijn geweest, in 2013 parttime werk gevonden op oproepbasis als receptioniste. Daarna heeft zij twaalfeneenhalf uur per week gewerkt in een kledingzaak voor de duur van zes maanden. Vervolgens is zij vanaf december 2014 werkzaam geweest als receptioniste bij een bank. In verband met bezuinigingen is deze baan vervallen. Na een maand aanspraak te hebben gemaakt op een WW-uitkering heeft zij twee maanden gewerkt bij de reclassering en vervolgens kon zij weer vierentwintig uur per week aan het werk als receptioniste bij een stichting. Hierna is de vrouw gaan werken voor [X] gedurende twintig uur per week als secretaresse, omdat zij daarbij uitzicht had op een vaste baan. Haar contract is echter niet verlengd omdat er volgens de vrouw hiaten waren in haar kennis met betrekking tot automatisering(sprogramma’s). Vervolgens heeft de vrouw weer een aantal maanden naar werk gezocht, maar is zij ziek geworden. De vrouw heeft dus vanaf 2013 opeenvolgend diverse functies verricht, ondanks haar beperkte opleiding en werkervaring. Gelet daarop heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende zwaarwegende aanvullende feiten en omstandigheden aangevoerd om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt dat de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

5.12

Vervolgens is de vraag aan de orde in hoeverre de vrouw zelf in haar behoefte voorziet dan wel kan voorzien.

5.13

De vrouw voert aan dat zij niet in staat is geheel in haar behoefte te voorzien. Zij heeft sedert de echtscheiding veel stress ondervonden. Zij moest voor de kinderen zorgen en beschikte over onvoldoende financiële middelen. Zij heeft het LBIO in moeten schakelen om het bedrag te innen bij de man waarop zij recht heeft in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De betalingsachterstand van de man brengt onnodige kosten mee. Er was sprake van veel onzekerheid en zij moest tweemaal met de kinderen verhuizen, eerst naar een 3-kamerflat in [woonplaats] en later weer terug naar [woonplaats] . Door haar situatie had zij geen ruimte om zich goed te kunnen oriënteren op de arbeidsmarkt. Zij heeft knieklachten en pijn in de onderrug, in verband daarmee heeft zij afwisselend werk nodig. Desondanks heeft zij meerdere tijdelijke banen gehad en zijn haar inkomsten de afgelopen jaren toegenomen. In 2014 heeft zij een bedrag van € 4.197,- verworven, in 2015 een bedrag van € 10.552,- en in 2016 van € 16.885,-; inmiddels is zij in de Ziektewet terecht gekomen. Er is sprake van uitputting. Haar huisarts heeft geconstateerd dat een time-out noodzakelijk is.

5.14

De man brengt naar voren dat de vrouw in haar eigen behoefte kan voorzien en voert het volgende aan. De vrouw heeft onvoldoende inzicht gegeven in de stappen die zij vanaf 2009 heeft gezet om zoveel mogelijk inkomsten te verwerven. Zij heeft na de echtscheiding een periode van vijf jaar niet gewerkt. Haar sollicitatiepogingen hebben allemaal betrekking op de laatste twee jaar. Onduidelijk is in hoeverre zij heeft gepoogd haar werktijd volledig rendabel te maken naar fulltime werk. De vrouw had zich kunnen bijscholen uit de financiële middelen waarover zij de afgelopen jaren de beschikking had. De vrouw heeft keuzes gemaakt die voor haar eigen rekening en risico dienen te blijven. Voorts blijkt uit de door de vrouw overgelegde stukken onvoldoende hoe hoog haar inkomsten de afgelopen jaren zijn geweest, maar wel dat de hoogte van het inkomen bij [X] gemiddeld € 1.300,- bruto per maand heeft bedragen en dat de WW-uitkering hoger is dan het inkomen dat de vrouw stelt te hebben ontvangen.

5.15

Het hof overweegt dat de vrouw weliswaar inspanningen heeft verricht om inkomsten te verwerven, maar niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij alles in het werk heeft gesteld om haar verdiencapaciteit zo goed mogelijk te benutten. Het hof is van oordeel dat de verdiencapaciteit van de vrouw vanaf 1 mei 2016 in redelijkheid gebaseerd dient te worden op werkzaamheden gedurende 32 uur per week en het minimumloon. Haar verdiencapaciteit bedraagt dan circa € 1.250,- bruto per maand.

5.16

De Hoge Raad heeft op 7 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1273) - kort gezegd - beslist dat het kindgebonden budget bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan partneralimentatie niet als inkomen in aanmerking moet worden genomen. De advocaat van de vrouw heeft in voormelde brief van 14 september 2017 meegedeeld dat het kindgebonden budget gelet op deze uitspraak buiten beschouwing dient te blijven bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw, ook indien de hoogte van het kindgebonden budget het aandeel van de alimentatiegerechtigde in de kosten van de kinderen overtreft. De advocaat van de man heeft gesteld dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie. De vrouw heeft volgens de man zelf gesteld dat zij het kindgebonden budget al jaren als inkomensondersteuning gebruikt voor de kosten van haar eigen levensonderhoud. Het wegvallen van een deel van het kindgebonden budget is volgens de vrouw van invloed op haar eigen positie. Om die reden en omdat het om een substantieel bedrag gaat, kan het kindgebonden budget niet buiten beschouwing blijven, althans kan dit in redelijkheid niet van de man gevergd worden.

Anders dan de man ziet het hof in de uitspraak van de Hoge Raad aanleiding de behoefte van de vrouw op een aanvullende bijdrage van de man te berekenen op basis van het netto besteedbare inkomen van de vrouw exclusief het door haar te ontvangen kindgebonden budget. Dat de vrouw zich in verband met een gebrek aan financiële middelen in verhouding tot de hoogte van haar behoefte gedurende de afgelopen jaren genoodzaakt zag het kindgebonden budget voor de kosten van haar huishouding aan te wenden - dus voor zowel voor de kosten van de kinderen als die van haarzelf - maakt het uitgangspunt dat de Hoge Raad in zijn beschikking heeft gekozen niet anders. Het kindgebonden budget strekt ertoe gezinnen met lagere inkomens een bijdrage te verstrekken in de kosten van de tot het gezin behorende kinderen en daarmee verdraagt zich niet dat (een gedeelte van) het kindgebonden budget zou moeten worden aangewend om in de eigen kosten van de alimentatiegerechtigde te voorzien.

5.17

Daarnaast ontvangt de vrouw een zorgtoeslag van circa € 88,- per maand. Indien de vrouw een alimentatiebijdrage van de man ontvangt zal zij mogelijk geen recht meer hebben op deze toeslag. In verband met het aanvullende karakter van deze toeslag dient deze toeslag eveneens buiten beschouwing te worden gelaten.

Indien de vrouw zelf een inkomen verwerft van € 1.250,- bruto per maand heeft zij daarnaast behoefte aan een bijdrage van de man van € 2.843,-bruto per maand. Gezamenlijk zal dit leiden tot een inkomen van € 2.560,- netto per maand.

5.18

Het hof constateert dat de vrouw vanaf 18 januari 2017 recht heeft op een Ziektewetuitkering. Deze bedraagt 70% van een dagloon van € 69,15. Gelet op het feit dat de vrouw vanaf 18 januari 2017 geen sollicitatieplicht meer heeft gehad bij het UWV en de toelichting daarbij van de vrouw, staat genoegzaam vast dat de vrouw de afgelopen maanden arbeidsongeschikt was en dat zij de komende maanden nog niet in staat zal zijn om inkomsten te verwerven. Aannemelijk is dat zij vervolgens nog een geruime periode niet volledig belastbaar zal zijn. Daarom houdt het hof aan de zijde van de vrouw en in afwijking van hetgeen in 5.15 is geoordeeld vanaf 18 januari 2017 uitsluitend rekening met de ZW-uitkering van circa € 800,- netto per maand. Niet te verwachten is dat de vrouw in de nabije toekomst in staat is om zich een inkomen te verwerven dat hoger is dan € 800,- per maand. Naast dit netto inkomen heeft de vrouw behoefte aan een bijdrage van de man van € 2.902,- bruto per maand.

5.19

De man heeft verzocht voor zover sprake is van enig door hem aan de vrouw te betalen bedrag, dit bedrag uiterlijk binnen één jaar na ingang in vier gelijke termijn af te bouwen naar nihil. Het hof is van oordeel dat een onderhoudsverplichting jegens een voormalig partner slechts in zeer bijzondere gevallen kan worden gelimiteerd. De man heeft naast de stellingen die hij in het kader van een volgens hem afnemende lotsverbondenheid en verbleking van de behoefte heeft aangevoerd, en die het hof gepasseerd heeft, geen andere bijzondere omstandigheden daarvoor aangevoerd. Dit verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

5.20

Het hof acht het redelijk dat de man naar draagkracht voorziet in de behoefte van de vrouw met een bedrag van € 2.843,- per maand tot 18 januari 2017 en van € 2.902,- met ingang van 18 januari 2017. Bij gebreke van nadere gegevens over het inkomen en het vermogen van de man gaat het hof ervan uit dat de man draagkracht heeft om in de behoefte van de vrouw te voorzien met deze bedragen. Het hof zal de man niet alsnog in de gelegenheid stellen deze gegevens over te leggen. Hij is daartoe tot op de mondelinge behandeling van de zaak bij het hof in de gelegenheid geweest, maar heeft kennelijk ervoor gekozen van die gelegenheid geen gebruik te maken.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven van de vrouw in het principaal hoger beroep in die zin dat zij naar het oordeel van het hof behoefte heeft aan een hogere aanvullende bijdrage van de man dan de rechtbank heeft berekend en daarom zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als na te melden.

6.2

De grieven van de man in het incidenteel hoger beroep falen op grond van het vorenstaande en het hof zal de bestreden beschikking in het incidenteel beroep daarom bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en het de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van de behoefte van de vrouw gemaakt voor de periode tot en na 18 januari 2017. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen wordt aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 oktober 2016, met uitzondering van de compensatie van de proceskosten, en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 mei 2016 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 2.843,- per maand en vanaf 18 januari 2017 een bedrag van € 2.902,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T. ter Brugge, J.H. Lieber en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier, en is op 10 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.