Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8812

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
200.176.151/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorshands niet aannemelijk dat inzage in zakelijke mailbox na vertrek aandeelhouder misbruik van omstandigheden oplevert. Evenmin voldoende aannemelijk dat het in de koopovereenkomst opgenomen concurrentie – en relatiebeding in de koopovereenkomst nietig is vanwege strijdigheid met artikel 101 VWEU. Ingeroepen recht niet summierlijk ondeugdelijk, beslagen evenmin onnodig. Beslagen worden niet opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5308
OR-Updates.nl 2017-0271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.176.151/01 en 200.180.123/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/18/157411/KG ZA 15-165 en C/18/159669/ KG ZA 15-243)

arrest van 3 oktober 2017 in kort geding

in de zaken van

1 [appellant1] , wonende te [A] , hierna: [appellant1] ,

2. Chemtack Beheer B.V., gevestigd te Veendam, hierna: Chemtack Beheer,

appellanten in het principaal appel, in de zaak met nummer 200.176.151/01 tevens geïntimeerden in het incidenteel appel,

in eerste aanleg in de zaak met nummer C/18/157411/KG ZA 15-165 gedaagden en in de zaak met nummer C/18/159669/KG ZA 15-243) eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. W.A.J. Hagen, kantoorhoudend te Arnhem, tegen

  1. [geïntimeerde1] , wonende te [B] , hierna: [geïntimeerde1]

  2. Bunneman B.V., gevestigd te Boerakker, hierna: Bunneman,

geïntimeerden in het principaal appel, in de zaak met nummer 200.176.151/01 tevens appellanten in het incidenteel appel

in eerste aanleg in de zaak met nummer C/18/157411 / KG ZA 15-165 eisers en in de zaak met nummer C/18/159669 / KG ZA 15-243)gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. W.F.W. Timmer, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van de tussenarresten van 6 oktober 2015 en 12 januari 2016 hier over.

1.2

In genoemde tussenarresten heeft het hof in de zaken met zaaknummers 200.176.151/01 (hierna: zaak 151) en 200.180.123/01 (hierna: zaak 123) een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 9 maart 2016. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken. De partijen hebben ter zitting ingestemd met de rolvoeging van beide zaken.

1.3

Het verdere verloop in de zaak 151 blijkt uit:

  • -

    de memorie van grieven van [appellanten] c.s. met producties, gedateerd 26 juli 2016,

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van [geïntimeerden]

c.s. met producties, gedateerd 20 september 2016, en

- de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellanten] c.s. met productie gedateerd 1 november 2016.

1.4

Het verdere verloop in de zaak 123 blijkt uit:

  • -

    de memorie van grieven van [appellanten] c.s. met producties, gedateerd 26 juli 2016,

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerden] c.s. met producties, gedateerd 20 september 2016.

1.5

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.6

Het principaal hoger beroep van [appellanten] c.s. in zaak 151 strekt ertoe, kort gezegd, dat het kortgedingvonnis van 17 juli 2015 wordt vernietigd en dat [geïntimeerden] c.s. alsnog in hun vorderingen niet ontvankelijk worden verklaard, althans dat hun vorderingen worden afgewezen. In het incidenteel hoger beroep vorderen [geïntimeerden] c.s. dat het bestreden vonnis van 17 juli 2015 wordt bekrachtigd.

1.7

In zaak 123 vorderen [appellanten] c.s. naast de vernietiging van het kortgedingvonnis van 2 oktober 2015 tevens i) de opheffing van de door [geïntimeerden] c.s. gelegde conservatoire beslagen , althans [geïntimeerden] c.s. te veroordelen deze beslagen op straffe van verbeurte van een dwangsom op te heffen en ii) een lijst te verstrekken van de (rechts)personen die volgens [geïntimeerden] c.s. moeten worden aangemerkt als Belangrijke Relaties als bedoeld in de koopovereenkomst, met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep en tot terugbetaling van de proceskosten in eerste aanleg, die [appellanten] c.s. inmiddels aan [geïntimeerden] c.s. hebben betaald.

1.8

Het hof stelt vast dat in de laatste processtukken in zaken 123 en 151 de nog niet in die zaken overgelegde processtukken uit de andere zaak zijn overgelegd. Het hof ziet dan ook geen reden partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over deze producties.

2 De feiten en de gedingen in eerste aanleg

De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2 van de bestreden vonnissen van 17 juli 2015 en 2 oktober 2015. Volgens [appellanten] c.s. heeft de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 2.4 (grief I in zaak

151) ten onrechte de suggestie gewekt dat [geïntimeerden] c.s. pas na het sluiten van de koopovereenkomst hebben gezien dat [appellanten] c.s. contact hebben gehad met [C] , [D] , [E] en MCC. De grief is gebaseerd op een onjuiste lezing van de bestreden

rechtsoverweging en faalt daarom.

2.2

[geïntimeerde1] via Bunneman en [appellant1] via Chemtack hebben jarenlang ieder 50% van de aandelen gehouden in Cordial Beheer en Registergoederen B.V. (hierna: Cordial).

Cordial is de houdstermaatschappij van Cordial Adhesives B.V., Cordial Machines B.V. en Wallflower International B.V. (hierna tezamen met Cordial aangeduid als Cordial c.s.).

Cordial c.s. richten zich hoofdzakelijk op de productie en de verhandeling van grondstoffen ten behoeve van lijm en kleefstoffen, in het bijzonder van polyvinylalcohol (hierna: pva).

2.3

Nadat tussen [appellant1] en [geïntimeerde1] een verschil van inzicht is ontstaan over het binnen Cordial te voeren beleid, heeft [appellant1] zijn aandelen in Cordial aan [geïntimeerde1] verkocht. Zij hebben daartoe op 17 november 2014 een schriftelijke koop- en vaststellingsovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) gesloten, waarbij naast [appellant1] en [geïntimeerde1] tevens partij zijn Bunneman, Chemtack, Cordial en Stichting Administratiekantoor Cordial Beheer en Registergoederen.

2.4

De koopovereenkomst bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

"IN AANMERKING NEMENDE DAT

(…)

de Vennootschappen (Cordial c.s.; toevoeging hof) een onderneming (de “Onderneming”) drijven op het gebied van ontwikkeling, handel, productie en distributie van:

i) kleefstoffen voor de papier- en kartonindustrie; en

ii) polyvinylalcohol, polyvinylacetaat, zetmelen en zetmeelderivaten, dextrines, overige grondstoffen en daarvan afgeleide producten;

(…)

1 Definities

(…)

“Belangrijke Relaties” (rechts)personen van wie door de Vennootschappen

voor de Onderneming essentiële diensten of goederen worden (dan wel in de afgelopen 5 (zegge: vijf) jaar zijn) afgenomen, dan wel aan wie dergelijke diensten of goederen worden (dan wel in de afgelopen 5 (zegge: vijf) jaar zijn) verstrekt of geleverd. (Rechts)personen met wie daartoe gesprekken worden gevoerd die zich in een offerte of anderszins verkennende fase bevinden worden hieronder nadrukkelijk begrepen;

(…)

"Schade" alle geleden vermogensschade in de zin van artikel 6:96 Burgerlijk Wetboek van in het voorkomend geval Partijen en/of een of meer van de Vennootschappen (zonder dat dezelfde schade tweemaal vergoed

wordt);

"Schending" elke schending van - in het voorkomende geval -

enige door (i) [appellant1] en Chemtack verstrekte Garantie en Vrijwaring, alsmede het door [appellant1] of Chemtack niet nakomen van enige (andere) bij of op grond van de Overeenkomst aangegane verplichting, dan wel (ii) de door [geïntimeerde1] , Bunneman of CBR verstrekte Garantie of Vrijwaring, alsmede het door [geïntimeerde1] , Bunneman of CBR niet nakomen van enige (andere) bij of op grond van de Overeenkomt aangegane verplichting;

(…)

4 Earn-out Betaling

4.1

In aanvulling op de Initiële Koopprijs zijn Bunneman en Chemtack een earn-out regeling overeengekomen, waarbij Bunneman onder de in de Artikelen 4 en 5 genoemde voorwaarden aanvullende koopprijsbetalingen aan Chemtack verschuldigd zal zijn die uitsluitend afhankelijk zijn van de geconsolideerde EBITDA van de Vennootschappen over de boekjaren 2015 en 2016 (de “Earn-out Betaling’).

(…)

16. Schendingen

(…)

16.5

Indien [geïntimeerde1] , Bunneman of de Vennootschappen overweegt van Chemtack of [appellant1] vergoeding van Schade te vorderen wegens een Schending of het inroepen van de Vrijwaring, zullen Basket, Bunneman en de Vennootschappen met inachtneming van Artikel 16.9, binnen een termijn van 30 (zegge: ‘dertig’) werkdagen na ontdekking van de feiten en omstandigheden die tot een dergelijke vordering leiden, schriftelijk mededeling van alle relevante aspecten aan Chemtack en [appellant1] doen, bij gebreke waarvan de aansprakelijkheid van Chemtack en [appellant1] met betrekking tot die Schending zal vervallen ongeacht het feit of Chemtack en [appellant1] enig nadeel heeft ondervonden van de overschrijding van de meldingstermijn.

(…)

19 Non-concurrentie en non-relatie en overige verplichtingen Chemtack en [appellant1]

19.1

Chemtack en [appellant1] zullen zich gedurende een periode van zestig (60) maanden,

na Leveringsdatum, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van Bunneman en [geïntimeerde1] , ervan onthouden om direct of indirect, middellijk of onmiddellijk, bezoldigd of onbezoldigd, voor eigen rekening of (mede) voor rekening van anderen, binnen of buiten Nederland:

a) activiteiten te verrichten die gelijk zijn aan of vergelijkbaar zijn met die van de Onderneming van de Vennootschappen op Leveringsdatum, daaronder nadrukkelijk ook

begrepen het aan en verkopen van grondstoffen benodigd voor de Onderneming als bedoeld in overweging (P) van de considerans;

b) contacten te onderhouden (waarmee, vanzelfsprekend, niet wordt gedoeld op een incidentele en toevallige ontmoeting) en/of rechtsbetrekkingen aan te gaan met Belangrijke Relaties dan wel Belangrijke Relaties er toe te bewegen hun relatie met de Vennootschappen te verbreken of te herzien; (…)

(…)

20 Boetes

(…)

20.2

Ingeval van een schending van één van de in Artikelen 18 en 19.1 omschreven

verplichtingen c.q. verboden verbeurt de overtredende Partij of Partijen (met uitsluiting van Bunneman en [geïntimeerde1] ) aan Bunneman en [geïntimeerde1] gezamenlijk een direct opeisbare boete van EUR 50.000,- (zegge: ‘vijftigduizend euro voor iedere inbreuk, alsmede een direct opeisbare boete van EUR 5.000,- (zegge: ‘vijfduizend euro') voor iedere dag vanaf de dag dat de inbreuk plaatsvond, de inbreuk voortduurt, zonder dat enige ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst vereist is en onverlet het recht van Bunneman en [geïntimeerde1] om volledige vergoeding te vragen van de ten gevolge van een dergelijke inbreuk geleden Schade, voor zover deze uitgaat boven het bedrag van de verbeurde boete(s) (“Boete B”).

20.3

Wat betreft het verbeuren van Boete B als gevolg van het bepaalde in Artikel 19.1.b) stellen Partijen vast, dat:

a. het denkbaar is, dat [appellant1] wordt benaderd (gemaild/gebeld/aangesproken) door een Belangrijke Relatie die daarmee dus zelf het initiatief neemt om contact met hem te zoeken. In die situatie zal [appellant1] Boete B niet verschuldigd zijn indien hij (i) de desbetreffende Belangrijke Relatie terstond laten weten dat hij daarmee geen contact mag hebben op grond van met [geïntimeerde1] gemaakte afspraken en hij (ii) [geïntimeerde1] direct aansluitend per e-mail informeert over het feit dat deze Belangrijke Relatie contact met hem heeft gezocht.

b. het denkbaar is, dat [appellant1] lid is of wordt van een lokale rotary- of voetbal- of andersoortige gezelligheidsvereniging met één of meer leden die op enig moment een Belangrijke Relatie gaan vormen. Zodra [appellant1] met dit gegeven bekend wordt, zal [appellant1] Boete B - in verband met eventuele contacten met die Belangrijke Relatie uit het verleden - evenmin verschuldigd zijn als hij [geïntimeerde1] daarover direct na dat moment informeert. Naar aanleiding van die melding zullen [appellant1] en [geïntimeerde1] met elkaar overleggen over een invulling van de verplichtingen van [appellant1] uit hoofde van Artikel 19.1.b) voor toekomstige contacten met deze Belangrijke Relatie en wel via een zodanige (met wederzijdse redelijkheid te treffen) oplossing van dit probleem, dat daarmee enerzijds de sociale belangen van [appellant1] niet nodeloos worden geschaad maar dat daarbij nadrukkelijk ook wordt voorkomen dat het contactverbod ex Artikel 19.1.b) effectief door [appellant1] omzeild kan worden via een gezamenlijk lidmaatschap van hem en van een Belangrijke Relatie van een gezelligheidsvereniging."

2.5

Op 17 november 2014 hebben Chemtack, als leninggever, en Cordial, als leningnemer, tevens een overeenkomst van geldlening met elkaar gesloten voor een bedrag van € 408.402,19.

2.6.

Op enig moment - partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of dit voor of na het bereiken van overeenstemming over de essentialia van de koopovereenkomst was - heeft [geïntimeerde1] zich toegang laten verschaffen tot de zakelijke mailbox van [appellant1] bij Cordial. In deze zakelijk mailbox heeft [geïntimeerde1] kopieën van

e-mailberichten gericht aan de privé e-mailadressen van [appellant1] aangetroffen. Deze

e-mailberichten zijn vanaf de privé e-mailadressen van [appellant1] via de daar ingeschakelde autoforward-functie automatisch doorgestuurd naar zijn zakelijk mailbox. Onder meer zijn aangetroffen mailwisselingen tussen (de privé e-mailadressen van) [appellant1] en enkele zakenrelaties van Cordial, te weten [C] (hierna: [C] ), [D] (hierna: [D] ), [E] (hierna: [E] ) en [F] en Tobias [G] (hierna: [F] en [G] ) van MCC.

De bodemzaak in eerste aanleg (C18/157647/HA ZA 15-133)

2.7

[geïntimeerden] c.s. en Cordial c.s. hebben [appellanten] c.s. bij inleidende dagvaarding van

11 juni 2015 gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen en gevorderd, samengevat weergegeven:

i) te verklaren voor recht dat [appellanten] c.s. in ieder geval ten aanzien van mevrouw [C] , mevrouw [D] , de heer [E] , en MCC hebben gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 19.1 van de overeenkomst;

ii) [appellanten] c.s. conform het bepaalde in artikel 20.1 en in artikel 20.3 van de overeenkomst hoofdelijk te veroordelen om aan [geïntimeerden] c.s. een boete te voldoen van

€ 1.695.000;

iii) [appellanten] c.s. te veroordelen dat zij zich met onmiddellijke ingang dienen te onthouden van welke contacten dan ook met mevrouw [C] , mevrouw [D] , de heer [E] en MCC (de heren [F] en [G] ), alsmede met alle andere Belangrijke Relaties;

iv) te verklaren voor recht dat [appellanten] c.s. hoofdelijk jegens [geïntimeerden] c.s. aansprakelijk zijn voor de (het beloop van de boete overschrijdende) schade, daaronder niet begrepen de proceskosten in deze bodemprocedure, die zij direct of indirect als gevolg van de niet-nakoming van het bepaalde in artikel 19.1 van de koopovereenkomst hebben geleden dan wel nog zullen lijden, op te maken bij staat;

v) te verklaren voor recht dat [geïntimeerden] c.s. en Cordial c.s. bij het aangaan van de afspraken met [appellanten] c.s. zoals die zijn vastgelegd in de artikelen 5.3 tot en met

5.11

van de koopovereenkomst hebben gedwaald, nu die afspraken zijn gemaakt in de veronderstelling dat het geven van inzicht van (adviseurs van) [appellanten] c.s. in hun respectievelijke administraties in het licht van de gerechtvaardigde verwachting dat zij zich zouden houden aan het bepaalde in artikel 19.1 van de koopovereenkomst verantwoord was, welke veronderstelling - naar thans is komen vast te staan - van meet af aan onjuist is geweest;

vi) onder toepassing van artikel 6:230 lid 2 BW het als gevolg van de dwaling door [geïntimeerden] c.s. en Cordial c.s. geleden nadeel op die wijze op te heffen, dat de artikelen

5.3

tot en met 5.11 van de koopovereenkomst worden vervangen door (i) de regeling zoals die is weergegeven in randnummer 36 van de inleidende dagvaarding dan wel

(ii) een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen andere regeling die voldoende waarborgen biedt tegen het ‘weglekken’ van vertrouwelijke informatie

naar [appellanten] c.s. in het kader van de vaststelling van de voor de earn out relevante EBITDA;

vii) [appellanten] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van deze bodemprocedure, op te maken bij staat, dan wel tot dat andere bedrag aan proceskosten dat naar de mening van de rechtbank in deze zaak gepast is.

2.8

[appellanten] c.s. hebben een eis in reconventie ingesteld. Die luidt, samengevat weergegeven, als volgt:

i) te verklaren voor recht dat [geïntimeerden] c.s. en Cordial onrechtmatig jegens [appellanten] c.s. hebben gehandeld door in ieder geval gedurende de periode van 30 september 2014 tot 26 mei 2015 aan [appellanten] c.s. geen mededeling te doen van de constatering dat privéberichten voor [appellanten] c.s. terecht kwamen in de zakelijke mailbox [appellant1] @cordial.nl waartoe [appellanten] c.s. van begin september 2014 geen toegang meer hadden;

ii) te verklaren voor recht dat de onder sub a omschreven handelwijze (verzwijgen) kan worden gekwalificeerd als een schending van de precontractuele goede trouw die partijen jegens elkaar in acht hebben te nemen tijdens de onderhandelingen over de koopovereenkomst en de overeenkomst van geldlening en ook in strijd is met de postcontractuele goede trouw die contractpartijen jegens elkaar in acht hebben te nemen na het sluiten van de overeenkomsten;

iii) te verklaren voor recht dat [geïntimeerden] c.s. en Cordial jegens [appellanten] c.s. vanwege de bovenstaande verklaringen voor recht toerekenbaar tekort zijn geschoten en/of onrechtmatig jegens [appellanten] c.s. hebben gehandeld;

iv) [geïntimeerden] c.s. en Cordial te veroordelen om aan Chemtack de daaruit volgende schade te betalen, nader op te maken bij staat; en

v) [geïntimeerden] c.s. te veroordelen in de kosten van het geding.

2.9

In de bodemzaak is, voor zover het hof dit ambtshalve heeft kunnen vaststellen, ten tijde van de uitspraak in het onderhavige hoger beroep door de rechtbank nog geen beslissing genomen.

Eerste kort geding geïnitieerd door [geïntimeerden] c.s. (C/18/157411 / KG ZA 15-165)

2.10

[geïntimeerden] c.s. hebben daarnaast bij inleidende dagvaarding van 23 juni 2015 bij de rechtbank Noord-Nederland een kortgedingprocedure tegen [appellanten] c.s. aanhangig gemaakt. Daarbij hebben zij, eveneens verkort weergegeven, gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

i) [appellanten] c.s. gelast (a) alle lopende contacten met "Belangrijke Relaties" van Cordial

c.s. zoals gedefinieerd in de koopovereenkomst onmiddellijk te verbreken en (b) het hieromtrent in de koopovereenkomst bepaalde in de toekomst te zullen naleven, een en ander straffe van een door hen beiden hoofdelijk aan [geïntimeerden] c.s. verschuldigde dwangsom van € 1.000.000,- per volgende overtreding;

ii) [appellanten] c.s. hoofdelijk veroordeelt om binnen een week na betekening van dit vonnis aan [geïntimeerden] c.s. een voorschot van € 570.000,- te voldoen op de in de bodemprocedure gevorderde boete, dan wel tot dat andere bedrag aan voorschot dat naar de mening van de voorzieningenrechter in deze zaak gepast is;

iii) Chemtack verbiedt om welke executiemaatregel dan ook te nemen met betrekking tot zowel (a) haar vordering op Cordial zoals die blijkt uit de leningsovereenkomst, als (b) haar (toekomstige) vordering op Bunneman uit hoofde van artikel 4 van de koopovereenkomst, althans en voor zover de desbetreffende vorderingen opeisbaar

worden voordat er in kracht van gewijsde is beslist in de tegen [appellanten] c.s. aanhangig gemaakt bodemprocedure;

iv) [appellanten] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de daadwerkelijke kosten van dit kort geding (inclusief nakosten), op te maken bij staat, dan wel tot dat andere bedrag aan proceskosten dat naar de mening van de voorzieningenrechter gepast is.

2.11

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 17 juli 2015 de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. onder i) gedeeltelijk toegewezen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [appellanten] c.s. door contact te onderhouden met [C] artikel 19.1 sub b van de koopovereenkomst niet is nagekomen. De overige vorderingen van [geïntimeerden] c.s. heeft hij afgewezen. De voorzieningenrechter heeft [appellanten] c.s. in de proceskosten veroordeeld.

2.12

[appellanten] c.s. zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen (in zaak 151) onder aanvoering van negen grieven. [geïntimeerden] c.s. hebben incidenteel appel ingesteld.

Tweede kort geding geïnitieerd door [appellanten] c.s. (C/18/159669 / KG ZA 15-243)

2.13

Bij beschikking van 27 augustus 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen aan [geïntimeerden] c.s. verlof verleend om ten laste van [appellanten] c.s. tot zekerheid van verhaal van een vordering van € 2.092.250,- conservatoire beslagen te doen leggen onder de in het verzoekschrift genoemde derden.

2.14

[appellanten] c.s. hebben bij inleidende dagvaarding van 14 september 2015 een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen en daarbij gevorderd, kort gezegd, [geïntimeerden] c.s. te veroordelen om i) de door hen gelegde derdenbeslagen op te heffen en opgeheven te houden en ii) een opgave te verstrekken van de (rechts)personen die in de visie van [geïntimeerden] c.s. moeten worden aangemerkt als Belangrijke Relaties, een en ander onder veroordeling van Bokser c.s. in de proceskosten van [appellanten] c.s.

2.15

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 2 oktober 2015 de beslagen opgeheven voor zover deze ruimer zijn gelegd dan door de voorzieningenrechter in zijn beschikking van 27 augustus 2015 toegestaan en de overige vorderingen afgewezen en [appellanten] c.s. in de kosten veroordeeld.

2.16

[appellanten] c.s. zijn van dit vonnis onder aanvoering van tien grieven in hoger beroep (in zaak 123) gekomen. Het hof stelt vast dat de nummering van de grieven niet overeenkomt met het aantal grieven. De grieven III, V, VI en VII ontbreken en grief IV is dubbel.

Voorlopig deskundigenbericht (C/18/159321/HA RK 15-320)

2.17

Bij beschikking van 30 november 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen op verzoek van [appellanten] c.s. een voorlopig deskundigenbericht bevolen naar het activeren van de autoforwardfunctie van de privémailbox van [appellant1] met het e-mailadres [appellant1] @planet.nl tussen 3 februari 2014 en 3 juli 2014.

3 De beoordeling van de grieven in zaken 151 en 123

3.1

[geïntimeerden] c.s. hebben hun eis in zaak 123 vermeerderd met een vordering die thans mede strekt tot opheffing van de beslagen die na de behandeling in eerste aanleg door [appellanten] c.s. zijn gelegd (memorie van grieven, onder 10 en 17). Tegen deze vermeerdering van eis zijn door [appellanten] c.s. geen bezwaren geuit. Het hof ziet ook geen grond om deze eisvermeerdering ambtshalve wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Het hof zal derhalve recht doen op deze vermeerderde eis.

3.2

Het hof zal de grieven in zaak 151 in het incidenteel en principaal appel en de grieven in zaak 123 hierna, gedeeltelijk gezamenlijk, bespreken onder de volgende onderwerpen. Daarbij zal het hof, in lijn met de klaarblijkelijke bedoelingen van partijen, stukken in zaak 151 gebruiken in zaak 123 en omgekeerd.

Rechtsgeldige koopovereenkomst in zaken 151 en 123

3.3

In beide vonnissen is de voorzieningenrechter uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst. In het vonnis van 17 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter het verweer van [appellanten] c.s. dat de koopovereenkomst vernietigbaar is wegens misbruik van omstandigheden, gelet op het gemotiveerde verweer van [geïntimeerden] c.s., van de hand gewezen (zie r.o. 4.3). Dit oordeel wordt door [appellanten] c.s. met grief VI in zaak 151 bestreden. In de toelichting op de grief verwijzen [appellanten] c.s. naar hetgeen zij hebben opgemerkt onder de grieven I en II in zaak 151.

3.4

Het hof leest in deze grief en in de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de voorzieningenrechter in het vonnis van 17 juli 2015 gemotiveerd, en naar het oordeel van het hof terecht, zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter ter motivering van zijn beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe. Zelfs indien moet worden aangenomen dat [geïntimeerden] c.s. de autoforwardfunctie van de privé mailbox van [appellant1] hebben geactiveerd, zoals [appellanten] c.s. stellen en [geïntimeerden] c.s. betwisten, dan valt nog steeds niet in te zien hoe deze enkele omstandigheid leidt tot nietigheid van de overeenkomst op grond van artikel 3:44 lid 4 BW nu [appellanten] c.s. ook in hoger beroep niet aannemelijk hebben gemaakt dat de doorgestuurde e-mailcorrespondentie de essentialia van de koopovereenkomst tot onderwerp had. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [appellanten] c.s. daardoor de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zouden hebben gesloten, zodat ook het voor artikel 3:44 BW vereiste causale verband ontbreekt.

3.5

[appellanten] c.s. hebben daarnaast het verweer gevoerd, verwoord in grief I in zaak 123, dat de koopovereenkomst "aantastbaar" is vanwege het daaraan voorafgaande onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] c.s. Onduidelijk is wat [appellanten] c.s. met deze stelling beogen.

Het gestelde onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] c.s., dat door hen overigens gemotiveerd wordt betwist, vertaalt zich immers - indien niet tevens sprake is van een wilsgebrek genoemd in artikel 3:44 BW of van dwaling - niet in een vernietigbare overeenkomst, maar in schadevergoeding. Andere wilsgebreken dan misbruik van omstandigheden zijn door [appellanten] c.s. in de onderhavige kortgedingprocedures niet aangevoerd. Gelet hierop behoeft grief II in zaak 151, die erover klaagt dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het gestelde onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] c.s. ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat [geïntimeerden] c.s. wisten dat privémailberichten van [appellant1] werden doorgestuurd

naar zijn zakelijke mailbox van [appellant1] bij Cordial en dit voor [appellant1] hebben verzwegen, niet te worden beoordeeld.

Nietigheid van het concurrentie- en relatiebeding in zaken 151 en 123

3.6

Ter afwering van de nakomingsvordering hebben [appellanten] c.s. zich beroepen op de nietigheid van het in artikel 19 lid 1 van de koopovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding (grief III in zaak 151 en grief II in zaak 123). [appellanten] c.s. stellen zich op het standpunt dat artikel 19 lid 1, voor zover het de strekking heeft [appellanten] c.s. ook te verbieden op andere markten actief te zijn, in strijd is met het kartelverbod van artikel 101 lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Beide bedingen dienen volgens [appellant1] te worden aangemerkt als strekkingsbedingen, zodat afzonderlijk onderzoek naar de merkbaarheid van de mededingingsbeperking daarvan niet nodig is.

3.7

[geïntimeerden] c.s. betwisten dat de bedingen in artikel 19 lid 1 van de koopovereenkomst strekkingsbedingen zijn, omdat de betrokken bedingen niet tot doel hebben de mededinging op de relevante markt te beïnvloeden, maar gericht zijn op het veiligstellen van de continuïteit van Cordial na het vertrek van [appellant1] als bestuurder en de overdracht van zijn aandelen in Chemtack aan Bunneman. [geïntimeerden] c.s. betwisten daarnaast dat de bedingen merkbare gevolgen hebben voor de mededinging op de relevante markten. [geïntimeerden] c.s. menen dat ten aanzien van de merkbaarheid op [appellanten] c.s. een "bijzonder zware stelplicht" rust, waaraan [appellanten] c.s. volgens [geïntimeerden] c.s. niet hebben voldaan.

3.8

Het hof overweegt hierover als volgt.

Artikel 101 lid 1 VWEU verbiedt, voor zover van belang, alle overeenkomsten tussen ondernemingen die de handel tussen de EU-lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt of op een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Het moet daarbij gaan om een merkbare beperking van de mededinging. Artikel 101 lid 1 VWEU maakt een onderscheid tussen “inbreuken naar strekking” en “inbreuken naar gevolg”. Dit onderscheid houdt verband met de omstandigheid dat bepaalde vormen van collusie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging. Wanneer een overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking heeft, dan is een afzonderlijk onderzoek ook naar de merkbaarheid van de mededingingsbeperking niet meer nodig (zie HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1354).

3.9

Het begrip mededingingsbeperkende strekking moet restrictief worden uitgelegd en kan uitsluitend worden toegepast op vormen van coördinatie die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet behoeven te worden onderzocht (zie HvJEU 11 september 2014, C-67/13, ECLI:EU:C:2014:2204, Groupement des cartes bancaires en HvJEU 26 november 2015, C-345/14, ECLI:EU:C:2015:784, Maxima Latvija). Dat een bepaalde vorm van coördinatie de potentie heeft om de mededinging te beperken, maakt op zichzelf nog niet dat sprake is van een overeenkomst met een mededingingsbeperkende strekking.

3.10

Bij de beoordeling of het concurrentie- en relatiebeding in artikel 19 lid 1 van de koopovereenkomst een mededingingsbeperkende strekking hebben, moet worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren

en de structuur van de betrokken markt of markten. Bij het onderzoek naar de vraag of het desbetreffende bedingen mededingingsbeperkend zijn, mag bovendien rekening worden gehouden met de bedoelingen van partijen (zie HvJEU 13 oktober 2011, C-32/11, ECLI:EU:C:2011:649, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique en HvJEU 14 maart 2013, C- 439/09, ECLI:EU:C:2013:160, Allianz).

3.11

Verder geldt, ook in kort geding, dat degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dit dient te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt. Een partij die een mededingingsrechtelijke inbreukvordering instelt, kan in beginsel niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. Dit is niet anders wanneer daarbij summiere aanduidingen van relevante geografische en productmarkten worden gegeven en niet nader toegespitste stellingen worden betrokken omtrent percentages van respectieve marktaandelen op de desbetreffende markten. Daardoor wordt immers niet zonder meer voldoende inzicht gegeven in de voor de beoordeling essentiële feiten en omstandigheden, zoals een zorgvuldige marktafbakening, de relevante marktstructuur en marktkenmerken, alsmede het daadwerkelijke functioneren van de relevante markt(en) en van het effect daarop van de gestelde inbreuken (zie HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0345).

3.12

De stelling van [appellanten] c.s. dat het concurrentiebeding in artikel 19 lid 1 sub a van de koopovereenkomst mededingingsbeperkend is in de hiervoor omschreven zin, mist feitelijke grondslag omdat [geïntimeerden] c.s., anders dan [appellanten] c.s. stellen, niet betogen dat het concurrentieverbod zich uitstrekt tot "vele andere markten". Alleen al om deze reden dient de stelling te worden gepasseerd. Dat het concurrentiebeding in de door [geïntimeerden] c.s. opgevatte betekenis, kort gezegd, het verrichten van gelijke of vergelijkbare werkzaamheden inclusief de aan- en verkoop van grondstoffen benodigd voor Cordial c.s., mededingingsbeperkend zou zijn, is in het licht van de hiervoor genoemde uitgangspunten door [appellanten] c.s. niet aannemelijk gemaakt. [appellanten] c.s. hebben geen, althans onvoldoende, inzicht gegeven in de voor de beoordeling essentiële economische feiten en omstandigheden, zoals een marktafbakening, de relevante marktstructuur en marktkenmerken, alsmede het daadwerkelijke functioneren van de relevante markt(en) en van het effect daarop van de gestelde inbreuk door [geïntimeerden] c.s.. De door [appellanten] c.s. genoemde omzetten en marktaandelen van Cordial, zijn onvoldoende voor de onder 3.11 te maken voorlopige beoordeling. Het ontbreken van een toelichting op het daadwerkelijk functioneren van de relevante markt, brengt met zich dat evenmin kan worden beoordeeld of het concurrentiebeding merkbare mededingingsbeperkende gevolgen heeft. Dit geldt ook voor het relatiebeding in artikel 19 lid 1 sub b van de koopovereenkomst.

3.13

Ten aanzien van het gestelde mededingingsbeperkende karakter van het relatiebeding in artikel 19 lid 1 sub b, is het hof bovendien van oordeel dat [appellanten] c.s., in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [geïntimeerden] c.s., onvoldoende hebben gesteld omtrent de juridische context. Door [appellanten] c.s. is niet aangegeven of en zo ja op welke wijze het onthouden van contacten met Belangrijke Relaties, als gedefinieerd in de koopovereenkomst, naar zijn strekking de mededinging beperkt. Uit de onweersproken stellingen van [geïntimeerden] c.s. begrijpt het hof dat het primaire doel van het relatiebeding niet zozeer het beperken van de mededinging was, maar het mogelijk maken van de overname, die diende als oplossing voor geschillen die tussen [appellanten] c.s. en [geïntimeerden] c.s. in het kader van hun samenwerking in

Cordial waren ontstaan.

3.14

Naar het voorlopig oordeel van het hof kan niet worden aangenomen dat het in artikel 19 lid 1 opgenomen concurrentie- en relatiebeding onder het verbod van

artikel 101 VWEU vallen. Het hof gaat in het kader van dit kort geding uit van de rechtsgeldigheid van beide bedingen. Grieven III in zaak 151 en II in zaak 123 falen.

Belangrijke Relatie in zaken 151 en 123

3.15

Met grief VIII in zaak 151 en grief IV in zaak 123 komen [appellanten] c.s. op tegen het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat [C] (in zaken 151 en 123) en [D] (in zaak 123) zijn te beschouwen als "Belangrijke Relaties" in de koopovereenkomst en dat [appellanten] c.s. door met [C] en [D] contact te onderhouden hebben gehandeld in strijd met het in artikel 19 lid 1 sub b opgenomen relatiebeding. Dat [appellanten] c.s. na het ondertekenen van de koopovereenkomst contact hebben gehad met [C] en [D] staat tussen partijen vast. De voorzieningenrechter is in beide vonnissen ervan uitgegaan dat onder Belangrijke Relaties worden verstaan (rechts)personen van wie door Cordial c.s. essentiële diensten of goederen worden afgenomen. Tegen deze uitleg van het begrip Belangrijke Relatie is niet gegriefd, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

3.16

Het hof is met de voorzieningenrechter in het vonnis van 2 oktober 2015 van oordeel dat uit de e-mailberichten van Sinopec/Sichuan van 14 oktober 2014 en het e-mailbericht van [C] van 29 juni 2014 genoegzaam blijkt dat haar rol niet was beperkt tot die van tolk en/of cultureel liaison, zoals [appellanten] c.s. stellen. Anders dan [appellanten] c.s. in de toelichting op de grief in de zaak 123 betogen, heeft de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis van 2 oktober 2015 zijn oordeel niet gebaseerd op de mondelinge verklaringen van [geïntimeerden] en [H] . [appellanten] c.s. halen hier de twee vonnissen door elkaar. Alleen in het vonnis van

17 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter zijn oordeel gebaseerd op genoemde verklaringen. Het verwijt in zaak 151 dat genoemde verklaringen onvoldoende zijn voor het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat [C] een Belangrijke Relatie is,

behoeft geen verdere beoordeling omdat de hiervoor genoemde emailberichten tezamen met de in producties 37 en 38 bij conclusie van repliek in de bodemprocedure overgelegde emailcorrespondentie tussen [C] en [H] en zijn verklaring, in het kader van dit kort geding voldoende zijn voor de stelling van [geïntimeerden] c.s. dat [C] een belangrijke schakel was in de handelscontacten met leveranciers van Cordial en daarmee een Belangrijke Relatie zoals bedoeld in de koopovereenkomst. Van belang daarbij is verder dat [appellanten] c.s. weliswaar de verklaringen van [geïntimeerde1] en [H] bestrijden, maar niet onderbouwd aangeven op welke punten de verklaringen onjuist zouden zijn.

3.17

[appellanten] c.s. voeren daarnaast nog aan dat niet alle contacten met Sinopec/Sichuan via [C] verliepen. [geïntimeerden] c.s. erkennen dat er incidenteel ook orders bij de heer [I] of een van zijn collega's zijn geplaatst. Het hof is met [geïntimeerden] c.s. van oordeel dat dit incidentele contact geen afbreuk doet aan de rol die [C] blijkens voornoemde emailberichten en verklaringen vervult. Voor zover [appellanten] c.s. hebben beoogd te betogen dat er alleen sprake is van een Belangrijke Relatie indien alle contacten via die relatie verlopen, overweegt het hof dat die stelling geen steun vindt in de definitie van Belangrijke Relatie.

3.18

Ook wat [D] betreft, is het hof met de voorzieningenrechter in zijn vonnis van

2 oktober 2015 van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. met het overleggen van het "Sales Contract" van 12 mei 2014 tussen Cordial en [D] en de mailwisseling tussen Cordial en [D] , in het

bijzonder de email van [D] aan [appellant1] van 29 januari 2012 en

het emailbericht van [appellant1] aan [D] van 28 mei 2014, genoegzaam aannemelijk hebben gemaakt dat [D] een belangrijke rol vervult bij de aankoop van pva bij Anhui en aldus als een Belangrijke Relatie moet worden aangemerkt. Dat Cordial blijkens de door [appellanten] c.s. overgelegde emailberichten ook rechtstreeks bij Anhui pva inkocht, maakt dat - gelet op de definitie van Belangrijke Relatie - niet anders. De grieven van [appellanten] c.s. falen in zoverre en de daarop betrekking hebbende incidentele grief van [geïntimeerden] c.s. in zaak 151 slaagt. Met deze incidentele grief komen [geïntimeerden] c.s. tevens op tegen het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat de heren [F] , [G] en [E] niet te beschouwen zijn als Belangrijke Relaties. Wat deze heren betreft, leest het hof in de grief geen andere stellingen dan die door de voorzieningenrechter zijn verworpen. Ter onderbouwing van de grief verwijzen [geïntimeerden] c.s. naar de stukken die zijn ingediend in de bodemzaak. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. met die enkele verwijzing onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de heren [F] , [G] en [E] ook als Belangrijke Relaties moeten worden aangemerkt. Daarvoor is meer onderzoek vereist, waarvoor het kortgeding zich niet leent.

Spoedeisend belang in zaak 151

3.19

Het hof neemt in de zaak 151 met de voorzieningenrechter aan dat Bokser c.s. voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vordering strekkende tot nakoming van het relatiebeding in artikel 19 lid 1 sub b van de koopovereenkomst. Voor het aannemen van spoedeisendheid is voldoende dat er schade dreigt. Niet nodig is, zoals [appellanten] c.s. onder grief IV aanvoeren, dat [geïntimeerden] c.s. door de contacten met [C] en [D] daadwerkelijk handelsmarges mislopen. De dreiging van schade is door [appellanten] c.s. in hoger beroep niet weggenomen. Zo hebben zij niet toegezegd geen contact meer met [C] en [D] op te nemen, terwijl het relatiebeding ten tijde van de uitspraak in hoger beroep nog steeds geldt. Dit betekent dat [geïntimeerden] c.s. ook in hoger beroep spoedeisend belang hebben bij hun vordering.

Reikwijdte van de vordering in zaak 151

3.20

De klacht van [appellanten] c.s. in grief V dat de voorzieningenrechter hen ten onrechte heeft gelast ook alle lopende contacten met Sinopec/Sichuan, Anhui Wanwei, [E] , [F] , [G] en MCC onmiddellijk te verbreken slaagt omdat [geïntimeerden] c.s. ten aanzien van [E] , [F] , [G] [geïntimeerden] c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat het Belangrijke Relaties betreft en ten aanzien van Sinopec/Sichuan, Anhui Wanwei en MCC hebben toegezegd het relatiebeding te respecteren door geen contact te hebben en niet is gesteld of gebleken dat [appellanten] c.s. deze toezegging nadien hebben geschonden. Het bevel zal verder, in lijn met het verweer van [appellanten] c.s. onder grief IX, worden beperkt tot de in de koopovereenkomst overeengekomen einddatum van 60 maanden na leveringsdatum zoals die in de koopovereenkomst is gedefinieerd, te weten 17 november 2019. Het bestreden vonnis van 17 juli 2015 zal op dit punt worden vernietigd.

3.21

Onder grief VII klagen [appellanten] c.s. erover dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorshands heeft aangenomen dat [appellanten] c.s. vanwege de contacten met [C] een contractuele boete hebben verbeurd. [appellanten] c.s. stellen daartoe dat gezien het beding van artikel 16.5 van de koopovereenkomst de boetes zijn vervallen. Nu die grief in de zaak 151 niet tot een andere beslissing kan leiden, de daarop gebaseerde vordering is door de voorzieningenrechter vanwege het ontbreken van spoedeisend belang afgewezen, ontbreekt het belang daarbij, wat er ook zij van de stelling van [appellanten] c.s. met betrekking tot het vervalbeding (zie hetgeen het hof hierna in 3.27 en 3.28 zal overwegen)

Slotsom in zaak 151

3.22

Nu de grieven in principaal appel grotendeels falen en het incidenteel appel deels slaagt, zal het hof [appellanten] c.s. als de grotendeels in het ongelijk te stellen partijen veroordelen in de proceskosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep in zaak 151 (in totaal 1,5 punt in tarief II).

Opheffing beslagen

3.23

In het bestreden vonnis van 2 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter de gevorderde opheffing van de door [geïntimeerden] c.s. gelegde conservatoire beslagen afgewezen. De afwijzing van de opheffing wordt door [appellanten] c.s. in de grieven IV (eigenlijk grief III), VIII, IX en X in zaak 123 geadresseerd.

3.24

Het hof stelt met de voorzieningenrechter voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv de opheffing van een conservatoir beslag onder meer kan worden bevolen, indien i) summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of ii) van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

ad i) ondeugdelijkheid ingeroepen recht

3.25

De beoordeling van de (on)deugdelijkheid van het door [geïntimeerden] c.s. ingeroepen recht vereist een voorlopige inschatting van hun rechtspositie. In de eerste plaats ligt het op de weg van degene die de opheffing van beslagen vordert, [appellanten] c.s., om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van de beslagen op grond van de door hem naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van de beslagen. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

3.26

[geïntimeerden] c.s. hebben de beslagen gelegd ter zekerheid van de in de bodemzaak gevorderde boetes ten bedrage van € 1.695.000,-. De voorzieningenrechter heeft het aannemelijk geacht dat [appellanten] c.s. ingevolge artikel 20.2 van de koopovereenkomst boetes hebben verbeurd vanwege schending van het in artikel 19 lid 1 opgenomen concurrentie- en relatiebeding.

3.27

De meest verstrekkende stelling van [appellanten] c.s., verwoord op pagina 18 van de memorie van grieven, houdt in dat zij geen boetes zijn verschuldigd omdat [geïntimeerden] c.s. hen niet binnen 30 werkdagen na ontdekking van de vermeende schending van het concurrentie- en relatiebeding daarvan schriftelijke mededeling hebben gedaan, als voorgeschreven in artikel 16.5 van de koopovereenkomst. Aan de stelling ligt ten grondslag dat [geïntimeerden] c.s. reeds 30 dagen voor de eerste schriftelijke melding van schending op 15 mei 2015 op grond

van de onder 2.4 genoemde e-mailberichten ermee bekend waren dat [appellanten] c.s. zich niet aan het relatiebeding hielden. Dit wordt door [appellanten] c.s. gemotiveerd betwist. [appellanten] c.s. bestrijden daarnaast dat het vervalbeding in artikel 16.5 van de koopovereenkomst van toepassing is op schending van het relatie- en concurrentiebeding in artikel 19 lid 1 van de koopovereenkomst en het verbeuren van boetes in artikel 20 van de koopovereenkomst.

3.28

Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of artikel 16.5 van de koopovereenkomst ook betrekking heeft op nakoming van het in artikel 19 lid 1 opgenomen concurrentie- en relatiebeding omdat, ook indien daarvan veronderstellenderwijs wordt uitgegaan, [appellanten] c.s. gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerden] c.s. onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat Bokser c.s. reeds vóór 15 april 2015 ervan op de hoogte waren dat [appellanten] in strijd met artikel 19 lid 1 sub b van de koopovereenkomst contact had opgenomen met [C] en [D] . De daarop betrekking hebbende grief faalt.

3.29

Met grief VIII komen [appellanten] c.s. op tegen het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.2.6 van het vonnis van 2 oktober 2015 dat [appellanten] c.s. door hun poging met [C] in zetmeel te handelen tevens in strijd hebben gehandeld met het concurrentiebeding in artikel 19 lid 1 sub a van de koopovereenkomst. [appellanten] c.s. betwisten niet dat zij bij [C] getracht hebben zetmeel in te kopen. [appellanten] c.s. betwisten evenmin dat zetmeel een grondstof is voor de kleefstoffen waarin Cordial c.s. handelen. Volgens [appellanten] c.s. is het echter nooit de bedoeling van partijen geweest dat het concurrentieverbod betrekking zou hebben op zetmeel in het algemeen, dus ongeacht de toepassing daarvan. [appellanten] c.s. onderbouwen die stelling verder niet. De door [appellanten] c.s. bepleitte beperking van het concurrentiebeding wordt door [geïntimeerden] c.s. gemotiveerd weersproken.

3.30

De stelling van [appellanten] c.s. vindt naar het voorlopig oordeel van het hof geen steun in de bewoordingen van artikel 19 lid 1 sub a van de koopovereenkomst. Uit artikel 19 lid sub a volgt dat het verbod op concurrentie zich uitstrekt tot de aan- en verkoop van grondstoffen, waaronder ingevolge P sub ii van de considerans, zetmeel. Dat partijen ondanks de duidelijke bewoordingen van artikel 19 lid 1 sub a en overweging P, dit niet zo hebben bedoeld, is door [appellanten] c.s. in het licht van de onderbouwde betwisting daarvan door [geïntimeerden] c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt.

3.31

Uit het voorgaande volgt dat [appellanten] c.s. er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat de door de [geïntimeerden] c.s. gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.

ad ii) zijn de beslagen onnodig?

3.32

De volgende vraag is of de beslagen onnodig zijn. Die vraag is door de voorzieningenrechter in rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4, naar de mening van [appellanten] c.s. in grieven IX en X ten onrechte, ontkennend beantwoord.

3.33

Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag of een beslag onnodig is gelegd, dient te worden beoordeeld, zoals de voorzieningenrechter ook heeft gedaan, aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de vordering, de waarde van de beslagen goederen, en de onevenredigheid waarmee de schuldenaar eventueel door het beslag in zijn belangen wordt getroffen (HR 24 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1894).

3.34

Wat betreft de omvang van de gepretendeerde vordering, overweegt het hof dat zelfs indien moet worden aangenomen dat een deel van de gevorderde boete in de bodemzaak niet wordt toegewezen, dit niet leidt tot opheffing van de beslagen of gedeeltelijke opheffing, alleen al niet omdat [appellanten] c.s. niet hebben geconcretiseerd dat zij door de omstreden beslagen in hun belangen zijn getroffen. Ook in hoger beroep hebben zij geen gegevens verstrekt met betrekking tot hun financiële situatie, terwijl dit wel op hun weg had gelegen. In het bijzonder zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld die maken dat het vonnis in de bodemzaak, dat in zijn eindfase is beland, niet kan worden afgewacht.

3.35

Wat betreft de door [appellanten] c.s. gestelde andere zekerheden in de vorm van de achtergestelde lening, die ten tijde van het uitspreken van dit arrest nog steeds niet opeisbaar is en de earn-out regeling, ter zake waarvan door [geïntimeerden] c.s. wordt betwist dat die tot een vordering zal leiden, onderschrijft het hof hetgeen de voorzieningenrechter daarover in rechtsoverweging 4.3.3 heeft overwogen en neemt dat ook over. [appellanten] c.s. hadden zekerheid kunnen verschaffen door inzichtelijk te maken welke (over)waarde zijn onroerende zaken vertegenwoordigen. Dit hebben zij evenwel ook in hoger beroep nagelaten. Dat van een substantiële overwaarde sprake is, hebben [geïntimeerden] c.s. gemotiveerd betwist.

3.36

Feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [appellanten] c.s. door de beslagen worden gehinderd, zijn gesteld noch gebleken. Om die reden kan een belangenafweging er evenmin toe leiden dat de beslagen opgeheven zouden moeten worden.

3.37

Dit alles overziend, ziet het hof geen aanleiding de gevorderde opheffing van de beslagen toe te wijzen.

Opmaken van lijst met Belangrijke Relaties

3.38

De door [appellanten] c.s. ingestelde vordering tot veroordeling van [geïntimeerden] c.s. tot het opmaken van een lijst met Belangrijke Relaties als bedoeld in de koopovereenkomst, is door de voorzieningenrechter eveneens afgewezen. Daarop heeft grief XI betrekking.

3.39

[appellanten] c.s. erkennen met zoveel woorden dat partijen in het kader van de koopovereenkomst er niet voor hebben gekozen om een lijst met Belangrijke Relaties op te stellen. [appellanten] c.s. menen, althans zo begrijpt het hof hun stellingen, dat redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [geïntimeerden] c.s. alsnog gehouden zijn een dergelijke lijst op te stellen, omdat zonder zo'n lijst [appellanten] c.s. niet weten waar zij aan toe zijn, en uiteindelijk helemaal geen activiteiten meer kunnen verrichten.

3.40

Het hof kan [appellanten] c.s. hierin niet volgen, alleen al niet omdat - zoals [geïntimeerden] c.s. betogen - de koopovereenkomst hierin voorziet. Artikel 19 lid 1 van de koopovereenkomst laat onverlet dat [appellanten] c.s. [geïntimeerden] c.s. om toestemming kunnen vragen. Daarenboven stellen [geïntimeerden] c.s. niet dat het [appellanten] c.s. is verboden iedere activiteit te verrichten. De stellingen van [geïntimeerden] c.s. zijn beperkt tot het verrichten van gelijke of vergelijkbare activiteiten. [geïntimeerden] c.s. stellen evenmin dat ieder contact met vroegere relaties is verboden. Het verbod is beperkt tot Belangrijke Relaties. Door [geïntimeerden] c.s. is daarbij, naar het oordeel van het hof, terecht opgemerkt, dat het feit dat contactpersonen bij Belangrijke Relaties wisselen, niet maakt dat de nieuwe contactpersoon geen Belangrijke Relatie is. In zoverre biedt een lijst ook geen uitkomst. De vordering zal op grond van hetgeen hiervoor is overwogen opnieuw worden afgewezen.

3.41

Grief XII, die in algemene zin opkomt tegen de afwijzing van de vorderingen, behoeft in het licht van het voorgaande geen beoordeling.

Slotsom in zaak 123

3.42

De grieven in zaak 123 falen. De vorderingen van [appellanten] c.s. zullen opnieuw worden afgewezen. Het hof zal [appellanten] c.s. als de in het ongelijk te stellen partijen veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep (1 punt in tarief II).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding in de zaak 151:

- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 17 juli 2015, met uitzondering van de beslissing over de reikwijdte van het voorlopig gegeven bevel onder 5.1, vernietigt het vonnis uitsluitend op dit punt en doet in zoverre opnieuw recht:

- gelast [appellanten] c.s. na betekening van dit arrest alle lopende contacten met [C] en [D] onmiddellijk te verbreken en tot 17 november 2019 verbroken te houden;

- veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep in principaal en incidenteel appel, aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. begroot op € 1.341,- aan salaris voor de advocaat en op

€ 711,- voor verschotten; in de zaak 123:

- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 2 oktober 2015;

- veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. begroot op € 894,- aan salaris voor de advocaat en op € 311,- voor verschotten;

in beide zaken:

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. R.E Weening, mr. H. de Hek en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 oktober 2017.