Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8803

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
WAHV 200.170.607
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vergoeding van proceskosten in de procedure bij de officier van justitie, omdat de inleidende beschikking niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:28, tweede lid, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.170.607

11 oktober 2017

CJIB 170449450

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 25 maart 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 2 augustus 2017 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De zaak is behandeld ter zitting van 27 september 2017. De betrokkene en de gemachtigde zijn niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. [D] .

Beoordeling

1. Het hof vat het hoger beroep beperkt op in die zin dat het slechts is gericht tegen dat gedeelte van de beslissing van de kantonrechter dat betrekking heeft op de proceskostenvergoeding. Gelet op de inhoud van het tussenarrest wordt die beslissing vernietigd.

2. De kantonrechter heeft het beroep gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigd omdat de officier van justitie ten onrechte de betrokkene niet heeft gehoord.

3. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend nu het beroep gegrond is verklaard.

4. Het te dezen toepasselijke artikel 13a, eerste lid, eerste volzin, van de WAHV, voor zover hier van belang, bepaalt dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5. Dit brengt mee dat de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Anderzijds kan niet uit het oog worden verloren dat de regeling van de proceskostenvergoeding is ingegeven door de gedachte dat indien een betrokkene proceskosten heeft moeten maken met het oog op het bij een administratieve beroepsinstantie of rechterlijke instantie aanvechten van een beslissing, en die aangevochten beslissing vervolgens -al dan niet ambtshalve- door die instantie geheel of gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt, het niet redelijk is om de proceskosten voor rekening van de betrokkene te laten blijven.

6. Nu het beroep gegrond is verklaard en de inleidende beschikking is vernietigd, is de betrokkene in het gelijk gesteld door de kantonrechter. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in een zodanig geval aanleiding bestaat voor inwilliging van het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding. Naar het oordeel van het hof bestaat er in dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken voor zover het de kosten gemaakt gedurende de procedure bij de kantonrechter betreft.

7. Voor de fase van het administratief beroep bepaalt artikel 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van dat beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In de onderhavige zaak is hier geen sprake van nu de inleidende beschikking door de kantonrechter is vernietigd vanwege een schending van de hoorplicht door de officier van justitie, niet zijnde het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 7:28, tweede lid, van de Awb. Aldus komen de kosten gemaakt in de fase van het administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking.

8. Het hof zal, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, bepalen dat aan de betrokkene een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor de behandeling van het beroep bij de kantonrechter.

9. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 245,- (= 1 x € 490,- x 0,5).

10. Nu de betrokkene in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, komt het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de proceskosten gemaakt in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking. De gemachtigde heeft in hoger beroep de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van dit beroepschrift moet een punt worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 122,50 (= 1 x € 490,- x 0,25).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover aan het hoger beroep onderworpen, namelijk voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 367,50, over te maken op bankrekeningnummer [00000] ten name van [E] B.V. te [C] .

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.