Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8787

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
200.183.868/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2376, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbreken samenwoning. Uitleg vaststellingsovereenkomst. Is afgesproken uitkering aan vrouw bruto of netto? Hof: netto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.183.868/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/169994 / HA ZA 15-194)

arrest van 10 oktober 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse, kantoorhoudend te Deventer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.W. Kobossen, kantoorhoudend te Nijmegen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 februari 2017 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 16 maart 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Vervolgens is arrest gevraagd op het dossier dat in verband met de comparitie van partijen werd gefourneerd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

De vordering van [appellante] in de memorie van grieven luidt:

" (…) te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, d.d. 21 oktober 2015, onder nummer C/08/169994 / HA ZA 15-194, gewezen tussen partijen, en ten deze opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen, waaronder begrepen de man mede te veroordelen tot betaling van € 3.500,- inzake inboedel en € 350,- inzake een door de man ten onrechte plaatsgevonden inhouding in verband met een buks, alsmede met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen het salaris van de advocaat, alsmede de griffierechten, alsmede de nakosten ten belope van € 131,-, te vermeerderen met € 68,- indien betekening noodzakelijk zal zijn, een en ander te voldoen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en, voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen van bedoelde termijn voor voldoening."

2 De feiten

2.1

Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

2.2

Partijen hebben in het kader van een affectieve relatie, zonder een daartoe opgemaakte

samenlevingsovereenkomst samengewoond in de periode 2000 tot 1 april 2011.

2.3

In een vaststellingsovereenkomst van 31 januari 2011 zijn partijen - voor zover hier van belang - overeengekomen:

"(…)

8. [geïntimeerde] heeft via zijn pensioenpolis bij [B] N.V. (polisnummer [00000] ) recht op een oudedagspensioen van netto € 1.571,= per maand (situatie op 01-02-2011). Vanaf 1 december 2006 is deze uitkering overgemaakt naar de bankrekening van [appellante] . Deze uitkering van € 1.571,= zal tot 1 mei 2014 aan mevrouw [appellante] worden overgemaakt. Indien [geïntimeerde] voor 1 mei 2014 komt te overlijden, dan zal het volledige bedrag van het nabestaandenpensioen worden overgemaakt aan [appellante] tot 1 mei 2014.

9. Vanaf 1 mei 2014 zal er door [B] N.V. een bedrag van € 750 betaald worden aan [appellante] . Deze uitkering van € 750,- zal tot aan haar dood worden uitgekeerd aan [appellante] . Het verschil tussen het ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen en deze € 750,- zal worden overgemaakt naar de heer [geïntimeerde] of diens erven.

(…)

11. [geïntimeerde] zal een bedrag van maximaal € 7.000,- overmaken naar [appellante] . Dit betreft een vergoeding voor de aanschaf van een stofzuiger, wasmachine, wasdroger, bed met toebehoren, eettafel met stoelen, tv, bank + stoel en salontafel. Genoemde inventaris blijft in eigendom van [geïntimeerde] . Onderhoud, vervanging en reparatiekosten komen voor rekening van [appellante] ."

Op de achterkant van de vaststellingsovereenkomst (die tevens voorzien is van de handtekeningen van partijen) staat - voor zover hier van belang - met de hand geschreven:

"(…)

9. netto € 750

11 niet opeisbaar."

2.4

Tot oktober 2011 ontving [appellante] een bedrag van € 1.571,- van [B] . Vanaf oktober 2011 ontvangt [appellante] dit bedrag van € 1.571,- rechtstreeks van [geïntimeerde] .

2.5

De Belastingdienst heeft bij beslissing op bezwaar van 20 november 2014 ter zake van een door [appellante] ingediend bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2012 geoordeeld deze periodieke uitkering als een vorm van alimentatie te zien die belast is op grond van artikel 3.101 lid c van de Wet Inkomstenbelasting en heeft het bezwaar afgewezen. De Belastingdienst heeft [appellante] tevens navorderingen opgelegd over 2011 en 2012.

2.6

[appellante] heeft [geïntimeerde] bij brief van 26 november 2014 gesommeerd de van februari 2011 tot mei 2014 aan haar gedane betalingen alsnog te bruteren tot € 2.986,- per maand en haar uit dien hoofde € 55.139,06 uit te betalen, vermeerderd met € 350,- ten onrechte door [geïntimeerde] verrekenende uitkering, zijnde totaal € 55.489,05.

3 De procedure in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat ingevolge de vaststellingsovereenkomst [geïntimeerde] gerekend over de periode 1 februari 2011 tot 1 mei 2014 verschuldigd is het bruto equivalent van een nettobedrag van € 1.571,- per maand ofwel een bedrag van € 2.986,67 per maand;

II. [geïntimeerde] veroordeelt ter zake de achterstand over de periode 1 februari 2011 tot 1 mei 2014 aan [appellante] € 55.489,05 te voldoen;

III. voor recht verklaart dat vanaf 1 mei 2014 [geïntimeerde] verschuldigd is het bruto equivalent over een netto-uitkering van € 750,- per maand, ofwel een brutobedrag van € 1.063,75 per maand;

IV. [geïntimeerde] veroordeelt om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 2.823,75 per maand te voldoen over de periode 1 mei 2014 tot 1 februari 2015;

V. het onder I en IV gevorderde te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de bedragen genoemd onder I tot en met IV, vanaf de dag dat die bedragen verschuldigd zijn tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,-, te vermeerderen met € 68,- indien betekening noodzakelijk zal zijn, één en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2

[geïntimeerde] heeft daartegen verweer gevoerd.

3.3

Bij vonnis van 21 oktober 2015 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, de vorderingen afgewezen.

4 De beoordeling

wijziging eis

4.1

[appellante] heeft haar vorderingen in eerste aanleg in die zin vermeerderd dat zij thans tevens betaling vordert van een bedrag van € 3.500,- ter zake van de aanschaf van inboedel. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellante] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vordering van [appellante] zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

de grieven

4.2

Het hof is van oordeel dat de grieven 1 tot en met 7 zich voor gezamenlijke bespreking lenen. Deze grieven richten zich tegen rechtsoverwegingen 3.2 tot en met 3.6 van het vonnis van de rechtbank, ziende op de fiscale consequenties van de aan [appellante] uitgekeerde bedragen van het aan [geïntimeerde] toekomende nabestaandenpensioen. [appellante] stelt zich in haar grieven 1 tot en met 7 - kort gezegd - op het standpunt dat uit de bepalingen 8 en 9 in de vaststellingsovereenkomst van 31 januari 2011, inclusief de handgeschreven teksten, expliciet blijkt dat het gaat om een nettoverplichting van [geïntimeerde] jegens haar, zodat [geïntimeerde] gehouden is het bruto-equivalent aan haar uit te keren. Een en ander wordt door [geïntimeerde] bestreden.

4.3

Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

Voorts volgt uit HR 20 februari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO1427) dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder komt bij de uitleg betekenis toe aan de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan - waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden - en de overige bepalingen ervan (ECLI:NL:HR:2007:BA4909 en ECLI:NL:HR:2007:AZ3178).

4.4

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de uitkering aan [geïntimeerde] van [B] ter hoogte van € 1.571,- een netto-uitkering betrof, zoals ook is opgenomen onder 8 van de vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben besloten deze uitkering rechtstreeks door [B] op de bankrekening van [appellante] te laten overboeken, opdat zij daarover geen belasting hoefde af te dragen. Met name de vermelding onder 8 van het nettobedrag en de door partijen ondertekende aantekening achter op de vaststellingsovereenkomst met betrekking tot bepaling 9 dat ook het bedrag van € 750,- een nettobedrag betreft, leiden het hof tot het oordeel dat partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst hebben beoogd dat [appellante] deze bedragen netto zou ontvangen. Tegen die achtergrond komt het risico van een belastingheffing over de aan [appellante] uitgekeerde bedragen voor rekening van [geïntimeerde] , die bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst werd bijgestaan door een aan een van zijn bedrijven verbonden adviseur. [geïntimeerde] kan de betalingen aan [appellante] uit hoofde van alimentatie bovendien bij zijn eigen belastingaangifte als aftrekpost in mindering brengen op zijn inkomsten, zeker nu de Belastingdienst die betalingen reeds jegens [appellante] als zodanig heeft aangemerkt.

4.5

Het hof is dan ook van oordeel dat uit de geschetste gang van zaken geconstateerd kan worden dat partijen destijds beoogd hebben dat [appellante] over de periode tot 1 mei 2014 een bedrag van € 1.571,- netto per maand en over de periode vanaf 1 mei 2014 een bedrag van € 750,- netto per maand zou ontvangen. Dit brengt met zich dat de grieven 1 tot en met 7 doel treffen.

4.6

[appellante] heeft op grond van het voorgaande een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerde] gehouden was over de periode van 1 februari 2011 tot 1 mei 2014 een bedrag van € 2.986,67 bruto per maand (te weten: het bruto-equivalent van € 1.571,- netto per maand) aan haar te voldoen en over de periode vanaf 1 mei 2014 een bedrag van € 1.063,75 bruto per maand (te weten: het bruto-equivalent van € 750,- netto per maand) en om [geïntimeerde] te veroordelen om ter zake de achterstand over de periode van 1 februari 2011 tot 1 mei 2014 een bedrag van € 55.189,05 en over de periode van 1 mei 2014 tot 1 februari 2015 een bedrag van € 2.823,75 aan [appellante] te voldoen.

4.7

Het hof constateert dat [geïntimeerde] de door [appellante] genoemde brutobedragen - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - niet heeft bestreden. Dit brengt met zich dat het hof de vordering van [appellante] zal toewijzen.

4.8

In grief 8 komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank ter zake van het bedrag van € 350,- dat [geïntimeerde] heeft verrekend met de door hem aan haar te betalen bijdrage. Het hof constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat [geïntimeerde] een bedrag van € 350,- in mindering heeft gebracht op zijn financiële bijdrage aan [appellante] over de maand augustus 2013. Partijen twisten echter wel over het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] daartoe gerechtigd was. [geïntimeerde] stelt dat [appellante] zijn buks heeft laten verdwijnen, hetgeen [appellante] gemotiveerd heeft bestreden. [appellante] heeft onweersproken gesteld dat zij [geïntimeerde] destijds te kennen heeft gegeven dat zij zich met deze 'korting' niet heeft kunnen verenigen. Nu het hof niet op eenvoudige wijze de gegrondheid van het verweer van [geïntimeerde] kan vaststellen, is de vordering op grond van artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek voor toewijzing vatbaar. Grief 8 slaagt derhalve, zodat ook het bedrag van € 350,- voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet hierop heeft [appellante] geen belang meer bij bespreking van grief 10.

4.9

De grieven 9 en 11 hebben betrekking op de door de rechtbank afgewezen vordering van [appellante] ter hoogte van € 3.500,-. Zij stelt dat zij op grond van artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst van 31 januari 2011 een vordering van € 3.500,- op [geïntimeerde] heeft, nu [geïntimeerde] in maart 2011 slechts een bedrag van € 3.500,- heeft voldaan. [geïntimeerde] betwist een en ander. Hij stelt dat partijen in artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst een maximaal bedrag zijn overeengekomen, hetgeen ook uit de tekst van die bepaling blijkt. [geïntimeerde] meent dat [appellante] tot op heden niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het bedrag van € 3.500,- onvoldoende is geweest om de afgesproken aankopen te doen, zodat hij niet gehouden is om tot betaling van meer dan het reeds door hem betaalde over te gaan. Het hof is van oordeel dat de grieven 9 en 11 falen, nu uit artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst duidelijk blijkt dat partijen een maximaal bedrag zijn overeengekomen en [appellante] in het licht van het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] niet heeft onderbouwd dat zij meer dan € 3.500,- heeft uitgegeven voor de aanschaf van de betreffende zaken.

de proceskosten

4.10

Gelet op de omstandigheid dat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

de slotsom

4.11

De grieven slagen (gedeeltelijk), zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 oktober 2015 en doet opnieuw recht:

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] ingevolge de vaststellingsovereenkomst aan [appellante] over de periode van 1 februari 2011 tot 1 mei 2014 een bedrag van € 2.986,67 bruto per maand en over de periode vanaf 1 mei 2014 een bedrag van € 1.063,75 bruto per maand verschuldigd is;

veroordeelt [geïntimeerde] ter zake de luchtbuks en de achterstand over de periode van 1 februari 2011 tot 1 mei 2014 een bedrag van € 55.489,05 en over de periode van 1 mei 2014 tot 1 februari 2015 een bedrag van € 2.823,75 aan [appellante] te betalen, derhalve in totaal een bedrag van € 58.312,80, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 58.312,80;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten (van beide instanties) draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Jonkman, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. B.J.H. Hofstee, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 10 oktober 2017 in bijzijn van de griffier.