Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8755

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
20-10-2017
Zaaknummer
16/01351 t/m 16/01356
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:5070, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:808
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Navordering. Nieuw feit? Winst uit onderneming? Gemeenteraadslid. Activiteiten in Thailand. Kosten werkruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/62.1.1
V-N Vandaag 2017/2504
Viditax (FutD), 20-10-2017
FutD 2017-2639
Viditax (FutD), 01-06-2018
NTFR 2017/2917 met annotatie van mr.dr. C. Bruijsten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 16/01351 tot en met 16/01356

uitspraakdatum: 10 oktober 2017

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 september 2016, nummers AWB 15/6787, 15/6789, 15/6791, 15/7593, 15/7594 en 15/7595, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De Inspecteur heeft aan belanghebbende over 2009 en 2010 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over 2009 een navorderingsaanslag premie Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Daarbij is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

De Inspecteur heeft voorts aan belanghebbende voor 2011 en 2012 aanslagen IB/PVV en voor 2012 een aanslag premie Zvw opgelegd. Daarbij is bij beschikking voor 2011 heffingsrente en voor 2012 belastingrente in rekening gebracht.

1.3

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken de bezwaren tegen de belastingaanslagen 2009 en 2011 niet-ontvankelijk verklaard, de aanslag voor 2011 bij ambtshalve gegeven beschikking verminderd, en de bezwaren tegen de belastingaanslagen 2010 en 2012 afgewezen.

1.4

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 22 september 2016 met instemming van partijen met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geacht mede gericht te zijn tegen de ambtshalve gegeven beschikking met betrekking tot 2011, het beroep gegrond verklaard voor zover het was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaarschriften met betrekking tot 2009, de navorderingsaanslagen voor dat jaar gehandhaafd, het beroep tegen de uitspraak met betrekking tot 2010 ongegrond verklaard, het beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op 2011 en 2012 en de aanslagen voor die jaren verminderd.

1.5

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben alsmede de nadere stukken die nadien nog door partijen zijn ingebracht.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld door zijn gemachtigde mr. [A] en [B] . Namens de Inspecteur is verschenen mr. [C] .

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is geboren [in] 1959 en gehuwd geweest. Zijn kinderen zijn inmiddels uitwonend. Belanghebbende bewoont samen met een huisgenote een huurwoning. Sinds 2008 zijn belanghebbende en de huisgenote medehuurders van de woning. Bij de woning behoort een garage. Belanghebbende heeft, met toestemming van de verhuurder, in de woning op zolder en, nadien, in de garage een werkruimte gerealiseerd. De werkruimte op zolder is door belanghebbende in 2009 gebruikt in verband met het verrichten van werkzaamheden. Daarna is de tot werkruimte verbouwde garage gebruikt, die een eigen ingang heeft aan de openbare weg en beschikt over een pantry en aansluitingen voor sanitaire voorzieningen. In de onderhavige jaren waren die sanitaire voorzieningen nog niet daadwerkelijk gerealiseerd.

2.2

Belanghebbende is in het verleden werkzaam geweest als zelfstandige loodgieter en aannemer. Door arbeidsongeschiktheid is belanghebbende niet meer in staat deze werkzaamheden uit te oefenen. Belanghebbende ontving in de onderhavige jaren een uitkering uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de AOV) die door hem was afgesloten. De arbeidsongeschiktheid is niet het gevolg van een bedrijfsongeval maar van lichamelijke gebreken die vooral bestaan uit een ernstige vorm van artrose en artritis. Naast de uitkering uit de AOV ontvangt belanghebbende een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ).

2.3

Belanghebbende is sinds 24 april 1991 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als eenmanszaak onder de namen (na meer wijzigingen) ‘ [D] ’, ‘ [E] ’, ‘ [F] ’ en ‘ [G] ’. De inschrijving vermeldt een zeer breed scala van activiteiten waaronder – zakelijk en kort samengevat – detailhandel via postorder en internet, bemiddeling onroerend goed, adviesbureau en consultancy, groothandel verwarmings- en bouwmaterialen en lichte afbouwwerkzaamheden, telen en verkoop van rijst, im- en export van diverse handels- en consumentengoederen en ‘zelfstandig raadslid’.

2.4

Belanghebbende is sedert 2008 politiek actief en is vanaf 2008 lid van een raadscommissie van de gemeente [Z] . In 2010 is belanghebbende gekozen tot lid van de gemeenteraad van [Z] . In 2014 is hij opnieuw gekozen.

2.5

In 2009 en 2010 beperkten de activiteiten van belanghebbende zich tot de werkzaamheden als commissie- en gemeenteraadslid. Naast de opbrengst daarvan bestond het inkomen van belanghebbende in die jaren uit de hiervoor bedoelde AOV- en WAZ-uitkeringen. Belanghebbende heeft in 2011 onderzoek gedaan naar mogelijkheden om in Thailand een rijstplantage te starten. In 2012 is gezocht naar een bedrijfslocatie. In 2013 heeft hij in Thailand een agrarisch bedrijf opgezet, onder meer door het in zijn opdracht doen aanleggen en bewerken van ongeveer 1,12 hectare grond voor de rijstteelt. Hij heeft daarnaast onderzoek gedaan naar mogelijkheden voor import vanuit Thailand van onder meer PVC-artikelen en hij heeft consumentengoederen (lees- en zonnebrillen) naar Thailand geëxporteerd. Voor de verkoop van de consumentengoederen en de gang van zaken met betrekking tot de rijstplantage heeft belanghebbende een zogenoemde freelance-overeenkomst opgesteld met een plaatselijke inwoonster. Belanghebbende is afhankelijk van de financiële overzichten die zij maakt, en inmiddels verloopt, naar belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard, de financiële afrekening vrij gestructureerd. Voordat met de activiteiten in Thailand is gestart heeft belanghebbende niet een zogenoemd businessplan opgesteld maar hij had – naar zijn zeggen – wel voor ogen wat er aan investeringen in onder meer grond en vervoermiddelen nodig was. Het Hof zal de hier beschreven activiteiten in het vervolg aanduiden als de Thaise activiteiten.

2.6

Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren aangifte gedaan voor de IB/PVV en Zvw. Hij heeft daarin telkens de WAZ-uitkeringen vermeld onder ‘Pensioen, lijfrente of andere uitkering’, de AOV-uitkering onder ‘Periodieke uitkeringen’ dan wel (voor 2011 en 2012) onder ‘Pensioen, lijfrente of andere uitkering’, de inkomsten uit zijn politieke activiteiten onder ‘Resultaat uit overige werkzaamheden (arbeid)’ (hierna: row) en de negatieve opbrengst van zijn overige activiteiten onder ‘Winst uit onderneming’. In de aangiften zijn de volgende bedragen opgenomen (in euro’s):

2009 2010 2011 2012

Verlies (vóór ondernemersaftrek

en MKB-vrijstelling) 19.569-/- 21.269-/- 15.330-/- 25.959-/-

WAZ-uitkering 14.420 14.680 14.965 15.097

AOV-uitkering 24.688 27.472 29.012 29.548

Gemeente: opbrengst 1.225 15.427 18.613 18.669

kosten 1.300-/- 6.980-/- 2.273-/-

2.7

In verband met de in de aangifte opgenomen verliezen heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. In het onderzoek zijn ook de juistheid van de kostenaftrek en de omzetbelasting betrokken. Na een aantal concepten waarop belanghebbende heeft kunnen reageren, is op 10 september 2015 het definitieve rapport uitgebracht met bevindingen van het boekenonderzoek. Die bevindingen hebben geleid tot het opleggen van de onderhavige belastingaanslagen. Daarbij zijn door de Inspecteur met name gecorrigeerd de door belanghebbende in de aangiften in aanmerking genomen kosten van een werkruimte (alle jaren), een deel van de algemene kosten in verband met het overwegende privékarakter daarvan zoals een abonnement op het AD, lidmaatschappen van FNV, Woonbond en Vogelbescherming, en sauna (2010, 2011 en 2012), en de vervoerskosten in 2011 en 2012. De nageheven omzetbelasting die verband houdt met kosten die wel in aftrek zijn toegelaten, is door de Inspecteur alsnog als kostenpost in aanmerking genomen. Bij het vaststellen van de onderhavige belastingaanslagen zijn geen zogenoemde ondernemers-faciliteiten in aanmerking genomen.

2.8

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de vervoerskosten (autokosten) die in de aangiften zijn opgenomen onder het verlies uit onderneming, voor 2011 en 2012 (voor 2009 en 2010 heeft de Inspecteur geen correctie aangebracht op dit punt) in aftrek kunnen worden gebracht op het row. Voor het overige heeft de Rechtbank de opgelegde belastingaanslagen en rentebeschikkingen in stand gelaten.

2.9

De Inspecteur is in hoger beroep opgekomen tegen het door de Rechtbank in 2011 en 2012 in aftrek toelaten van de autokosten. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur zijn hogerberoepschrift ingetrokken.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de inkomsten van belanghebbende, andere dan de WAZ-uitkering, door hem zijn genoten als winst uit een door hem gedreven onderneming. Voorts is in hoger beroep nog in geschil of de kosten van de werkruimte aftrekbaar zijn en of op de algemene kosten een correctie moet worden aangebracht.

3.2

Belanghebbende stelt – samengevat en zakelijk weergegeven – dat alle door hem genoten inkomsten, andere dan de WAZ-uitkering, voortvloeien uit één onderneming. Het is een eenmanszaak en alle (voormalige) activiteiten zijn tot zijn persoon terug te voeren. Zijn lichamelijke klachten zijn het gevolg van het verrichten van (zware) werkzaamheden in zijn voormalige beroepsuitoefening en in zoverre zou van een bedrijfsongeval kunnen worden gesproken. De hoogte van de AOV-uitkering houdt verband met de hoogte van de voorheen door hem genoten winst. De premie’s zijn destijds als bedrijfskosten in aanmerking genomen. De AOV-uitkering behoort tot de winst uit onderneming. Ook zijn inkomsten als raads- en commissielid behoren daartoe. Hij is zelfstandig raadslid en uit de informatievoorziening door de Kamer van Koophandel en de VNG, en uit het rechtspositiebesluit van de gemeente, volgt dat hij zijn raadslidmaatschap uitoefent als zelfstandige ondernemer. De Kamer van Koophandel heeft inschrijving van die werkzaamheden als ondernemersactiviteiten ook toegelaten. Mededelingen van die instantie, die naar zijn mening ook beslist over het ondernemerschap, binden de Inspecteur. Hij mag althans daaraan het vertrouwen ontlenen dat die opvatting door de Inspecteur wordt gevolgd. De Thaise activiteiten heeft hij opgestart teneinde in zijn inkomensbehoefte te voorzien als vanaf 2019 de AOV-uitkering stopt. Hij heeft gekozen voor Thailand omdat hij heeft ervaren dat hij wel vaart bij de aldaar heersende klimatologische omstandigheden. De objectieve verwachting bestaat dat uiteindelijk positieve resultaten uit die activiteiten voortvloeien. Voor alle activiteiten binnen zijn ene onderneming tezamen geldt dat zij in totaal positief zijn. Hij heeft recht op toepassing van de ondernemersfaciliteiten. Alle opgevoerde kosten zijn zakelijk. De kosten van de bedrijfsruimte zijn aftrekbaar omdat hij ervoor heeft gekozen het huurrecht tot het vermogen van zijn onderneming te rekenen. Alsdan zijn er geen aftrekbeperkingen met betrekking tot de kosten van die ruimte en de inrichting en het gebruik daarvan. Nu alle kosten steeds in de aangiften zijn opgenomen ontbreekt het de Inspecteur aan een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

3.3

De Inspecteur is van mening dat de Thaise activiteiten niet als een onderneming kunnen worden aangemerkt nu een voordeel daaruit, gelet op de gerealiseerde resultaten en de prognoses voor de toekomst, naar objectieve maatstaven niet zijn te verwachten. De inkomsten uit het raadslidmaatschap en de AOV-uitkering zijn evenmin als winst uit onderneming aan te merken. Uit de cijfermatige uitwerkingen in de aangiften voor 2009 tot en met 2011 blijkt dat belanghebbende niet heeft gekozen voor het activeren van het huurrecht als ondernemingsvermogen, dan wel als resultaatsvermogen. Het huurrecht behoort dus tot het privé vermogen. De aanslagen over 2009 en 2010 waarin dit tot uitdrukking is gebracht staan onherroepelijk vast. De Kamer van Koophandel kan niet namens de Belastingdienst beslissingen nemen omtrent de fiscale kwalificatie en de belastbaarheid van inkomsten. Het enkele vaststellen van de aanslagen overeenkomstig de gedane aangiften kan niet als een verzuim worden aangemerkt dat het opleggen van navorderingsaanslagen verhindert.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zvw.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Nieuw feit

4.1

Volgens vaste jurisprudentie mag de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de Inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven of het ontbreken daarvan, in redelijkheid behoort te twijfelen (zie HR 6 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2890).

4.2

De Inspecteur stelt dat er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Er waren niet-onwaarschijnlijke verklaringen mogelijk voor de door belanghebbende in de aangiften opgenomen gegevens. Eerst bij het boekenonderzoek is aan de orde gekomen hoe de feitelijke situatie van belanghebbende zich verhoudt tot de door hem in de aangifte opgenomen gegevens. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, tegenover de betwisting door de Inspecteur, geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan de Inspecteur had moeten twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de aangifte en daarnaar een nader onderzoek had moeten doen. Van een verzuim van de Inspecteur dat in de weg staat aan het opleggen van navorderingsaanslagen is geen sprake.

Eén of meer ondernemingen

4.3

Belanghebbende stelt dat de opbrengst uit de AOV, zijn werkzaamheden als gemeenteraadslid en zijn overige (Thaise) activiteiten als één onderneming moeten worden aangemerkt. Voorafgaand aan de beoordeling van de juistheid van die stelling zal het Hof eerst de aard van de afzonderlijke inkomsten beoordelen.

De AOV-uitkering

4.4

Belanghebbende heeft in hoger beroep stukken overgelegd met betrekking tot de door hem afgesloten AOV. Blijkens de ‘Voorwaarden van verzekering’ heeft de verzekering ten doel een periodieke uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid (artikel 3), is van arbeidsongeschiktheid uitsluitend sprake indien er, in relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan waardoor de verzekerde beperkingen ondervindt in zijn functioneren in een arbeidssituatie (artikel 5) en de verzekerde als gevolg van die beperkingen voor ten minste 25 percent ongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden die voor zijn krachten en bekwaamheden zijn berekend en die, gelet op zijn opleiding en vroegere werkzaamheden, in redelijkheid van hem kunnen worden verlangd (artikel 9). Voor de verzekerde Rubriek B (aanvulling op de AAW-uitkering) geldt als aanvulling dat de verzekerde ongeschikt is de werkzaamheden binnen zijn eigen bedrijf te verrichten (artikel 30, dat geldt in afwijking van artikel 9).

4.5

Naar het oordeel van het Hof is in dit geval sprake van een verzekering die niet alleen dekking biedt tegen inkomensderving als gevolg van een bedrijfs- of beroepsongeval, in het bijzonder een ongeval binnen de door belanghebbende uitgeoefende onderneming, maar ook tegen inkomensderving als gevolg van ongevallen in het algemeen en niet door een ongeval veroorzaakte ziekte. De AOV-uitkering kan niet worden aangemerkt als (nagekomen) winst uit een door belanghebbende gedreven onderneming. Daaraan doet niet af dat de premie voor de verzekering in het verleden ten laste is gebracht van de winst uit onderneming, noch dat de hoogte van de verzekerde uitkeringen mede is afgestemd op de eerder door belanghebbende genoten winst en de uitkeringen (deels) reeds kunnen ingaan indien belanghebbende zijn voormalige bedrijfswerkzaamheden niet meer kan verrichten.

Vergoeding raadslidmaatschap

4.6

Een vergoeding voor een raadslidmaatschap berust, ook indien moet worden aangenomen dat zij wordt verstrekt om de mogelijke vermindering van inkomsten uit een normale beroepsuitoefening te ondervangen, op dat raadslidmaatschap. Het raadslidmaatschap is niet een uitvloeisel van enige andere beroepsactiviteit (vgl. Hoge Raad 18 oktober 1995, nr. 30.491, ECLI:NL:HR:1995:AA1658, BNB 1995/343).

4.7

Belanghebbende verricht zijn werkzaamheden als gemeenteraadslid als gekozen volksvertegenwoordiger. Zijn prestaties als zodanig liggen op het gebied van het deelnemen aan het democratische besluitvormingsproces en het controleren van het openbare bestuur van de gemeente [Z] . Hoewel belanghebbende voor die prestaties in politieke zin ‘kan worden afgerekend’, verricht hij die prestaties als zodanig niet in het economische verkeer. Dat die prestaties een belangrijke invloed kunnen hebben op het economische verkeer doet daaraan niet af. Belanghebbende treedt, buiten de democratische besluitvorming en het politieke krachtenveld dat kan leiden tot het al dan niet herverkozen worden, niet in concurrentie. Hij verricht als raadslid geen prestaties waarvoor hij zelfstandig een prijs kan bepalen en die hij bij derden in rekening kan brengen. Dat belanghebbende zijn werkzaamheden verricht als ‘zelfstandig raadslid’ doet daaraan niet af. Ook is dat niet anders geworden door de overgang naar het duale stelsel. Dat alles maakt hem nog niet tot een zelfstandige, in de zin van een uitoefenaar van een zelfstandig beroep. Dat in de voorlichting van de Kamer van Koophandel en de VNG de begrippen “winst’ en ‘zelfstandige’ worden gehanteerd maakt niet dat sprake is van winst uit onderneming. Evenmin kan belanghebbende daaraan het door de Inspecteur te honoreren vertrouwen ontlenen dat de vergoeding voor het raadslidmaatschap zal worden aangemerkt als winst uit onderneming.

4.8

Onder de Wet IB 2001 moet de vergoeding voor het raadslidmaatschap worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Bij de bepaling van het resultaat zijn, kort gezegd, de winstbepalingen uit de Wet IB 2001 van toepassing alsof de werkzaamheid een onderneming vormt.

De Thaise activiteiten

4.9

Belanghebbende is in 2011 zijn Thaise activiteiten gestart, aanvankelijk in de oriënterende sfeer en op agrarisch gebied, later uitgebreid met detailhandel en oriëntaties op het gebied van import. In 2011 en 2012 zijn slechts kosten gemaakt en is geen omzet gegenereerd.

4.10

Voor het antwoord op de vraag of de Thaise activiteiten een bron van inkomen vormen in fiscale zin is – onder meer – van belang of de objectieve verwachting is gerechtvaardigd dat daarmee redelijkerwijs voordeel kan worden behaald. De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat daarvan sprake is. Alsdan rust op belanghebbende de last feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een tegengesteld oordeel. Hoewel daarbij in beginsel slechts van belang zijn de feiten en omstandigheden die zich in de onderhavige jaren daadwerkelijk hebben voorgedaan, kunnen feiten en omstandigheden uit latere jaren wel enig licht werpen op de objectieve voordeelsverwachting in die jaren.

4.11

Belanghebbende heeft in hoger beroep een berekening overgelegd van het resultaat uit de Thaise activiteiten. Naar zijn mening rechtvaardigt de groeiende omzet de verwachting dat het resultaat positief zal worden. Het resultaat is door valutaschommelingen negatief beïnvloed. Wat de resultaten zijn, uitgedrukt in (niet aan valutaschommelingen onderhevige) Thaise bath, kan hij niet aangeven. Hij heeft inmiddels geïnvesteerd in grond en vervoersmiddelen. De resultaten voor 2011, 2012 en 2013 bedragen negatief € 1.076, negatief € 8.449 en negatief € 13.483. Het resultaat uit 2011 bestaat geheel, en dat uit 2012 voor meer dan de helft, uit reis- en verblijfkosten van belanghebbende naar en in Thailand. Het concept-resultaat voor 2014, volgens verklaring ter zitting van de gemachtigde inmiddels definitief, bedraagt negatief € 14.491. Het resultaat voor 2015 was ten tijde van de zitting op 1 augustus 2017 nog niet bekend, doch voorlopig geschat op negatief € 1.409. Volgens de verklaring van belanghebbende ter zitting was het resultaat voor 2016 ‘weer zwaar negatief’.

4.12

Belanghebbende heeft geen jaarrekeningen van zijn Thaise activiteiten opgemaakt. Financiële afrekeningen uit Thailand zijn evenmin overgelegd. Concrete gegevens waarop positieve toekomstverwachtingen zijn gebaseerd, waaronder concrete gegevens omtrent de investeringen, ontbreken eveneens. Naar het oordeel van het Hof maakt belanghebbende niet aannemelijk dat in 2011 en 2012 de objectieve verwachting was gerechtvaardigd dat met de Thaise activiteiten voordeel kan worden behaald. Van een bron van inkomen is geen sprake, dus evenmin van winst uit onderneming.

Eén onderneming?

4.13

Nu van geen enkele opbrengst afzonderlijk (AOV-uitkering, raadslidmaatschap en Thaise activiteiten) kan worden geconcludeerd dat sprake is van winst uit onderneming (de Thaise activiteiten vormen zelfs fiscaalrechtelijk geen bron) komt de vraag naar voren of, zoals belanghebbende stelt, het geheel als één onderneming moet worden aangemerkt waarmee een positieve opbrengst wordt gegenereerd.

4.14

De vraag of twee of meer verschillende activiteiten mogelijk tot één objectieve onderneming behoren moet worden beoordeeld aan de hand van het criterium of tussen die activiteiten voldoende samenhang of een voldoende nauw verband bestaat.

4.15

Naar het oordeel van het Hof bestaat er, gezien de aard van de verschillende activiteiten en het ontbreken van iedere economische of commerciële verbondenheid daartussen, geen enkele samenhang tussen de AOV-uitkering, het raadslidmaatschap en de Thaise activiteiten. Van één objectieve onderneming, waardoor de Thaise activiteiten alsnog als onderdeel van een bron van inkomen kunnen worden aangemerkt, is geen sprake. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd maakt dat niet anders. Met name is niet van belang dat, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, alle activiteiten zijn terug te voeren op hem in persoon (er is, in zijn woorden, maar één ondernemer), noch dat de ene activiteit nodig is om de andere te financieren.

De kosten van de werkruimte

4.16

De Rechtbank heeft met betrekking tot de werkruimte – onder meer – het volgende overwogen en geoordeeld:

“29. In de aangiften IB/PVV over onderhavige jaren heeft [belanghebbende] ter zake van de werkruimte in zijn huurwoning ten laste van de aangegeven winst uit onderneming huisvestingskosten in aftrek gebracht, bestaande uit verbouwingskosten, huur werkruimte, verzekering en afschrijving, omdat volgens [belanghebbende] sprake was van een zelfstandig gedeelte van de woning waarvoor kostenaftrek mogelijk was. Daarna heeft [belanghebbende] zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een huurrecht dat tot zijn ondernemings- dan wel resultaatsvermogen behoort. [De Inspecteur] heeft dit gemotiveerd betwist.

30. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld is er in het jaar 2009 geen sprake van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden, zodat er geen kostenaftrek mogelijk is. De huisvestingskosten zijn in dat jaar derhalve terecht gecorrigeerd. Vanaf het moment dat [belanghebbende] in 2010 raadslid is geworden, geniet [hij] resultaat uit een werkzaamheid en dient de aftrekbaarheid van de huisvestingskosten beoordeeld te worden.

31. Een huurrecht is een vermogensrecht en daarmee een goed in de zin van artikel 3.1 Burgerlijk Wetboek en artikel 3.30, eerste lid, van de Wet IB 2001. Dit brengt mee dat een huurrecht dat (mede) voor de ondernemingsuitoefening wordt gebruikt, ondernemingsvermogen kan vormen. De etikettering van het huurrecht als ondernemingsvermogen leidt ertoe dat het gehele bedrag van de huur ten laste van de winst kan worden gebracht en dat daartegenover vanwege het privégebruik van de woning een volgens artikel 3.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 te bepalen bedrag aan de winst dient te worden toegevoegd. Deze bijtelling betreft mede de werkruimte. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, dat ook van toepassing is op “een door de onderneming gehuurde of gepachte onroerende zaak” blijft immers voor het bepalen van de onttrekking een werkruimte waarvan de kosten ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 niet aftrekbaar zouden zijn als die niet tot het ondernemingsvermogen zou behoren, onder de desbetreffende woning begrepen. Gelet op artikel 3.19, vijfde lid, van de Wet IB 2001 dient artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 aldus te worden gelezen dat onder “een tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning” mede moet worden begrepen een tot het ondernemingsvermogen behorend huurrecht van een woning (zie Hoge Raad 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1899).

32. Ter zitting heeft [de Inspecteur] verklaard dat hij niet langer betwist dat de oppervlakte van de werkruimte 31,62% van de gehele woning beslaat. Ook is niet in geschil dat belanghebbende vanaf 2010 vanuit de werkruimte werkzaamheden ten behoeve van het raadslidmaatschap heeft verricht. Dit leidt er toe dat het huurrecht van de woning als keuzevermogen kan worden aangemerkt. Het is dan ook niet in strijd met de redelijkheid zijn als [belanghebbende] het huurrecht in zijn geheel als resultaatsvermogen zou aanmerken. [Belanghebbende] heeft evenwel nagelaten, ook in de beroepsfase, zijn stelling dat het huurrecht als resultaatsvermogen moet worden aangemerkt cijfermatig te onderbouwen. Hij heeft voor de onderhavige jaren niet gesteld welk bedrag aan huur voor de gehele woning ten laste van het resultaat moet worden gebracht. Evenmin heeft [belanghebbende] een bijtelling voor privégebruik van de gehuurde woning in aanmerking genomen bij de onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank leidt hieruit af dat [belanghebbende] in de onderhavige jaren kennelijk ervoor heeft gekozen om het huurrecht tot het privévermogen te rekenen.

33. Het voorgaande leidt ertoe dat bij de beoordeling van de huisvestingskosten artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 toepassing vindt. Op grond van het bepaalde in dit artikel komen kosten en lasten die verband houden met een werkruimte niet in aftrek op de winst, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en intensief wordt gebruikt voor verwerving van inkomen.

34. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een zelfstandig gedeelte van de woning is van belang of de werkruimte beschikt over een eigen opgang of ingang en over eigen voorzieningen zoals bijvoorbeeld sanitair en een keuken. De werkruimte in de woning van [belanghebbende] is weliswaar toegankelijk via een eigen opgang, maar beschikt niet over eigen sanitaire voorzieningen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een zelfstandig gedeelte van de woning. Niet gebleken is dat de werkruimte een dusdanige zelfstandigheid bezit, dat zij ook als zodanig zou kunnen worden verhuurd aan derden. [De Inspecteur] heeft daarom terecht de huisvestingskosten over de jaren 2010 tot en met 2012 gecorrigeerd.”

4.17

Belanghebbende klaagt terecht erover dat de Rechtbank heeft miskend dat hij ook in 2009 row heeft genoten als commissielid. Het ontbreken van resultaat kon derhalve geen grond zijn voor het oordeel dat de correctie voor het jaar 2009 terecht is aangebracht.

4.18

Voor het overige geven de hiervoor weergegeven oordelen van de Rechtbank blijk van een juiste rechtsopvatting, gelet ook op het in punt 31 van de uitspraak van de Rechtbank genoemde arrest van de Hoge Raad.

4.19

Belanghebbende bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat hij heeft nagelaten zijn stelling dat het huurrecht als resultaatsvermogen moet worden aangemerkt, cijfermatig te onderbouwen. Hij wijst op de bijlagen bij het beroepschrift waarin becijferingen zijn opgenomen en herhaalt die becijferingen in zijn hogerberoepschrift. Het Hof leest echter de overweging in punt 32 van de uitspraak van de Rechtbank aldus, dat belanghebbende niet (cijfermatig onderbouwd) aannemelijk heeft gemaakt dat hij, reeds in de door hem ingediende aangiften, het standpunt heeft ingenomen dat de werkruimte behoort tot zijn ondernemingsvermogen dan wel zijn resultaatsvermogen. Het Hof onderschrijft dat oordeel van de Rechtbank. Uit de aangiften en de overige stukken van het geding blijkt dat belanghebbende in de onderhavige jaren onder de kosten een aandeel van de betaalde huur heeft opgenomen. [B] , die de aangiften voor die jaren namens belanghebbende heeft opgemaakt, heeft dit ter zitting van het Hof ook beaamd. De in die aangiften opgenomen winst uit onderneming, noch het in de aangiften opgenomen resultaat uit overige werkzaamheden in verband met de politieke activiteiten van belanghebbende, is bepaald door daarin enerzijds op te nemen als aftrekpost het gehele bedrag van de huur en anderzijds, als bijtelling, een volgens artikel 3.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 te bepalen bedrag vanwege het privégebruik van de woning.

4.20

Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat in de onderhavige jaren geen sprake was van een zelfstandige werkruimte. Het Hof deelt dan ook de conclusie van de Rechtbank dat de Inspecteur in de onderhavige jaren de huisvestingskosten terecht heeft gecorrigeerd.

Overige gecorrigeerde kosten

4.21

De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen bij het boekenonderzoek de in aftrek gebrachte administratiekosten gecorrigeerd tot 50 percent van het opgevoerde bedrag. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd de schatting dat de helft van de bedragen die zijn betaald aan [B] voor zijn administratieve werkzaamheden, betrekking heeft op de Thaise activiteiten en derhalve, nu dienaangaande geen sprake is van een bron van inkomen, niet aftrekbaar zijn. In hoger beroep heeft belanghebbende de facturen van [B] overgelegd waarop [B] , achteraf en met de hand geschreven, zijn inschatting heeft vermeld van het aantal uren ‘raadswerk’. Op basis daarvan concludeert belanghebbende tot een aftrek van 80 percent van de administratiekosten omdat die betrekking hebben op zijn werkzaamheden als raadslid.

4.22

Naar het oordeel van het Hof maakt belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk dat meer dan 50 percent van de in de onderhavige jaren gemaakte administratiekosten betrekking heeft op zijn werkzaamheden als raadslid en ten laste van het row kunnen worden gebracht.

4.23

De Inspecteur heeft voorts een gedeelte van de algemene kosten gecorrigeerd omdat sprake is van privéuitgaven. Belanghebbende heeft die correctie in beroep bij de Rechtbank inhoudelijk niet bestreden en de Rechtbank heeft daarover geen uitspraak gedaan. Eerst ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aangevoerd die correctie te bestrijden. Hij heeft zijn stelling dat sprake is van zakelijke kosten die aftrekbaar zijn echter niet nader onderbouwd. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat hij blijft bij het in het controlerapport ingenomen standpunt dat sprake is van privéuitgaven.

4.24

Naar het oordeel van het Hof maakt belanghebbende ook op dit punt, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk dat hij meer aftrekbare kosten heeft dan de Inspecteur bij het vaststellen van de onderhavige belastingaanslagen in aanmerking heeft genomen.

4.25

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de heffings- of belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom

4.26

De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 10 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

A. Vellema

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 oktober 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.