Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8748

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
21-002730-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling babydochter met de dood ten gevolg.

Gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002730-15

Uitspraak d.d.: 10 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 april 2015 met parketnummer 16-702824-13 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-600039-11, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans uit anderen hoofde verblijvende in [verblijfplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep van verdachte

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 20 oktober 2015, 14 maart 2017, 19 september 2017 en 26 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

Feit 1 primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 oktober 2013 tot en met 17 oktober 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk zijn dochter [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (een of meermalen)

- met kracht vastgepakt en/of

- met kracht vastgehouden en/of

- (vervolgens) heftig geschud en/of

- (daarbij) met haar hoofd tegen een (hard) oppervlak geslagen en/of gestoten en/of

- op/tegen haar hoofd geslagen en/of gestompt,

waardoor een of meer bloedingen in de hersenen en/of onder het harde hersenvlies is/zijn ontstaan,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 22 oktober 2013 is overleden;
Feit 1 subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 oktober 2013 tot en met 17 oktober 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan zijn dochter [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer bloedingen in de hersenen en/of onder het harde hersenvlies en/of een metafysaire hoekfractuur en/of een of meerdere ribfracturen) heeft toegebracht,

door (telkens) opzettelijk die [slachtoffer] een of meermalen (telkens)

- met kracht vast te pakken en/of

- met kracht vast te houden en/of

- (vervolgens) heftig te schudden en/of

- (daarbij) met haar hoofd tegen een (hard) oppervlak te slaan en/of te stoten en/of

- op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 22 oktober 2013 is overleden;


Feit 2 primair
hij in of omstreeks de periode van 18 september 2013 tot en met 2 oktober 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

aan [betrokkene] (zijnde zijn levensgezel) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een trommelvliesperforatie), heeft toegebracht,

door voornoemde [betrokkene] opzettelijk met kracht op/tegen een oor te slaan/stompen;

Feit 2 subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 september 2013 tot en met 2 oktober 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [betrokkene] , (telkens) meermalen met kracht op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de nek en/of een oor heeft geslagen/gestompt,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Feit 3
hij op of omstreeks 28 september 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten zijn dochter [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), met kracht in een wang heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt daarbij het volgende opgemerkt.

Zoals hieronder onder het kopje ‘Overweging met betrekking tot het bewijs’ zal worden overwogen, komt het hof tot de vaststelling dat sprake moet zijn geweest van fors gewelddadig handelen door verdachte jegens zijn dochtertje [slachtoffer] . Echter, op grond van de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat zodanige handelingen zijn verricht, dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachtes opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op de dood van [slachtoffer] . Ook op andere wijze is dit opzet niet gebleken. Gelet hierop dient verdachte van de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs 1

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde

Feitelijke situatie

Op [geboortedatum] is [slachtoffer] geboren te Utrecht. De ouders van [slachtoffer] , verdachte en [betrokkene] , wonen te Utrecht.

[slachtoffer] is op 17 oktober 2013 opgenomen in het Wilhelmina Kinderziekenhuis te Utrecht met (onder meer) een hersenbloeding en een retinabloeding in het linker oog.2

Op 22 oktober 2013 is [slachtoffer] overleden.3

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , uitgevoerd door patholoog Maes, is gebleken dat er sprake was van een grote hersenbloeding links in de grote hersenen/in de hersenkamer (intracerebrale hersenbloeding) en bloed onder het harde hersenvlies (subdurale hersenbloeding). Deze schedelhersenletsels verklaren het overlijden zonder meer door functieverlies van de hersenen.4

Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, die door de verdediging niet zijn weersproken, stelt het hof vast dat [slachtoffer] op 22 oktober 2013 is overleden aan de gevolgen van ernstig hersenletsel.

Vastgestelde letsels

Bij [slachtoffer] zijn onder meer de volgende letsels vastgesteld:5

  1. een bloeding onder het harde hersenvlies (een subdurale hersenbloeding);

  2. een grote hersenbloeding links in de grote hersenen/in de hersenkamer (een intracerebrale hersenbloeding);

  3. acht recente ribfracturen bij de aanhechting aan de wervelkolom;

  4. bloed rond het ruggenmerg dat niet in continuïteit stond met het hoofd;6

5. asymmetrische netvliesbloedingen (voornamelijk in het linkeroog) en bloedingen in de oogzenuwen;

6. een metafysaire hoekfractuur in het linker bovenbeen.

Verzoek horen, dan wel nader laten rapporteren, radiologen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat niet met zekerheid valt te zeggen dat bij [slachtoffer] sprake is geweest van ribfracturen, nu in eerste instantie door de radiologen van het Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ) geen fracturen bij [slachtoffer] werden geconstateerd, hetgeen is bevestigd door dr. Spooren en dr. Benders. In dit verband heeft de raadsman verzocht de radiologen van het WKZ als getuigen te horen, dan wel nader te laten rapporteren.

Het hof overweegt in dat verband het volgende.

De raadsman van verdachte heeft bij appelschriftuur van 12 mei 2015 verzocht tot het horen van de radiologen van het WKZ. Dit verzoek is besproken op de regiezitting van 20 oktober 2015, waarna het bij tussenarrest van 3 november 2015 is afgewezen omdat de raadsman naar het oordeel van het hof niet voldoende inzichtelijk had gemaakt wat hij wilde vragen en hoe een nader verhoor kon bijdragen aan de onderbouwing van het standpunt van de verdediging. Kort voor de zitting van 14 maart 2017 heeft de raadsman verzocht om de deskundigen Kubat en Milroy opnieuw te laten horen. Tijdens de zitting is besloten deze deskundigen nader te laten rapporteren en op een volgende zitting te horen. Vervolgens is de zaak op 19 en 26 september 2017 inhoudelijk behandeld en heeft de raadsman van verdachte ter zitting van het hof van 26 september 2017 tijdens zijn pleidooi het in de appelschriftuur opgenomen verzoek tot het horen van de radiologen van het WKZ herhaald en pas tijdens dat pleidooi het verzoek voorzien van een (nadere) onderbouwing.

Nu het verzoek reeds na de behandeling op de regiezitting was afgewezen en daarna opnieuw is gedaan, is het hof van oordeel dat het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.7

In het rapport van arts en patholoog Maes van 26 maart 2014 staat:

A1 Voorafgaand aan de sectie is aan het lichaam postmortaal beeldvormend onderzoek verricht in het Groene Hart Zieken te Gouda. (…) Er werd in het linkerbovenbeen (…) een mogelijke breuklijn net boven de knie waargenomen (metafysaire hoekfractuur). Bij herbeoordeling van de beelden werden ook ribbreuken waargenomen, zowel door de radioloog in het Groene Hart Ziekenhuis als door dr. R.R. van Rijn, kinderradioloog in het AMC.

(….)

B8 De bij sectie uitgenomen ribben en lange pijpbeenderen uit de beentjes werden nader macroscopisch en microscopisch onderzocht. Er waren beiderzijds in totaal in elk geval acht recente ribfracturen bij de aanhechting aan de wervelkolom, posterieure ribfracturen, met geringe bloedingsresten in de vorm van ijzerdeposities. De radiologisch waargenomen metafysaire hoekfractuur links werd bevestigd.8

Radioloog Rietveld geeft in zijn aanvullend verslag van 12 december 2013 aan dat bij revisie van de CT-scan total body van 22 oktober 2013 meerdere ribfracturen worden gezien. Deze waren niet zichtbaar op de skeletstatus en daardoor zijn ze gemist bij de CT-scan. Ook geeft hij terugkijkend aan dat deze ook zichtbaar zijn op de 3D-reconstructie.9

Kinderradioloog Van Rijn geeft in zijn herbeoordeling van 12 december 2013 van de skeletstatus van 20 oktober 2013 ook aan dat een fractuur van de ribben zeer zeker niet is uit te sluiten. Over de total body CT stelt hij dat sprake is van posterieure ribfracturen, dat deze eigenlijk alleen goed zichtbaar zijn op de CT en dat bekend is dat verse posterieure ribfracturen op conventionele beeldvorming gemist kunnen worden.10

Tot slot heeft forensisch patholoog Milroy ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat afhankelijk van de manier waarop de röntgenfoto’s worden gemaakt de ribbreuken misschien niet zichtbaar zijn en dan gemist kunnen worden.11

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verschillende deskundigen de ribfracturen hebben vastgesteld, zowel op basis van beeldvorming als op basis van pathologisch onderzoek. Tegelijkertijd is er een verklaring voor het gegeven dat enkele andere artsen de fracturen niet hebben waargenomen. De noodzaak van het horen van, dan wel nader onderzoek door, de radiologen van het WKZ is dan ook niet gebleken, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

Oorzaak van de letsels

1. Subdurale hersenbloeding

Omtrent de oorzaak van de subdurale hersenbloeding is door forensisch arts Spooren overwogen dat een dergelijke bloeding ontstaat wanneer bloedvaten in de schedel, de zogenaamde ankervenen, afscheuren. Deze ankervenen kunnen scheuren als de schedel en de hersenen ten opzichte van elkaar bewegen. Krachten waarbij afscheuring van de ankervenen kan optreden, zijn herhaalde voor- en achterwaartse bewegingen van het hoofd (acceleratie-deceleratietrauma). Zonder plausibele andere verklaring is het scheuren van ankervenen in het bijzonder kenmerkend voor een schudincident, al dan niet met impact door of tegen een hard voorwerp. Dergelijke condities kunnen optreden wanneer een kind krachtig wordt omvat en wordt ‘geschud’.

Bij uitsluiting van medische oorzaken en bij gebrek aan een plausibele accidentele verklaring, is een bloeding onder het harde hersenvlies - zeker in combinatie met andere bevindingen die wijzen op het doorgemaakt hebben van een niet-accidenteel trauma - zeer verdacht voor toegebracht schedel-/hersen letsel (Abusive Head Trauma (AHT)).12

Neuropatholoog Kubat heeft verklaard dat subduraal bloed van origine traumatisch is, tenzij er aanwijzingen zijn dat sprake is van verhoogde bloedingsneiging, oftewel stollingsproblemen, hetgeen in het onderhavige geval is uitgesloten. De subdurale bloeding is traumatisch ontstaan.13

Forensisch patholoog Milroy heeft ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat dunne bloedingen in de subdurale ruimte, gebrek aan zuurstof en bloedtoevoer, aangeduid als hypoxisch ischemische encefalopathie, een typerend patroon is voor het ‘shaken baby syndroom’. De bron van de bloeding die zich boven het oppervlakte van de hersenen bevond, de subdurale bloeding, zijn de ankervenen.14

Geboortetrauma

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat een geboortetrauma de oorzaak is geweest voor de subdurale bloeding.

Het hof verwerpt dit verweer. Diverse deskundigen hebben verklaard dat de geboorte als oorzaak van de subdurale bloeding kan worden uitgesloten. Zo heeft Milroy ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat in 25% van de geboortes sprake is van een subdurale bloeding bij het kind, maar dat dit kleine subdurale bloedingen zijn.15 Spooren heeft verwezen naar een uitgevoerd onderzoek naar het voorkomen van bloedingen onder het harde hersenvlies bij pasgeborenen zonder klinische aanwijzingen voor neurologische problematiek door de bevalling. Bij alle kinderen waarvan direct na de geboorte een bloeding onder het harde hersenvlies was aangetroffen, waren deze bloedingen na vier weken verdwenen.16

Burst lobe

De stelling van de verdediging - gebaseerd op een door Milroy genoemde mogelijkheid - dat sprake kan zijn geweest van een zogeheten ‘burst lobe’, een gescheurde hersenkwab waardoor het bloed uit de hersenen door het oppervlakte van de hersenen heen is gebroken naar de subdurale ruimte, wordt door het hof niet gedeeld. Daartoe wordt overwogen dat deskundige Kubat ter terechtzitting van de rechtbank (en herhaald ter terechtzitting van het hof) heeft verklaard dat op de MRI, noch op de CT-scan een doorbraak zichtbaar was van een interne bloeding naar de subdurale ruimte. Als van een dergelijke bloeding sprake was geweest, dan had dat gezien moeten zijn.17 Voorts heeft Kubat in het ter zitting van de rechtbank door haar overgelegde schriftelijke stuk vermeld dat het in het ziekenhuis, voorafgaande aan het overlijden, verrichte radiologisch onderzoek uitsluit dat de bloeding onder het harde hersenvlies van de hersenen was ontstaan door het ‘doorbreken’ van de bloeding in de hersenen tot onder het harde hersenvlies, omdat de bloedingen in de hersenen steeds door hersenweefsel waren omgeven.18

COL4A1-gen

Bij [slachtoffer] is DNA-onderzoek verricht op het COL4A1-gen. De uitslag van dit DNA-onderzoek vermeldt dat een mutatie is gevonden in dit gen, namelijk de mutatie c.2705C>G, p.Pro902Arg. De onderzoekers spreken over een ‘ons onbekende missense variant’.

Het effect van de COL4A1-variatie van [slachtoffer] in deze zaak is niet bekend. In het geval van [slachtoffer] heeft de variatie in het COL4A1-gen niet de status van een pathogene mutatie gekregen.19 Ook tot juni 2017 is in de medische literatuur geen andere patiënt met porencefalie beschreven die drager is van deze variant, terwijl deze variant inmiddels vaker gevonden is in gezonde personen.20

Kubat verklaart dat de aanleg van de vaten in de hersenen van [slachtoffer] in deze zaak normaal waren. De uitgenomen vaten van de hersenen zijn speciaal met het oog hierop beoordeeld. Er was geen sprake van aanlegstoornissen. Aan de oogpatholoog is expliciet gevraagd hierop te letten. De oogpatholoog heeft geen aanlegstoornissen gezien.21

Gelet hierop acht het hof het onaannemelijk dat - zoals door de verdediging is geopperd - de genoemde genafwijking de bij [slachtoffer] geconstateerde bloedingen heeft veroorzaakt dan wel versterkt.

Nu van een onderliggende medische aandoening of een accidentele oorzaak niet is gebleken, concludeert het hof op grond van het voorgaande dat sprake moet zijn geweest van fors van buiten komend geweld, waardoor de ankervenen zijn gescheurd en de subdurale bloeding is ontstaan.

2. Intracerebrale hersenbloeding

Omtrent de oorzaak van de intracerebrale hersenbloeding heeft Spooren gerelateerd dat een trauma de belangrijkste oorzaak is voor een bloeding in het hoofd bij jonge kinderen.22

Kubat heeft tegenover de rechtbank verklaard dat het waarschijnlijker is dat het optreden van de intracerebrale bloeding werd veroorzaakt door geweldsinwerking op de hersenen dan dat het niet werd veroorzaakt door geweldsinwerking op de hersenen.23

Milroy heeft opgemerkt dat een bloeding in de substantie van de hersenen zeldzaam is bij toegebracht hersenletsel bij kinderen van deze leeftijd. Voorgestelde traumamechanismen voor het ontstaan van intracraniële pathologie zijn schudden en/of impact.24 Ter terechtzitting van het hof heeft Milroy verklaard dat de meest gebruikelijke en voor de hand liggende verklaring is dat het letsel in de hersenen door trauma is veroorzaakt.25

Patholoog Maes heeft overwogen dat de hersenletsels het gevolg zijn van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend geweld op het hoofd waarbij acceleratie-deceleratie/impact trauma (heftig schudden en botsend geweld) als eerste worden overwogen.26

Ook voor de intracraniële bloeding geldt dat van een onderliggende medische aandoening of accidentele oorzaak niet is gebleken. Het hof gaat er aldus vanuit dat de hersenbloeding is ontstaan door geweldsinwerking op de hersenen.

3. Bloedingen in en om het oog

Milroy heeft uiteengezet dat het mogelijk is dat de bloedingen in het oog een secundair effect zijn van de schade in de hersenen.

Kubat heeft ter zitting van de rechtbank ten aanzien van de aangetroffen netvliesbloedingen verklaard dat de netvliesbloeding aan het linker oog zeer uitgebreid was. Een dergelijk uitgebreide netvlies bloeding past niet bij het uitzetten van de hersenen. Het is bekend dat dergelijke bloedingen optreden als gevolg van trauma. Er werden geen andere afwijkingen gevonden die de bloedingen zouden kunnen verklaren. Het is veel waarschijnlijker dat de bloedingen het gevolg waren van trauma dan dat zij niet het gevolg waren van trauma.27

Ter terechtzitting van het hof heeft Kubat verklaard dat netvliesbloedingen zonder trauma kunnen ontstaan, maar dan zijn deze vaak klein in omvang. Ook de bloeding in en om de oogzenuw is een bloeding die niet door andere oorzaak dan door trauma wordt toegebracht, aldus Kubat.28

Geboortetrauma

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat een geboortetrauma de oorzaak is voor de netvliesbloedingen.

Het hof verwerpt dit verweer. Diverse deskundigen hebben verklaard dat de geboorte als oorzaak van de netvliesbloedingen kan worden uitgesloten. Zo heeft Milroy ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat netvliesbloedingen ook bij geboorte kunnen ontstaan, maar dat in het onderhavige geval te veel ijzer aanwezig was om alleen door de bevalling te zijn veroorzaakt.29 Voorts heeft Spooren gerapporteerd dat netvliesbloedingen ten gevolge van de geboorte meestal binnen vier weken verdwenen zijn. Netvliesbloedingen na de bevalling zijn bovendien zelden zo uitgebreid als na het met kracht schudden van een kind.30 Zoals hiervoor reeds overwogen heeft Kubat tegenover de rechtbank aangegeven dat de netvliesbloedingen zeer uitgebreid waren. Voorts heeft zij ter terechtzitting van het hof verklaard dat binnen drie weken vrijwel alle door geboorte opgetreden retinale bloedingen zijn verdwenen.31

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het beeld van de netvliesbloedingen in het linkeroog van [slachtoffer] past bij een toegebracht trauma.

4. Bloed rond het ruggenmerg

Kubat heeft ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat onder het ruggenmerg bloed aanwezig was dat niet in continuïteit stond met bloed in het hoofd. Het ruggenmerg is (ook) omgeven door het harde hersenvlies. Het bloed zat in de subdurale ruimte. Die ruimte loopt door van de hersenen naar het ruggenmerg. Het feit dat rondom de hersenstam geen bloeding subduraal is aangetroffen maar wel rond het ruggenmerg geeft aan dat de bloeding rond het ruggenmerg apart beschouwd moet worden van de afwijkingen in het hoofd. Subduraal bloed is traumatisch van origine, tenzij er aanwijzingen zijn dat sprake is van verhoogde bloedingsneiging, oftewel stollingsproblemen. Die zijn in dit geval uitgesloten. De bloeding rond de ruggenmerg is traumatisch ontstaan. hierbij kan sprake zijn geweest van krachtige buigingen en extensie, oftewel hypertensie en hyperflexie, ter hoogte van de hals.32 Zij denkt dat de bloeding kan zijn veroorzaakt door het trauma dat ook de ribbreuken heeft veroorzaakt. Die breuken worden veroorzaakt door een stevige greep waarmee het lijfje vastgepakt wordt en de wervelkolom voor en achterwaarts buigt meestal ook met rotatie. Door overstrekking van vaatjes kan de bloeding in het ruggenmerg worden veroorzaakt.33

Milroy heeft eveneens verklaard niet verbaasd te zijn als vanwege de ribfracturen enig trauma geassocieerd wordt met het ruggenmerg.34

Ook hier stelt het hof vast dat de bloeding traumatisch is ontstaan.

5. Ribfracturen

Maes heeft met betrekking tot de geconstateerde ribfracturen gerapporteerd dat deze het gevolg zijn van opgelopen mechanisch inwerkend geweld op de romp, zoals dat kan ontstaan bij heftig schudden, waarbij de romp wordt gecomprimeerd tussen de handen van een volwassene.35

Milroy heeft aangegeven dat dit patroon van ribfracturen wordt gezien bij compressie van de borstkas. Dergelijke compressie is kenmerkend voor toegebracht (niet-accidenteel) letsel.36

Ter terechtzitting van de rechtbank heeft Milroy verklaard dat er meerdere ribbreuken waren aan de rug die kunnen ontstaan door de borst in te drukken. De conclusie van Milroy is dat de ribben bij leven zijn gebroken door knijpen. Er moet sprake zijn geweest van druk op de borst. Met druk van de handen op de achterkant kun je de ribben breken.37

6. Metafysaire hoekfractuur

Ten aanzien van de metafysaire hoekfractuur heeft Maes gerapporteerd dat deze het gevolg is van opgelopen mechanisch inwerkend geweld op het linkerbeen, zoals dat kan ontstaan bij heftig schudden waarbij de beentjes krachtig worden rondgeslingerd.38

Milroy heeft overwogen dat dergelijke fracturen in verband worden gebracht met trauma en doorgaans worden toegeschreven aan het trekken aan of verdraaien van het lidmaat.39

Ter terechtzitting van de rechtbank heeft Milroy verklaard dat een metafysaire breuk kan ontstaan door het been vast te houden en eraan te trekken of eraan te draaien. Ook kan de breuk ontstaan door schudden waarbij schade aan de ledematen wordt toegebracht.40

Ter zitting van het hof heeft Milroy verklaard dat de metafysaire hoekfractuur bewijs is van een toegebrachte verwonding.41

Op basis van het voorgaande en bij het ontbreken van concrete aanwijzingen voor een andere oorzaak, stelt het hof vast dat de botbreuken (de ribfracturen en de metafysaire hoekfractuur) het gevolg zijn van toegebracht trauma.

Combinatie van de letsels

Omtrent de combinatie van de letsels hebben de verschillende deskundigen het volgende naar voren gebracht.

Spooren heeft aangegeven dat de combinatie van afwijkende bevindingen bij [slachtoffer] , zonder plausibele verklaring voor het ontstaan van deze bevindingen, verdacht is voor Abusive Head Trauma (toegebracht schedel-/hersenletsel) door acceleratie-deceleratietrauma (schudincident), een stomp contacttrauma van het hoofd of een combinatie van beide. Er bestaan vrijwel geen andere verklaringen voor het voorkomen van deze combinatie van bevindingen.42

Maes heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat de combinatie van niet-accidenteel schedel/hersenletsel met posterieure ribfracturen, dus naast de wervelkolom, en metafysaire hoekfracturen aan de lange pijpbeenderen vrijwel bewijzend is voor kindermishandeling.43

Kubat heeft ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat zij ervan overtuigd is dat het totale beeld van de letsels veel waarschijnlijker het gevolg is van de inwerking van geweld. De datering van de letsels draagt bij aan deze overtuiging. Het is aannemelijk dat de letsels tegelijk zijn ontstaan, aangezien de tijdspannes van de datering in elkaars marges vallen. Kubat acht het onwaarschijnlijk dat geen sprake is geweest van trauma.44

Ter zitting van het hof heeft Kubat verklaard dat de aanwezigheid van de bloeding onder het harde hersenvlies, de bloeding in de linker grote hersenhelft, de bloeding onder het hersenvlies en de zachte hersenvliezen in het ruggenmerg, maar ook de aanwezigheid van de ribbreuken, de metafysaire hoekfractuur en de uitgebreide netvliesbloedingen, aan de ene kant en anderzijds de afwezigheid van metabole stoornissen van toegenomen bloedingsneigingen maakt, dat dit een traumatische oorsprong moet hebben. Naar het oordeel van Kubat zijn er geen factoren die een traumatische oorzaak tegenspreken.45

Milroy heeft opgemerkt dat het algehele patroon er een is van toegebracht (niet-accidenteel) letsel en dat de eenvoudigste verklaring voor het mechanisme dat ten grondslag ligt aan deze pathologische bevindingen zonder meer is dat één enkele episode van toegebracht letsel de botletsels en de hersenpathologie heeft veroorzaakt.46

Met betrekking tot (het ontstaansmoment) van de ribbreuken en de metafysaire hoekfractuur overweegt het hof dat - zoals hiervoor is overwogen - deze letsels passen bij de overige genoemde letsels, hetgeen een aanwijzing is voor de omstandigheid dat deze gelijktijdig zijn veroorzaakt. Hierbij past de vaststelling van Maes dat de fracturen allemaal enkele dagen oud waren.47 Het dossier, noch de verklaringen van verdachte bevatten aanwijzingen voor het ontstaan van de ribbreuken en de metafysaire hoekfractuur op een ander moment dan het moment waarop de overige hierboven beschreven letsels zijn ontstaan.

Op grond hiervan gaat het hof er vanuit dat de fracturen gelijktijdig zijn ontstaan met de subdurale bloeding, de intracerebrale bloeding, de bloeding rond het ruggenmerg en de netvliesbloedingen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de vastgestelde letsels afzonderlijk, maar vooral in combinatie, kenmerkend zijn voor een toegebracht trauma (schudden en/of impact). Voor wat betreft de ribbreuken stelt het hof vast dat het ook niet anders kan dan dat deze door geweld moeten zijn toegebracht. Daar komt bij dat een andere ontstaansoorzaak van de vastgestelde letsels niet door verdachte naar voren is gebracht en ook niet anderszins bekend is geworden. Dit alles maakt dat het hof van oordeel is dat sprake moet zijn geweest van, voor een kind van vier weken oud, heftig toegebracht geweld, waarbij [slachtoffer] krachtig is geschud en/of fors geweld op haar hoofd is uitgeoefend.

Het moment van ontstaan van de letsels in relatie tot de symptomen

Laatste symptoomvrije momenten

[betrokkene] heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] op 17 oktober 2013 rond 8.30/8.45 uur haar fles leeg heeft gedronken en dat [slachtoffer] gewoon vredig en rustig was.48

Haar moeder, [betrokkene 2] , heeft tegenover de politie verklaard dat ze op 17 oktober 2013 een foto kreeg toegestuurd van verdachte waarop [slachtoffer] ‘helemaal lief en kijkend’ lag.49 Volgens de bijbehorende metadata is deze foto gemaakt op 09.29 uur.50

Verdachte zelf heeft verklaard dat hij [slachtoffer] op 17 oktober 2013 omstreeks 8.45 uur in de schommelwieg heeft gelegd, waar ze 1 à 1,5 uur rustig om zich heen lag te kijken. Ook heeft hij verklaard dat hij omstreeks 9.15 uur van zijn schoonmoeder het verzoek kreeg een fotootje van [slachtoffer] te maken.51 Op het moment van het maken van de foto ging het goed met [slachtoffer] , aldus verdachte.52

Waargenomen symptomen

[betrokkene] heeft verklaard dat zij om 11.22 uur wakker werd en dat ze [slachtoffer] daarna heel raar hoorde huilen. [slachtoffer] zat in de hoek van de bank gedrukt en verdachte zat ernaast.53 [slachtoffer] bleef raar huilen. Het was meer kreunen en af en toe een heel hard krijsje. De fles dronk ze niet. Haar benen waren aan het verstijven en ze was heel raar aan het doen met haar handjes. Ook was ze met haar ogen aan het draaien. De kleur van haar gezichtje was best wel wit.54

Verdachte heeft verklaard dat hij [betrokkene] wakker heeft gemaakt en [slachtoffer] uit de schommelstoel heeft gepakt en op de hoek van de bank heeft gezet. Op dat moment huilde [slachtoffer] . [slachtoffer] wilde niet drinken. Ze kreunde alleen maar. Verdachte verklaart dat ze al snel zagen dat het verkeerd ging met [slachtoffer] . Ze zagen dat [slachtoffer] haar armpjes met gebalde vuisten vooruitstrekte en heel erg kreunde. Het leek alsof ze onder stroom werd gezet.55 Het huilen begon toen verdachte [slachtoffer] oppakte uit de schommelstoel.56

Wanneer [slachtoffer] rond 15.00 uur in het Diakonessenhuis aankomt, constateert verpleegkundige Van Lagen dat [slachtoffer] heel bleek is en kreunde. Bij de pupilcontrole was de linkerpupil wijder dan de rechterpupil en reageerde niet.57

Kinderarts Van Schaik meldt dat hij een zeer bleek, kreunend, (het hof leest:) insufficiënt ademend kind aantrof, waarbij de linkerpupil niet reactief was en sprake was van een zeer bolle fontanel.58 Hij hoorde haar huilen en kreunen en zag dat ze wisselend ademhaalde, zeer bleek was en zich ernstig overstrekte.59

Arts-assistent Verberne verklaart dat er geen contact was te krijgen met [slachtoffer] en dat ze haar tenen, voeten, vingers en handen verkrampt hield.60

Ontstaansmoment

Spooren heeft aangegeven dat bij kinderen die hersenletsel hebben, het mogelijk is om bij benadering vast te stellen wanneer het letsel is ontstaan. Dit geldt met name bij kinderen die ernstig (fataal of bijna fataal) hersenletsel hebben. Onderzoek bij kinderen die zijn overleden ten gevolge van hoofdletsels laat zien dat er sprake is van direct ontstaan van symptomen aansluitend op het ontstaan van gemiddeld tot ernstiger diffuus (verspreid) hersenletsel. De verschijnselen die deze kinderen vertonen zijn onder andere een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau (lethargie of bewusteloosheid), onregelmatige ademhaling, moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand en frequente insulten. Deze verschijnselen komen alarmerend over en zullen in normale omstandigheden bij de begeleiders van het kind leiden tot het zoeken van medische hulp.61

Op 17 oktober 2013 was sprake van een acute medische noodsituatie bij [slachtoffer] en werden onder meer bloedingen in het hoofd bij [slachtoffer] vastgesteld. De symptomen van hersenletsel ontstaan doorgaans direct aansluitend aan het incident.62

Forensisch arts Karst rapporteert dat vanuit medische logica en vanuit medisch wetenschappelijke literatuur (waarin onder meer gekeken is naar het verhaal van bekennende daders) geconcludeerd kan worden dat klinische verschijnselen (ademhalingsproblemen en een bewustzijnsstoornis, zich onder meer uitend in slapte, met soms trekkingen) direct aansluitend (ordegrootte: seconden) aan het veroorzakend mechanisme moet hebben voorgedaan. Het ontstaansmechanisme moet hebben plaatsgevonden na het laatste moment van normaal functioneren (zoals het relatief probleemloos leegdrinken van een fles, reageren op aanspreken, adequate spierspanning) en voor het moment van de klinische noodsituatie (bewustzijnsstoornis en ademhalingsproblemen) zoals beschreven lijkt te zijn door de ouders van [slachtoffer] op 17 oktober 2017 aan het einde van de ochtend.

Baby’s met ernstig traumatisch hersenletsel zullen een bewustzijnsdaling (zoals bewustzijnsvermindering, bewusteloosheid of coma, merkbaar door spierslapte en niet reageren op aanspreken of aanraken), ademhalingsproblemen (zoals onregelmatig ademhalen, steunen of kreunen, of ademstilstand, eventueel leidend tot een witte of grauwe gelaatskleur) en eventueel spiertrekkingen hebben. Afhankelijk van de ernst van het letsel zijn huilgedrag (soms beschreven als anders dan gebruikelijk, of opvallend hoog) en zuigbewegingen (op basis van een zuigreflex) mogelijk. Het op gebruikelijke wijze drinken van een fles, of het geheel opdrinken van de gebruikelijke hoeveelheid melk, is met ernstig traumatisch hersenletsel niet mogelijk.63

Het hof overweegt dat de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels zodanig waren dat volgens de deskundigen sprake was van een acute noodsituatie. Vanaf het moment dat [betrokkene] wakker is geworden, is het slachtoffer niet meer symptoomvrij geweest. [betrokkene] heeft symptomen beschreven die passen bij de aangetroffen letsels. Ook verdachte heeft deze symptomen gezien. De waarneming van de symptomen door de verpleegkundige, de kinderarts en de arts-assistent sluit ten slotte eveneens aan bij hetgeen vanaf 11.22 uur door [betrokkene] en verdachte is gesignaleerd. Door verdachte is niet weersproken dat alle symptomen vanaf dat moment zichtbaar waren.

Gesteld kan daarom worden dat de voor de noodsituatie kenmerkende symptomen zich vanaf dat eerste moment hebben geopenbaard. De acute noodsituatie was vanaf 11.22 uur aanwezig, terwijl kort daarvoor nog sprake was van een normale situatie.

In gevallen waarin de acute noodsituatie aanwezig is, kan worden geconcludeerd dat het letsel en de daarbij behorende symptomen zijn ontstaan direct na het toebrengen van het daaraan ten grondslag liggende geweld. Dat blijkt uit de rapporten van Spooren en Karst zoals hiervoor aangehaald. Nu de symptomen van de klinische noodsituatie vanaf 11.22 uur zijn waargenomen, moet het geweld dus kort voor dat tijdstip zijn toegebracht.

Betrokkenheid verdachte

[betrokkene] heeft verklaard dat zij op 17 oktober 2013 om 9.00 uur naar bed ging en dat [slachtoffer] naar verdachte ging. Om 11.22 uur werd zij wakker.64

Ook verdachte heeft verklaard dat [betrokkene] snel na half negen weer naar bed is gegaan, dat hij met [slachtoffer] in de woonkamer was en dat hij [betrokkene] rond elf uur wakker heeft gemaakt.65

Verzoek toevoegen WhatsApp-gesprekken en onderzoek aan Xbox

De raadsman van verdachte heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en het openbaar miniserie te gelasten een volledige uitwerking van alle inkomende en uitgaande (WhatsApp)gesprekken van de telefoon van verdachte en [betrokkene] te verstrekken, nu deze de context kunnen weergeven van de zich wel in het dossier bevindende (WhatsApp)gesprekken en zodoende ontlastend voor verdachte kunnen zijn.

Voorts heeft de raadsman verzocht het openbaar ministerie op te dragen nader onderzoek te verrichten aan (de harde schijf van) de Xbox van verdachte teneinde vast te kunnen stellen dat, hoe lang en op welk tijdstip verdachte gebruik heeft gemaakt van de Xbox. Bovendien zou de chat van de Xbox cruciale informatie kunnen bevatten.

Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige is ingevolge artikel 315, eerste lid, in verbinding met artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.

Daarbij heeft het hof - voor zover het verzoek de strekking heeft om (bestaande) stukken aan het dossier toe te voegen - in aanmerking genomen dat in het dossier dienen te worden gevoegd de stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin (vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AB9820, NJ 1996, 687).

Het hof heeft de zich wel in het dossier bevindende WhatsApp gesprekken niet gebezigd voor bet bewijs. Daar komt bij dat door verdachte niet is betwist dat hij gedurende de periode dat het letsel moet zijn toegebracht, alleen was met [slachtoffer] . Bovendien kan schudden en/of toepassen van geweld op het hoofd in een kort tijdsbestek plaatsvinden, zodat uit appgesprekken of speelgedrag (voor zover dat al zou zijn vast te stellen) niet kan worden afgeleid of verdachte de gelegenheid heeft gehad dit geweld uit te oefenen.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat overlegging van de verzochte informatie over en onderzoek met betrekking tot de (WhatsApp)gesprekken en de Xbox niet noodzakelijk zijn. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat verdachte de ochtend van 17 oktober 2013 ergens tussen 8.30 en 9.00 uur de zorg over [slachtoffer] heeft overgenomen van [betrokkene] . Toen was [slachtoffer] symptoomvrij. Vanaf dat moment tot aan het moment dat [betrokkene] wakker is geworden, is niemand anders bij [slachtoffer] aanwezig geweest. Eerder is geconcludeerd dat het op [slachtoffer] toegepaste geweld kort voor 11.22 uur moet hebben plaatsgevonden. Het kan daarom niet anders zijn dan dat verdachte verantwoordelijk is voor deze geweldpleging.

Opzet

Het is algemeen, dus ook bij verdachte, bekend dat als een vier weken oude baby wordt blootgesteld aan ernstige geweldshandelingen, de kans groot, in ieder geval aanmerkelijk is, dat het kind ten gevolge van die handelingen zwaar lichamelijk letsel oploopt. Gelet op de soort geweld dat in het onderhavige geval is uitgeoefend, te weten het krachtig schudden en/of het uitoefenen van fors geweld op het kwetsbare hoofd van een baby, kan het niet anders dan dat verdachte die aanmerkelijke kans ook daadwerkelijk willens en wetens heeft aanvaard en dat verdachte (op zijn minst voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling jegens zijn kind, met de dood tot gevolg.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

[betrokkene] heeft aangifte gedaan bij de politie, waarbij zij heeft verklaard dat verdachte een blauwe plek heeft veroorzaakt op de wang van [slachtoffer] .66 [slachtoffer] was toen tien dagen oud. [betrokkene] hoorde [slachtoffer] hard gillen. Verdachte zei toen: ‘Heb je haar wang gezien. Ik heb haar geknepen’. [betrokkene] draaide het hoofdje van [slachtoffer] en zag een ‘plakkaat’. Zij is toen naar de buurvrouw gelopen.67

Buurvrouw [betrokkene 3] heeft tegenover de politie verklaard dat [betrokkene] en [slachtoffer] voor haar deur stonden en dat [betrokkene] vertelde dat verdachte in de wang van [slachtoffer] had geknepen. [betrokkene 3] zag dat er een blauwe plek op de wang van [slachtoffer] zat. Later vertelde verdachte haar dat hij spijt had en gewoon niet wist hoe hij [slachtoffer] stil moest krijgen.68

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat [slachtoffer] in de eerste week een blauwe plek op haar wang had. Dit kwam door hem. Hij had met zijn vingers de wang van [slachtoffer] gepakt.69

[slachtoffer] is op [geboortedatum] geboren te Utrecht. De ouders van [slachtoffer] , verdachte en [betrokkene] , wonen te Utrecht.70

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot bewezenverklaring van de onder 3 tenlastegelegde mishandeling door verdachte van zijn kind.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:


Feit 1 subsidiair

hij op 17 oktober 2013 te Utrecht, aan zijn dochter [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel ( bloedingen in de hersenen en onder het harde hersenvlies en een metafysaire hoekfractuur en meerdere ribfracturen) heeft toegebracht,

door opzettelijk die [slachtoffer]

- met kracht vast te pakken en

- met kracht vast te houden en

- (vervolgens) heftig te schudden en/of

- (daarbij) met haar hoofd tegen een (hard) oppervlak te slaan en/of te stoten en/of

- op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 22 oktober 2013 is overleden;


Feit 3
hij omstreeks 28 september 2013 te Utrecht,

opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten zijn dochter [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), met kracht in een wang heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, begaan tegen zijn kind.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling, begaan tegen zijn kind.

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de stukken van het dossier bevindt zich een rapport naar aanleiding van een multidisciplinair gedragsdeskundig triple-onderzoek van 3 mei 2014, opgesteld door psychiater C.J. van Gestel, GZ-psycholoog K. de Wijs en forensisch milieuonderzoeker L. van der Wielen. Deze deskundigen komen op grond van hun onderzoeken met betrekking tot verdachte tot de conclusie dat sprake is van een afhankelijkheid van amfetamines en cocaïne, alsook een psychotische stoornis met wanen ten gevolge van deze middelen. Deze stoornissen zijn beide in remissie. Verder is bij betrokkene een posttraumatische stressstoornis vastgesteld, die is ontstaan na het tenlastegelegde. Ten slotte zien de deskundigen een onrijpe weinig belastbare persoonlijkheid, maar dit beeld bereikt vooralsnog niet het niveau van een persoonlijkheidsstoornis.

Omdat verdachte het aan hem onder 1 tenlastegelegde ontkent, is het voor de deskundigen niet mogelijk enige causaliteit tussen de middelenafhankelijkheid en de psychotische stoornis enerzijds en het tenlastegelegde anderzijds vast te stellen. De deskundigen hebben daarom geen advies kunnen uitbrengen met betrekking tot de toerekenbaarheid van verdachte.

Aangezien er geen aanwijzingen voor zijn dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar dan wel ontoerekeningsvatbaar is, worden de bewezenverklaarde feiten door het hof volledig aan verdachte toegerekend.

Verdachte is derhalve strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ter zake van doodslag en mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Zowel verdachte als het openbaar ministerie zijn in hoger beroep gekomen.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat het hof komt tot eenzelfde bewezenverklaring en dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Het hof komt - anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal - tot bewezenverklaring van zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, begaan tegen zijn kind, en mishandeling, begaan tegen zijn kind.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.

Verdachte heeft zijn één week oude dochtertje mishandeld door haar in haar wang te knijpen. Voorts heeft hij haar toen zij vier weken oud was zwaar mishandeld, waardoor zij ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Aan de gevolgen van dit ernstige hersenletsel is zij enkele dagen later overleden. Verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn dochtertje.

Zware mishandeling van een baby is een ernstig strafbaar feit. Dergelijke gewelddadigheden worden als schokkend en ingrijpend ervaren door de slachtoffers en de maatschappij. In dit geval heeft verdachte de dood van zijn eigen kind veroorzaakt. Dat een vader zo een heftig geweld kan uitoefenen dat zijn kind daardoor komt te overlijden, is moeilijk te begrijpen. Een hulpeloze baby als [slachtoffer] zou juist bij haar vader veilig moeten zijn. Verdachte heeft hier op geen enkele wijze een verklaring voor gegeven of verantwoording genomen voor zijn handelen.

Hij heeft door zijn handelen aan alle naasten van het slachtoffer, waaronder in het bijzonder de moeder, groot en onherstelbaar leed toegebracht. Zij hebben moeten toekijken hoe [slachtoffer] leed onder haar letsel en uiteindelijk stierf. Aan te nemen valt dat zij dat leed en de mede als gevolg daarvan ontstane psychische schade nog lang, mogelijk de rest van hun leven, zullen ervaren.

Gelet op de ernst en het karakter van hetgeen verdachte heeft aangericht, is strafrechtelijk gezien oplegging van een aanzienlijke gevangenisstraf de enige passende reactie.

Daarbij heeft het hof rekening gehouden met het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven, zoals blijkt uit zijn justitiële documentatie van 18 augustus 2017, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Bovendien liep verdachte nog in een proeftijd van één van die veroordelingen.

Bij de strafbepaling heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte geconfronteerd is met de dood van zijn dochtertje en dat hij dit verlies en zijn aandeel daarin zijn verdere leven met zich zal moeten meedragen.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Oplegging schadevergoedingsmaatregel

De raadsvrouw van [betrokkene] , mr. M. Veldman, heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van

€ 53.310.-.

In eerste aanleg is geen vordering tot schadevergoeding ingediend. Het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is op een zeer laat moment gedaan. Hierdoor heeft verdachte niet voldoende gelegenheid gehad om verweer te voeren tegen de gestelde schade, terwijl het gaat om een groot bedrag. Mede hierdoor kan naar het oordeel van het hof de aansprakelijkheid van verdachte naar burgerlijke recht niet worden vastgesteld. Het hof komt derhalve niet tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 4 mei 2011 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, parketnummer 16-600039-11. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 57, 63, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af de verzoeken van de verdediging.

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2011, parketnummer 16-600039-11, te weten van:

- een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Aldus gewezen door

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. M. Keppels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dr. N. Laan en mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffiers,

en op 10 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Voor zover hierna wordt verwezen naar processen-verbaal van politie, wordt telkens verwezen naar bijlagen en paginanummers van het in de wettelijke vorm door verbalisant A.P. Visser, brigadier en rechercheur van politie, opgemaakt hoofdproces-verbaal ‘09MAAND13’, genummerd 2013235336, en gesloten op 22 januari 2014.

2 Zie proces-verbaal van bevindingen, pagina 25-26.

3 Zie uittreksel uit een overlijdensakte, pagina 44.

4 Zie NFI-rapport van A. Maes van 26 maart 2014, pagina 54 en 55 van het in de wettelijke vorm door verbalisant L.A. van Mastrigt, inspecteur van politie, opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek, genummerd PL0900-2013235336-42 en gesloten op 8 mei 2014 (hierna: het forensisch dossier).

5 Zie NFI-rapport van A. Maes van 26 maart 2014, pagina 50-54 van het forensisch dossier.

6 Zie verklaring deskundige B. Kubat zoals die blijkt uit proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 2 april 2015, pagina 8.

7 Zie HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:828.

8 Zie NFI-rapport van A. Maes van 26 maart 2014, pagina 3 en 4.

9 Zie aanvullend verslag van L.A.C. Rietveld, radioloog, van 12 december 2013, pagina 74 van het forensisch dossier.

10 Zie brief van dr. R.R. van Rijn, kinderradioloog, van 2 oktober 2013, pagina 78-79 van het forensisch dossier.

11 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 24 maart 2015, pagina 7.

12 Zie rapport van het FPKM van 13 juni 2014, opgemaakt door L.M. Spooren, pagina 27.

13 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 2 april 2015, pagina 8.

14 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 24 maart 2015, pagina 3.

15 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 24 maart 2015, pagina 11.

16 Zie rapport van het FPKM van 13 juni 2014, opgemaakt door L.M. Spooren, pagina 29.

17 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 2 april 2015, pagina 8, en het nog nader uit te werken proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 april 2017.

18 Zie schriftelijke stuk van B. Kubat, vierde pagina, dat als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 2 en 10 april 2015.

19 Zie het rapport van G.M.S. Mancini van 4 september 2014, pagina 2 en de bijlage.

20 Zie de brief van G.M.S. Mancini van 29 juni 2017, gevoegd als bijlage bij het rapport van B. Kubat van 29 juni 2017.

21 Zie proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 2 april 2015, pagina 11.

22 Zie rapport van het FPKM van 13 juni 2014, opgemaakt door L.M. Spooren, pagina 28.

23 Zie proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 2 april 2015, pagina 10.

24 Zie rapport van C.M. Milroy van 15 maart 2015, pagina 10.

25 Zie het nog nader uit te werken proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 september 2017.

26 Zie NFI-rapport van A. Maes van 26 maart 2014, pagina 54 van het forensisch dossier.

27 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 2 april 2015, pagina 10.

28 Zie het nog nader uit te werken proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 september 2017.

29 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 24 maart 2015, pagina 10.

30 Zie rapport van het FPKM van 13 juni 2014, opgemaakt door L.M. Spooren, pagina 52.

31 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 2 april 2015, pagina 10, en het nog nader uit te werken proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 september 2017.

32 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 2 april 2015, pagina 8.

33 Zie het nog nader uit te werken proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 september 2017.

34 Zie het nog nader uit te werken proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 september 2017.

35 Zie NFI-rapport van A. Maes van 26 maart 2014, pagina 54 van het forensisch dossier.

36 Zie rapport van C.M. Milroy van 15 maart 2015, pagina 11.

37 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 24 maart 2015, pagina 7-8.

38 Zie NFI-rapport van A. Maes van 26 maart 2014, pagina 54 van het forensisch dossier.

39 Zie rapport van C.M. Milroy van 15 maart 2015, pagina 11.

40 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 24 maart 2015, pagina 7.

41 Zie het nog nader uit te werken proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 september 2017.

42 Zie rapport van het FPKM van 13 juni 2014, opgemaakt door L.M. Spooren, pagina 67.

43 Zie proces-verbaal van verhoor van A. Maes bij de rechter-commissaris van 16 september 2014, pagina 8.

44 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 2 april 2015, pagina 10.

45 Zie het nog nader uit te werken proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 september 2017.

46 Zie rapport van C.M. Milroy van 15 maart 2015, pagina 13.

47 Zie NFI-rapport van A. Maes van 26 maart 2014, pagina 54 van het forensisch dossier.

48 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [betrokkene] , pagina 1049 en 1050.

49 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [betrokkene 2] , pagina 363.

50 Zie proces-verbaal van bevindingen, pagina 581.

51 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van verdachte, pagina 929.

52 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 2 april 2015, pagina 3 en 4.

53 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [betrokkene] , pagina 1044.

54 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [betrokkene] , pagina 1053.

55 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van verdachte, pagina 929 en 930.

56 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van verdachte, pagina 939.

57 Zie patiëntendossier van [slachtoffer] , pagina 112.

58 Zie patiëntendossier van [slachtoffer] , pagina 111.

59 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van R. van Schaik, pagina 57.

60 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van L.M. Verberne, pagina 66.

61 Zie rapport van het FPKM van 13 juni 2014, opgemaakt door L.M. Spooren, pagina 48.

62 Zie rapport van het FPKM van 13 juni 2014, opgemaakt door L.M. Spooren, pagina 67.

63 Zie NFI-rapport van W.A. Karst van 21 januari 2015, pagina 7, 9 en 10.

64 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [betrokkene] , pagina 1050.

65 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van verdachte, pagina 929.

66 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [betrokkene] , pagina 1061-1062.

67 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [betrokkene] , pagina 1039-1040.

68 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [betrokkene 3] , pagina 516 en 517.

69 Zie het proces-verbaal inhoudende de verklaring van verdachte, pagina 963.

70 Zie proces-verbaal van bevindingen, pagina 25-26.