Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8639

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
21-000759-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:5005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van twee pogingen tot zware mishandeling. Bewijsverweren verworpen. Geen reden om aan de verklaringen van aangevers te twijfelen. Vrijspraak van poging tot doodslag. Geen (voorwaardelijk) opzet op de dood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000759-16

Uitspraak d.d.: 5 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 29 januari 2016 met parketnummer 16-659291-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,

wonende te [adres] ,

thans verblijvende in Zwolle PPC te Zwolle.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 april 2016 en 21 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] . De vordering van deze benadeelde partij dient volledig toegewezen te worden tot een bedrag van € 1200,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.J. van der Klaauw, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij bovengenoemd vonnis ter zake van poging tot doodslag van twee aangevers veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partijen zijn elk toegewezen tot € 800,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige zijn de vorderingen afgewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:

hij op of omstreeks 11 april 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde 2] (meermalen) met een (kapot geslagen) fles, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd en/of de hals/nek, althans in het bovenlichaam, heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

1.
subsidiair:

hij op of omstreeks 11 april 2015 te gemeente [gemeente] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde 2] (meermalen) met een (kapot geslagen) fles, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd en/of de hals/nek, althans in het bovenlichaam, heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2
primair:

hij op of omstreeks 11 april 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde 1] (meermalen) met een (kapot geslagen) fles, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd en/of de hals/nek, althans in het bovenlichaam, heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2
subsidiair:

hij op of omstreeks 11 april 2015 te gemeente [gemeente] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde 1] (meermalen) met een (kapot geslagen) fles, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd en/of de hals/nek, althans in het bovenlichaam, heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte van de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat er redenen zijn om aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van aangevers te twijfelen. Er zijn opmerkelijke verschillen in hun verklaringen en daarnaast lijken deze verklaringen niet te rijmen met de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Hoewel er voldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen, is dit bewijs gezien het voorgaande niet overtuigend. Uitgaande van de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij degene was die werd belaagd en dat hij zichzelf moest verdedigen, kan niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten worden gekomen, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het veroordelende vonnis van de rechtbank. Volgens hem is de verklaring van verdachte over het gebeuren op 11 april 2015 niet geloofwaardig en is er voldoende wettig én overtuigend bewijs dat hij zich die dag schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag van de twee aangevers.

Het hof stelt vast dat de namens verdachte gevoerde verweren worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Er is geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

De verklaringen van aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn op belangrijke punten eensluidend en gedetailleerd. De rechtbank heeft dat terecht vastgesteld. Uit de verklaringen van aangevers blijkt dat zij op 11 april 2015 in de woning van [benadeelde 2] waren, samen met verdachte. Nadat zij de nodige alcohol hadden gedronken, ontstond er een gesprek over het geloof. Verdachte sloeg toen opeens een lege fles wodka kapot en stak daarmee aangever [benadeelde 1] in zijn nek. Toen hij en [benadeelde 2] verdachte naar buiten wilden zetten, raakte [benadeelde 2] gewond aan zijn hand. Buiten werd [benadeelde 2] vervolgens door verdachte met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn hoofd/bij zijn oor gesneden/gestoken.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat toen hij verdachte ten tijde van het incident buiten aantrof, verdachte een stuk glas in zijn hand had. Uit onderzoek is voorts gebleken dat er buiten in het gras een deel van een flessenhals van een Smirnoff wodkafles lag, met daarop op bloed gelijkende sporen, en dat in de woning van [benadeelde 2] (ook) stukken glas van een drankfles van het merk Smirnoff zijn aangetroffen.

Voorts is van belang dat het letsel dat bij aangevers is geconstateerd, past bij de verklaringen van aangevers. Ten slotte is van belang de verklaring van de getuige [getuige 4] . Hij was die avond ook in de woning van [benadeelde 2] was. Hij heeft verklaard dat verdachte op een gegeven moment over het geloof begon. Daardoor veranderde de sfeer, waardoor de getuige besloot om naar huis te gaan.

De verklaringen van aangevers vinden derhalve niet alleen steun in elkaar, maar ook in de aangetroffen sporen, het geconstateerde letsel en de verklaringen van getuigen. Op grond hiervan kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte [benadeelde 1] op 11 april 2015 meermalen met een kapot geslagen fles heeft gestoken en/of gesneden en dat hij aangever [benadeelde 2] eveneens met een scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken en/of gesneden.

Wat betreft de primair ten laste gelegde feiten, is het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van aangevers. Nu het dossier geen nadere informatie bevat over de fles, de dikte van het glas en het daarmee mogelijk te veroorzaken letsel, en er ten aanzien [benadeelde 2] überhaupt niet is komen vast te staan waarmee hij is gesneden/gestoken, kan niet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte potentieel dodelijk letsel met zich meebracht. Verdachte wordt daarom van de primair ten laste gelegde feiten vrijgesproken.

Het hof acht wel bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het meermalen slaan/steken met een kapot geslagen fles of een ander scherp/puntig voorwerp in het hoofd en/of de hals/nek is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.

Met betrekking tot het beroep op noodweer, hetgeen volgens de raadsman tot vrijspraak zou moeten leiden, is van belang dat de feiten die aan het verweer ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk zijn geworden, zoals hiervoor uiteen is gezet. Van een noodweersituatie is derhalve niet gebleken.

De verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. subsidiair:

hij op 11 april 2015 te gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde 2] meermalen met een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd en/of de hals/nek, heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2
subsidiair:

hij op 11 april 2015 te gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde 1] meermalen met een kapot geslagen fles, in het hoofd en/of de hals/nek, heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde levert telkens op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 11 april 2015 schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van twee aangevers, waardoor zij allebei diverse verwondingen aan het hoofd hebben opgelopen. Naast het lichamelijke letsel, heeft het handelen van verdachte ook psychisch gezien een grote impact gehad, zo blijkt uit de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof rekent verdachte zijn handelen zwaar aan.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 16 augustus 2017 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden is van belang dat verdachte in 2007 is gevlucht vanwege de oorlog in zijn thuisland Somalië. Verdachte is in de oorlog meerdere familieleden verloren en is alleen naar Nederland gekomen. In verband met zijn oorlogstrauma’s dronk verdachte tot zijn preventieve hechtenis in de onderhavige zaak, dagelijks alcohol. Het leven binnen de penitentiaire inrichting heeft verdachte in dit opzicht goed gedaan. Het is onzeker hoe verdachtes leven er uit zal zien als hij op vrije voeten komt. Hij zou gebaat zijn bij voortzetting van medicatie, abstinentie van alcoholgebruik en stabiliteit op praktische leefgebieden, zo schrijft de reclassering in het rapport van 7 augustus 2017, maar de reclassering ziet geen meerwaarde in een juridisch kader: mogelijk is dit juist contraproductief vanwege de taalbarrière en cultuurverschillen. Bovendien ontbreekt het verdachte aan een hulpvraag. De reclassering adviseert verdachte daarom enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten maken dat afdoening middels een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf onontkoombaar is. Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 800,00 vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is door de verdediging niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is door de verdediging niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 800,00 (achthonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 800,00 (achthonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aldus gewezen door

mr. T.M.L. Wolters, voorzitter,

mr. L.J. Bosch en mr. H.L. Stuiver, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 5 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.