Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8610

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
200.198.849/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming huurwoning in kort geding. Overlast of burenruzie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.198.849/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5047217 \ CV EXPL 16-5237)

arrest in kort geding van 3 oktober 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.D. Nijenhuis, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

Woningstichting Weststellingwerf,

gevestigd te Wolvega,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Woonstichting,

advocaat: mr. J. Verdonk, kantoorhoudend te Heerenveen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Leeuwarden, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter) van 6 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep is als volgt:
- de appeldagvaarding van 3 augustus 2016;
- de memorie van grieven (met één productie);
- de memorie van antwoord (met producties).

2.2

[appellant] heeft niet binnen de hem gestelde termijn gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bij akte op de bij memorie van antwoord overgelegde producties te reageren.

2.3

Vervolgens heeft Woningstichting de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.4

De vordering van [appellant] strekt ertoe dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd, de vordering van Woningstichting alsnog wordt afgewezen en Woningstichting, op straffe van verbeurte van een dwangsom, wordt veroordeeld tot ongedaanmaking, een en ander met veroordeling van Woningstichting in de proceskosten in beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.20) de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren gebleken, zodat het hof van deze vastgestelde feiten kan uitgaan. De door de kantonrechter vastgestelde komen, samengevat en aangevuld met enkele andere vaststaande feiten, op het volgende neer.

3.2

[appellant] huurt op grond van een op 5 december 2013 schriftelijk vastgelegde huurovereenkomst met ingang van 6 december 2013 de woning aan de [a-straat] 41 te [A] (hierna: de woning) van Woningstichting. In het huurcontract is bepaald dat de huur bij vooruitbetaling voor de tweede van iedere maand moet worden voldaan. Met ingang van 1 juli 2016 bedraagt de huurprijs € 462,05 per maand.

3.3

Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Woningstichting van toepassing. In deze algemene voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:
7.3 Huurder zal het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt Hieronder wordt onder meer verstaan dat huurder:
• de eventuele tot het gehuurde behorende tuin als sier- of moestuin dient te onderhouden en te gebruiken en deze niet mag gebruiken voor opslag en/of stalling van caravans, boten, auto's, handelswaren, afval, gevaarlijke of milieubelastende zaken en andere zaken van welke aard dan ook;
(…)
• het niet is toegestaan bedrijfsmatige activiteiten in (delen van) het gehuurde te ontplooien; een en ander behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder. Een verzoek tot toestemming dient schriftelijk door huurder te worden ingediend.

(…)

7.7

Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden.
(…)

7.10

Met het oog op controle door verhuurder van de naleving van de verplichtingen van huurder op grond van deze Algemene Voorwaarden zal huurder verhuurder, indien verhuurder hiertoe een dringende aanleiding ziet, in de gelegenheid stellen het gehuurde te betreden. Verhuurder zal zich deugdelijk legitimeren. Onder verhuurder wordt mede verstaan: de door of namens verhuurder aangewezen personen.
(…)
10.1 Het is huurder toegestaan veranderingen en toevoegingen die zonder noemenswaardige kosten weer ongedaan kunnen worden gemaakt aan de binnenzijde van het gehuurde aan te brengen (…). Voor overige veranderingen en toevoegingen heeft huurder vóóraf schriftelijke toestemming van de verhuurder nodig.”

3.4

[appellant] bewoonde de woning met zijn vrouw en twee kinderen. Naast hem, op nummer 43, woont de heer [B] (hierna: [B] ) met zijn twee dochters. Verderop in de straat, op nummer 47, woont de heer [C] (hierna: [C] ), op nummer 49 woont mevrouw [D] (hierna: [D] ).

3.5

In januari 2015 hebben partijen gecorrespondeerd over de plaatsing van een schuttingdeur door [B] en door [appellant] ondervonden geluidsoverlast van de bewoner van nummer 29. Volgens Woningstichting mocht [B] de schuttingdeur plaatsen.

3.6

In een brief van 27 augustus 2015 heeft Woningstichting [appellant] geschreven dat geconstateerd is dat de tuin van de woning er onverzorgd uitziet en dat hij verzocht wordt om vóór 10 september 2015 onderhoudswerkzaamheden te verrichten. [appellant] heeft in een e-mailbericht van 28 augustus 2015 gereageerd. Volgens [appellant] ziet zijn tuin er niet onverzorgd uit en bepaalt niet de Woningstichting maar hij hoe de tuin eruit moet zien. [appellant] schrijft dat de toon van de brief van Woningstichting hem niet bevalt, dat hij de politie belt als Woningstichting zijn tuin betreedt en dat hij brieven van Woningstichting in de prullenbak zal gooien.

3.7

Bij brief van 4 februari 2016 heeft Woningstichting aan [appellant] bericht dat zij tijdens een inspectieronde had geconstateerd dat zijn voortuin er onverzorgd uitzag, omdat er diverse autobanden, een oude TV en overige materialen en goederen lagen opgeslagen en heeft Woningstichting [appellant] verzocht de materialen uit de voortuin te verwijderen en de nodige onderhoudswerkzaamheden in de tuin te verrichten.

3.8

Bij e-mailbericht van 5 februari 2016 heeft [appellant] afwijzend op deze sommatie gereageerd. Op 7 februari 2016 heeft hij via het klachtformulier op de website van Woningstichting een klacht ingediend over schending van de privacy door medewerkers van Woningstichting, welke schending volgens hem erin bestond dat zij ongevraagd tuininspecties uitvoerden en over de schutting van de buren in zijn achtertuin gluurden.

3.9

Bij brief van 9 februari 2016 heeft Woningstichting - voor zover van belang - het volgende aan [appellant] bericht:

“Op maandagmiddag 8 februari jl. heeft u tijdens een telefoongesprek te kennen gegeven het niet eens te zijn met ons beleid inzake de uitvoering van tuininspectie.

Wij hebben het recht als verhuurder om tuininspecties uit te voeren.
(...)
Vooralsnog zijn wij niet gediend van de toon waarop u ons in dit telefooncontact heeft aangesproken en het is zelfs stuitend waarop u bedreigingen heeft geuit aan het adres van onze collega dhr. [E]
(…)
Wij sommeren u bij deze vóór donderdag 18 februari a.s. diverse goederen en materialen uit de voortuin en de aanhanger elders te parkeren.”

3.10

Bij brief van 1 maart 2016 heeft Woningstichting [appellant] naar aanleiding van een nieuwe inspectie gesommeerd om vóór 15 maart 2016 de in de brief vermelde materialen uit de voor- en achtertuin te verwijderen, onderhoudswerkzaamheden in zijn voortuin te verrichten en een illegaal bouwsel uit zijn achtertuin te verwijderen.

3.11

In reactie op deze brief heeft [appellant] in een e-mailbericht van 2 maart 2016 geschreven, voor zover van belang, dat het huurreglement de stalling van een aanhanger in de voortuin niet verbiedt, dat hij zijn tuin zo goed vindt, dat geen sprake is van een illegaal bouwwerk en dat hij door de activiteiten van medewerkers van Woningstichting in zijn woongenot en privacy wordt aangetast. Als medewerkers foto’s nemen of zijn tuin betreden, zal hij de politie bellen of de medewerkers na een waarschuwing zelf verwijderen.

3.12

Bij brief van 31 maart 2016 heeft Woningstichting [appellant] bericht dat zij hem naar aanleiding van haar negatieve bevindingen aangaande het tuinonderhoud, de illegale bouw en de geluidoverlast die [appellant] veroorzaakte uitnodigt voor een gesprek op 12 april 2016.

3.13

Bij brief van 19 april 2016 heeft Woningstichting aan [appellant] bericht dat hij helaas niet gereageerd had op voormelde uitnodiging voor een gesprek en niet was verschenen op 12 april 2016 en dat zij hem opnieuw uitnodigt voor een gesprek, te weten op 25 april 2016. In reactie op deze brief heeft [appellant] bij e-mailbericht van 20 april 2016 aan Woningstichting bericht niet op gesprek te zullen komen, omdat hij van mening is dat Woningstichting onder één hoedje speelt met [B] . Voorts heeft [appellant] diezelfde dag per e-mail bij Woningstichting een klacht ingediend over [B] , die onder meer geluidsoverlast veroorzaakt, een camera heeft opgehangen, de zoon van [appellant] bedreigt en het pad niet goed onderhoudt.

3.14

Mevrouw [F] (hierna: [F] ) van Woningstichting heeft bij e-mailbericht van 11 april 2016 - voor zover van belang - het volgende aan mevrouw [G] teamleider van het Sociaal team van de gemeente Westellingwerf bericht:

“Opnieuw was het de afgelopen week en het weekend erg onrustig. Dhr. [B] had i.v.m. vernielingen aan zijn eigendommen een camera geplaatst gericht op zijn tuin en de woning. Afgelopen weekend heeft dhr. [appellant] gedreigd de camera te slopen en heeft daarbij intimiderend in de tuin gestaan van dhr. [B] . De politie is gebeld en is ter plaatse geweest en hebben gesproken met dhr. [B] . Inmiddels heeft dhr. [B] de camera er weer afgehaald, maar heeft aangegeven de camera wel weer te willen herplaatsen.
Ik heb nogmaals dhr. [B] nadrukkelijk gewezen op het bijhouden van het dagboek t.b.v. het opbouwen van hel dossier, (hij gaat er weer mee aan de slag)”

3.15

[F] heeft een rapport opgesteld getiteld “Overlastzaak [a-straat] 41”, waarin - voor zover van belang - het volgende staat vermeld:

Overlastmelder: Dhr. [B] .
(…)
Overlastmelder / ondersteuning van dhr. [B] :
Dhr. [C]
(…)
Persoonlijk gesprek inzake overlast, bedreigingen en intimidatie op donderdag 11 febr. 2016:
> Bedreigingen en intimiderende uitlatingen via social media (what's app/facebook).
> ik (..) heb met eigen ogen de berichten gelezen en heb geconstateerd dat deze absoluut grensoverschrijdend zijn. De berichtjes waren gericht aan de dochter en overleden mevrouw [B]
> Beklag ging tevens over de rotzooi rondom de woning van de fam. [appellant] (hiervoor zijn brieven verstuurd!)
> Geluidsoverlast.
(…)
> Volgens dhr. [B] heeft dhr. [appellant] de banden van zijn aanhanger lek geprikt, maar kan dit helaas niet bewijzen.
(...)
Persoonlijk gesprek bij de Wst. inzake overlast, bedreigingen en intimidatie op woensdagmorgen 30 maart 2016:
Dhr. [B] is met zijn vriendin gekomen om opnieuw beklag te doen over dhr. [appellant] .
> Enorme geluidsoverlast, 's avonds na 22.00 uur d.m.v. harde muziek (is gehoord door ATO [ [F] ; toevoeging hof] via een opname die is gemaakt met de telefoon)
> Zowel dhr. [B] als alle omwonenden hebben angst voor dhr. [appellant] en durven niets te zeggen, bang voor de reactie van dhr. [appellant] .
> [appellant] stuurt zeer bedreigende berichtjes naar dhr. [B] , zoals bijv. heb het lef maar eens om te reageren, ik zal je leren...
> Vorige week heeft dhr. [appellant] met zijn gesjouw van oud ijzer naar de achtertuin de auto beschadigt van de vriendin van dhr. [B] , maar heeft het feit vervolgens ontkent.
> Dhr. [appellant] handelt in oud ijzer en gebruikt de tuin als opslag. Is hier al diverse keren over aangeschreven, maar dhr. [appellant] denkt alles te kunnen maken en doet niets met de sommeringen.
> Dhr. [B] en vriendin hebben wederom melding gedaan bij de politie.
(...)
Telefoongesprek maandagmorgen 2 mei 2016 n.a.v. conflictsituatie tijdens tuinieren door dhr. [B] in zijn tuin met dhr. [appellant] :
> Dhr. [appellant] begon dhr. [B] uit te schelden en te bedreigen zodra ze zich in de tuin hadden begeven om deze op te knappen.
> Dhr. [appellant] heeft alleen maar lopen schelden met zwaar geschut en heeft terwijl de dochters van dhr. [B] daarbij aanwezig waren de overleden vrouw van dhr. [B] bezoedeld door te melden dat dhr. [B] een dood lijk n..kt. Het is te grof voor woorden
> Op een bepaald moment toen dhr. [appellant] aangaf dat hij de boel in de fik ging steken heeft dhr. [B] de politie (112) gebeld. De politie is verschenen, maar heeft wederom geen conflictsituatie aangetroffen, dus zijn onverrichter zaken weer vertrokken. Wordt wel een melding in het politierapport van gedaan??”

3.16

Bij brief van 3 mei 2016 heeft Woningstichting - voor zover van belang - het volgende aan [appellant] bericht:
“Helaas hebben wij moeten vaststellen dat een eerder betalingsverzoek niet tot tijdige betaling heeft geleid. Zie ook onze brief van 14 april jl. Aangezien u zich niet aan de betalingsregeling houdt is die hiermee komen te vervallen. Op dit moment bedraagt de huurachterstand € 474,39. Wij sommeren u voor de laatste keer het bovenstaande bedrag binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief over te maken op ons bankrekeningnummer (…).”

3.17

Bij e-mailberichten van 2 en 21 mei 2016 heeft [B] aan [F] overzichten gestuurd van overlast die hij in de periode april tot 21 mei 2016 van [appellant] had ervaren. In deze e-mailberichten staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“30-4

Met geweld oud-ijzer in de kar gooien in de voortuin. ongeveer om 8 uur, Harde muziek

en met de deuren slaan getuige hiervan is: [H] voorzitter wsv de blaren. 23.00 uur: honden uitlaten met veel lawaai en weer lopen schelden met kanker hoer door hem zelf
2-5:
Terwijl ik en mijn dochters in de tuin bezig zijn komt hij langs lopen scheld ons uit voor kankerhoeren en kankerboeren, ik krijg het verwijt dat ik de politie heb gebeld, waarvoor weet ik niet. toen begon hij over mijn overleden vrouw, dat ik mijn vriendin lig te neuken met de gedachte dat ik mijn overleden wijf (zoals hij zei) lag te neuken. Bedreiging: dat hij ons huis in de brand zou steken. Daarop hebben wij de politie gebeld.
17.35: zoon spuugt op raam van de schutting.
19.30 zoon steekt middelvinger op en maakt een gebaar dat hij ons een kop kleiner zal maken.
3-5:
12.00 staan in de Lidll en zoon komt langs lopen kijkt mij aan en maakt het zelfde gebaar als die avond daarvoor, getuige: Vriendin, dochter
(...)
5-5, geluidsoverlast ( harde bas)
7-5, dreigen aanrijden van vriendin - verbanden van plastic in de achtertuin (andere buren liepen te klagen dat ze hun was niet buiten konden hangen(de heer [I] ) - muziek overlast
8-5, spugen naar mijn dochters
9-5, 20:15 slepen van zonnehemel over de dam
11-5, 18:30 muziek overlast - keihard langs fietsen getuige: de heer [C]
20-5, spugen naar mij
21-5, uitschelden van homo - gespuugd op beide auto 's - geluidsoverlast hele zware bas.

3.18

In een brief van 21 november 2016 heeft mevrouw [G] van het Sociaal Team van de gemeente Weststellingerwerf onder meer het volgende geschreven:
“De fam. [appellant] tot 25 juli 2016 wonende aan de [a-straat] 41 te [A] is sinds april 2016 bekend in het Sociaal Team Weststellingwerf vanwege burenoverlast. (…)
Woningstichting Weststellingwerf heeft de melding in het Sociaal Team gedaan, omdat het gezin niet meewerkend is om de problemen in de buurt op te lossen. (…)
Er is in het Sociaal Team afgesproken dat Woningstichting Weststellingwerf de contacten met de fam. [appellant] blijft houden. Ook de signalen van de burenoverlast zijn als eerste verantwoordelijke door Woningstichting Weststellingwerf opgepakt. Begin mei 2016 kwam vanuit de Woningstichting het signaal naar het Sociaal Team dat de burenoverlast is verergerd en er nu ook bedreigingen zijn. De politie en de coördinator van het Sociaal Team zijn toen gezamenlijk met Woningstichting Weststellingwerf gesprekken gestart. Er zijn op
2 mei 2016 met 2 buren (aparte woonadressen) veiligheidsafspraken gemaakt. Daarin zijn afspraken gemaakt over het bellen van de politie wanneer er overlast is. Ook is er afgesproken hoe te reageren als er overlast of bedreigingen zijn. Ook zijn vanuit veiligheidsoverwegingen afspraken gemaakt om even uit de situatie te gaan. Daarnaast heeft Woningstichting apart met nog een andere buurtbewoner schriftelijk en telefonisch contact gehouden. Deze bewoner wilde om persoonlijke redenen alleen in contact met Woningstichting Weststellingwerf.

Met de 3 buren (aparte woonadressen) zijn steeds interventies gedaan omtrent de veiligheid gelet op de overlast en bedreigingen die van het adres van de fam. [appellant] kwamen Er is hen steeds het advies gegeven de contact met de fam. [appellant] te negeren en niet te reageren op de bedreigingen. De buurt is het advies gegeven om de overlast en bedreigingen te melden bij Woningstichting Weststellingwerf en politie. Indien noodzakelijk kon men direct met de politie bellen via 112. Er is in het proces ingebouwd dat de politie dan ook direct ter plaatse zou komen. De gesprekken hebben wekelijks zowel telefonisch als persoonlijk in de maanden mei, juni en juli 2016 plaatsgevonden. Vanuit het Sociaal Team zijn in gezamenlijkheid door Woningstichting Weststellingwerf en politie met ondersteuning van de coördinator Sociaal Team de veiligheidsplannen met de buurtbewoners gemaakt en gevolgd.”

3.19

Mevrouw [J] , wijkagent Weststellingwerf-Oost heeft een verslag opgesteld van contacten met/over de familie [appellant] . In dat verslag is onder meer het volgende vermeld:
“Verslag [appellant]

(…)
Op 17/02/2016 werd de wijkagent verzocht contact op te nemen met [appellant] . Hij had een klacht over de woningbouw omdat die zomaar foto's maken van zijn tuin.

Op 4/03/2016 kwam [appellant] naar het bureau. Hij wilde weten wat de wijkagent had gedaan aan het feit dat de woningbouw foto's maakt. Hij is het niet een met de werkwijze van de woningbouw omdat er meer mensen in [A] en [K] rare bouwsels in de tuin hebben. Hij heeft het gevoel het mikpunt te zijn.

Op 30/03/2016 Buren kwamen aan het bureau om in eerst instantie aangifte te doen tegen [appellant] omdat er oudijzer van de kar van [appellant] tegen de auto van de buren is gevallen. Is een verzekeringskwestie. Geen aangifte.

Op 10/04/2016 Melding dat er ruzie is tussen [B] en [appellant] ivm met een camera die [B] heeft geplaatst. Deze camera mag er niet hangen van [appellant] en daarom is er onenigheid ontstaan. [B] heeft de camera geplaatst omdat hij steeds schade heeft aan zijn auto en dit komt volgens hem doordat [appellant] met een kar vol oude ijzer etc. over de oprit rijdt.

(…)

Op 2/05/2016 melding van een burenruzie/bedreiging door [appellant] richting buurman [B] . [appellant] bleek nare opmerkingen te hebben gemaakt over de overleden vrouw van [B] . Dochter van [B] heeft ook het een en ander over zich heen gekregen. [B] geeft wel aan erg bang te zijn voor [appellant] .

Op 9/05/2016 Op de adressen van [L] en [B] is een AOL opgemaakt naar aanleiding van een gesprek bij de woningbouw met [L] . Tevens een anonieme melding van een vuurwapen bij de fam [appellant] .

Op 11/05/2016 Gesprek gehad met [L] en die spreekt zijn zorgen uit over de fam [appellant] . Geeft ook aan erg bang te zijn voor zoon [M] en [N] .

(…)

Op 18/05/2016. Collega's zijn met een machtiging de woning binnengetreden ivm informatie van een vuurwapen. [appellant] overhandigde het wapen. Betrof een gasdruk wapen.

Op 26/05/2015 hebben de wijkagenten [J] en [O] een bezoek gebracht aan de fam [appellant] . Op klaar lichte dag stond de muziek erg luid. Even gesproken over de ex vriend van dochter. Daarna nog even een gesprek gevoerd met de buren [B] . Hij gaf toen aan dat de muziek heel vaak luid staat maar dat hij bang is hiervan wat te zeggen.
(…)
Op 9/06/2016 gesprek gevoerd met zowel [L] en [B] . Tijdens het gesprek met [L] vertelde hij dat hij op zaterdag 28 mei opzettelijk is aangereden door [appellant] bij de Jumbo in [A] . Ging net goed. Beelden waren er helaas niet meer beschikbaar.”

3.20

Woningstichting heeft de woning op basis van het door de kantonrechter gewezen vonnis op 25 juli 2016 ontruimd.

4 De procedure in eerste aanleg

4.1

Woningstichting heeft [appellant] in kort geding gedagvaard en ontruiming van de woning en betaling van achterstallige en tot de ontruiming nog te vervallen huur gevorderd. Aan de vordering tot ontruiming heeft zij ten grondslag gelegd dat [appellant] in zeer ernstige mate tekort schiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door overlast en hinder bij omwonenden (huurders van Woningstichting) te veroorzaken, hen te bedreigen en te intimideren, door zijn tuin niet te verzorgen, materialen op te slaan in zijn tuin, een illegaal bouwsel te plaatsen en, ondanks verzoeken en sommaties, geen verbetering aan te brengen in deze situatie. Volgens Woningstichting is sprake van een noodsituatie, waardoor een spoedeisend belang bestaat bij de vordering tot ontruiming.

4.2

[appellant] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft de vorderingen van Woningstichting toegewezen. Volgens hem is aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de door [appellant] veroorzaakte overlast, in combinatie met het feit dat hij door Woningstichting niet aanspreekbaar is op zijn gedrag en zich vijandig tegen haar opstelt, een dusdanige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert dat het de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning rechtvaardigt. Volgens de kantonrechter heeft Woningstichting voldoende aannemelijk gemaakt dat zij spoedeisend belang heeft bij de ontruiming van de woning vooruitlopend op de beslissing in de bodemprocedure. Woningstichting dient haar huurders rustig woongenot te verschaffen en te vrijwaren van overlast door [appellant] en dit belang prevaleert boven het belang van [appellant] om in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure in de woning te kunnen blijven wonen.

5 De bespreking van de grieven

5.1

Met grief 1 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat aan de zijde van [appellant] sprake is van een dusdanige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Volgens [appellant] is sprake van een burenruzie tussen hem en [B] en legt Woningstichting de schuld van het conflict ten onrechte geheel bij hem. Woningstichting is ten onrechte (alleen) tegen hem opgetreden en niet (ook) tegen [B] . Er zijn geen aanwijzingen dat het woongenot van andere buren wordt geschaad. [appellant] verwijst naar een schriftelijke verklaring van [D] , inhoudende dat zij geen enkele klacht heeft over [appellant] , maar in het verleden wel veel last heeft gehad van harde muziek uit de garage van [B] .

5.2

Het hof stelt vast dat Woningstichting haar vordering tot ontbinding heeft gebaseerd op de door [appellant] veroorzaakte overlast, op de toestand in de tuin van [appellant] en op het feit dat [appellant] niet aanspreekbaar is op zijn gedrag.

5.3

Naar het oordeel van het hof heeft Woningstichting voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] niet aanspreekbaar is op zijn gedrag. Op de brieven van Woningstichting over de toestand van zijn tuin (de opslag van spullen, de aanwezigheid van een aanhangwagen en het oprichten van een bouwwerk) heeft [appellant] zeer afhoudend en met een agressieve toon gereageerd. De brieven van [appellant] kwamen er, kort en goed op neer, dat Woningstichting niets te zeggen had over de situatie in zijn tuin en dat de medewerkers van Woningstichting zich niet in zijn tuin hoefden te vertonen.
Daarmee heeft [appellant] miskend dat niet hij, maar Woningstichting, eigenaar is van de woning, dat ten aanzien van het gebruik van de woning (en de tuin) door hem als huurder regels van toepassing zijn, dat Woningstichting deze regels dient te controleren en haar huurders erop mag (en onder omstandigheden zelfs: moet) aanspreken dat zij zich aan deze regels houden.

5.4

Woningstichting heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] de tuin van de woning in strijd met de verplichtingen uit de huurovereenkomst gebruikte, door in de tuin allerhande materialen op te slaan en een aanhangwagen te stallen. Op grond van het toepasselijke huurreglement dient de tuin te worden gebruikt als sier- of moestuin. Bovendien staat niet ter discussie dat [appellant] in zijn tuin een tuinhuis heeft gebouwd. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat het een (in hoogte en oppervlakte) fors bouwwerk is. Niet bestreden is dat [appellant] , in strijd met het huurreglement, geen toestemming heeft gevraagd voor het bouwen van dit tuinhuis, zodat het in die zin een illegaal bouwwerk was.

5.5

Aan [appellant] kan worden toegegeven dat tussen hem en [B] sprake is van een conflict en dat Woningstichting de nadruk legt op de rol van [appellant] in dat conflict. Dat betekent echter niet dat Woningstichting alleen is afgegaan op de waarschijnlijk niet geheel onbevooroordeelde visie van [B] . Uit de overgelegde rapporten van het Sociaal Team van de gemeente en van de wijkagent volgt dat niet alleen [B] , maar ook twee andere buren zich hebben beklaagd over overlast door [appellant] en dat met drie verschillende buren afspraken zijn gemaakt over de veiligheid. Alle drie de buren voelden zich bedreigd door [appellant] die, naar uit het politierapport volgt, beschikte over een gasdruk wapen. Onder deze omstandigheden is niet slechts sprake van een burenruzie tussen [B] en [appellant] waar geen andere buren bij betrokken zijn, maar van een situatie waarin (in elk geval) drie buren overlast ondervinden van [appellant] en zich door hem bedreigd voelen. Onder deze omstandigheden faalt het verweer van [appellant] dat Woningstichting de situatie niet heeft ingeschat als een burenruzie.

5.6

De slotsom is dat het hof, met de kantonrechter, van oordeel is dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, door overlast te veroorzaken aan de andere huurders, door zijn tuin te gebruiken in strijd met het reglement en door er een illegaal bouwwerk in op te richten. Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel dat deze tekortkomingen de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen, zodat aannemelijk is dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden, zeker wanneer in aanmerking wordt genomen dat [appellant] er blijk van heeft gegeven niet voor correctie door Woningstichting open te staan. De grief faalt dan ook.

5.7

Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vorderingen van Woningstichting in kort geding toewijsbaar zijn. Volgens hem ontbreekt een voldoende spoedeisend belang en valt niet in te zien waarom, gelet op de aard van de klachten van [B] en het ontbreken van klachten van anderen dan [B] , het oordeel in de bodemzaak, die overigens nog niet aanhangig is gemaakt, niet kan worden afgewacht.

5.8

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het oordeel dat aannemelijk is dat een bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden niet slechts gebaseerd is op de klachten van [B] over overlast, maar ook op klachten van andere buren, op schending door [appellant] van de verplichting zijn tuin te gebruiken als een moes- of een siertuin, een en ander in combinatie van het feit dat [appellant] zich niets gelegen liet liggen aan de aanwijzingen van Woningstichting. In zoverre berust de grief op een te beperkte lezing van het oordeel van de kantonrechter. Het hof acht van belang dat uit de rapporten van de politie en van het Sociaal Team volgt dat een explosieve en door in elk geval drie buren als bedreigend ervaren situatie was ontstaan. Nu [appellant] niet bereid was met Woningstichting in gesprek te gaan en zich ook overigens niet wilde houden aan de aanwijzingen van Woningstichting, had Woningstichting er een groot belang bij dat deze situatie op zo kort mogelijke termijn zou eindigen. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat dit belang prevaleert boven het belang van [appellant] om de beslissing in de bodemprocedure af te wachten. In dit verband overweegt het hof dat [appellant] niets heeft aangevoerd waaruit volgt dat en waarom hij een bijzonder belang had - meer of anders dan het belang dat iedere huurder heeft om in de door hem gehuurde woning te kunnen blijven wonen - dat tot een ander resultaat van de belangenafweging zou moeten leiden. De grief faalt in zoverre. Daaraan kan niet afdoen dat Woningstichting, nadat de ontruiming eenmaal was uitgesproken, niet alsnog een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt. Het staat Woningstichting vrij dat alsnog te doen, zoals het ook [appellant] vrijstaat een dergelijke procedure te entameren. Een verplichting tot het entameren van een bodemprocedure rust echter niet op Woningstichting.

5.9

De grief slaagt voor zover deze betrekking heeft op de vordering tot betaling van (ruim een maand) achterstallige huur en betaling van de huur vanaf de maand juni 2016 tot aan het tijdstip van ontruiming. De vordering tot betaling van de huur is in dit geval geen nevenvordering, die nauw samenhangt met de vordering tot ontruiming. Bovendien heeft [appellant] gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering; volgens hem was ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding geen sprake van een huurachterstand. De huur over de maand mei 2016 was nog niet opeisbaar en voor een (nog geringe) huurachterstand uit het verleden was een betalingsregeling getroffen, die hij nakwam, aldus [appellant] . Er is dan ook geen sprake van de situatie waarin, vanuit het oogpunt van proceseconomie, voor wat betreft het spoedeisend belang een nevenvordering ‘meelift’ op het spoedeisend belang van de hoofdvordering (vgl. Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522). Nu een zelfstandig (voldoende) spoedeisend belang voor de geldvordering ontbreekt, is deze vordering niet in kort geding toewijsbaar. Het hof zal de vordering dan ook afwijzen en het vonnis in zoverre vernietigen.

5.10

De slotsom is dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk, voor wat betreft de betaling van (achterstallige) huur, zal vernietigen en voor het overige zal bekrachtigen. Nu zowel in eerste aanleg als in hoger beroep het debat van partijen vooral gericht is geweest op de vordering tot ontruiming, en het hof deze vordering als toewijsbaar heeft beoordeeld, heeft [appellant] als de overwegend in het ongelijk te stellen partij te gelden. Het hof zal hem dan ook veroordelen in de proceskosten in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief II).

6 De beslissing
Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 6 juli 2016 tussen partijen gewezen, voor zover [appellant] in dat vonnis is veroordeeld tot betaling van een huurachterstand en van de huur vanaf juni 2016,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst deze vorderingen af;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Woningstichting gevallen, op
€ 718,- aan verschotten en op € 894,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. D.H. de Witte en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

3 oktober 2017.