Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8604

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
200.181.796/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheidszaak. Onderneming bemiddelt bij de verkoop van een jacht, ontvangt de koopprijs, maar gaat failliet voordat de koopsom aan de verkoper is afgedragen. Uitleg overeenkomst (Haviltex) om te bepalen wanneer de betalingsverplichting van de onderneming aan de verkoper ontstond. Financiële onmacht niet te voorzien. Bestuurder niet aansprakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5155
OR-Updates.nl 2017-0265
INS-Updates.nl 2017-0309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.181.796/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/146731 / HA ZA 14-57)

arrest van 3 oktober 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.H. Mastenbroek, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.J. Reiziger, kantoorhoudend te Assen.

1 Het verdere verloop van het geding.

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 februari 2017 hier over.

1.2.

De in het voornoemd tussenarrest bepaalde comparitie heeft plaatsgehad op

9 mei 2017. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

Mr. Mastenbroek heeft pleitaantekeningen overgelegd, die aan het proces-verbaal zijn gehecht. Een schikking is niet bereikt.

1.3.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier.

1.4.

[appellant] vordert in hoger beroep: "dat uw Gerechtshof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis gewezen door de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, zittingsplaats Groningen, van 18 maart 2015 onder (…) vernietigt en - opnieuw rechtdoende -geïntimeerde veroordeelt tot betaling aan appellant van een bedrag van € 65.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 april 2012 tot op de dag van algehele voldoening, alsook tot betaling van een bedrag van € 3.550,- ter zake van door appellant aan geïntimeerde betaalde proceskosten in eerste instantie, onder veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

2 De vaststaande feiten.

2.1.

De grieven I en II zijn mede gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Aangezien het hof zelf de feiten heeft vastgesteld en daarbij rekening heeft gehouden met hetgeen in genoemde grieven is aangevoerd, heeft [appellant] in zoverre geen belang bij afzonderlijke bespreking van deze grieven.

2.2.

[geïntimeerde] is bestuurder van Exploitatiemaatschappij Noord-Nederland B.V. Exploitatiemaatschappij Noord-Nederland B.V. is (onder meer) indirect bestuurder van Pedro Boat Occasions B.V. (hierna: Pedro Boat).

2.3.

Op 3 november 2011 heeft [appellant] aan Pedro Boat opdracht verleend zijn motorjacht " [C] " (hierna: het jacht) te verkopen (hierna: de bemiddelingsovereenkomst). In de bemiddelingsovereenkomst van die datum staat onder meer vermeld: Overeengekomen bedrag dat, bij verkoop door PEDRO-BOAT OCCASIONS B.V., aan de verkoper contant en zonder berekening van provisie, wordt uitbetaald, bedraagt € 70.000,-. (…). Zonder tegenbericht van de verkoper wordt na deze periode deze overeenkomst stilzwijgend met telkens 6 maanden verlengd."

2.4.

Op 29 maart 2012 is het jacht door Pedro Boat verkocht aan de heer [D] (hierna: [D] ) voor een bedrag van € 75.000,-. In het koopcontract is onder meer het volgende bepaald:

"(…)

2. Der Verkauf und Kauf erfoglen zum Kaufpreis von: € 75.000,00

Anzahlung --- € 0,00

Restsumme Alles in April 2012 € 75.000,00

3. Die Yacht wird in Mai 2012 abgenommen und geliefert, nachdem die Zahlung wie unter Punkt 2. Vereinbart, geleistert wurde. Bis zur Lieferung bleibt die Yacht auf Rechnung und Gefahr des Verkaufers.

4. Mit eventuellen Arbeiten, gemäss Punt 8, wird est angefangen, nachdem die Anzahlung, wie unter Punkt 2. Vereibart geleistet wurde."

Onder 8. staan de werkzaamheden opgesomd die nog aan het schip verricht moeten worden.

2.5.

In de brief van 30 maart 2012 van Pedro Boat aan [appellant] staat onder meer het volgende vermeld:

"Naar aanleiding van het telefoongesprek d.d. 30.03.2012 delen wij u hierbij schriftelijk mede dat uw schip, de [C] met bouwnummer [0000] verkocht is. Het contract is ondertekend en het wachten is op de aanbetaling. Zodra deze binnen is, is het schip definitief verkocht. De aanbetaling verwachten we binnen twee weken. Als dit binnen is melden we dit aan u.

Volgens afspraak krijgt u netto van ons een bedrag van € 65.000,= incl. BTW

Zodra het schip is uitgeleverd, eind Mei/begin Juni 2012 dan ontvangt u dit bedrag.

Wij verzoeken u hierbij dit formulier te ondertekenen (het origineel) en aan ons retour te zenden. (…) Kunt u tevens uw bankgegevens invullen zodat onze boekhouder na uitlevering het totale bedrag aan u over kan maken. "

2.6.

Op 1 april 2012 heeft [appellant] de brief voor akkoord ondertekend.

2.7.

Op 4 april 2012 is door Pedro Boat het eerste bedrag van € 50.000,- van [D] ontvangen op een door haar bij een Duitse bank aangehouden bankrekening. Van dit bedrag is € 45.000,- doorgestort naar een door Pedro Boat aangehouden rekening bij de ING Bank, de huisbankier van Pedro Boat.

2.8.

Op 30 april 2012 is door [D] aan Pedro Boat een bedrag van € 25.000,- contant voldaan.

2.9.

Op 22 juni 2012 hebben Pedro Boat en [D] een zogenoemde "Empfangserklärung" getekend. Pedro Boat heeft daarin onder meer verklaard het jacht aan [D] te hebben afgeleverd en [D] heeft verklaard het jacht te hebben ontvangen.

2.10.

Op 24 augustus 2012 is tussen Pedro Boat en [geïntimeerde] een overeenkomst gesloten waarbij een aan Pedro Boat toebehorende boot als onderpand wordt gebruikt voor het bedrag van € 65.000,- dat zij aan [appellant] is verschuldigd. In de overeenkomst is onder meer bepaald:

"Hiermee wordt dhr. [appellant] eigenaar van deze boot, totdat het bedrag van € 65.000,- door Pedro-Boat is voldaan Op het moment dat het bedrag is voldaan, gaat het eigenaarschap weer terug naar Pedro-Boat."

2.11.

Op 31 augustus 2012 heeft ING Bank het krediet opgezegd.

2.12.

Op 4 september 2012 is Pedro Boat op eigen aangifte failliet verklaard.

2.13.

De curator heeft de nietigheid ingeroepen van de in rov. 2.10 genoemde overeenkomst, wegens het ontbreken van een geldige titel voor overdracht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg.

3.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van € 65.000,- vermeerderd met rente en kosten. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] als indirect bestuurder van Pedro Boat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, primair door de bemiddelingsovereenkomst met [appellant] aan te gaan terwijl hij wist dat Pedro Boat niet aan haar verplichtingen uit deze overeenkomst zou kunnen voldoen en daarnaast door de van de koper [D] ontvangen gelden niet te reserveren voor betaling aan [appellant] . Subsidiair heeft [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld omdat er sprake zou zijn van betalingsonwil en meer subsidiair door met het aangaan van de overeenkomst van

24 augustus 2012 en het doen van betalingstoezeggingen een schijn van kredietwaardigheid op te houden, aldus [appellant] .

3.2.

[geïntimeerde] heeft betwist dat hij onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld.

3.3.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling in hoger beroep.

4.1.

In het kort gaat het in deze zaak om de vraag of [geïntimeerde] als indirect bestuurder van Pedro Boat aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden, doordat hij het bedrag van € 65.000,- van de koopsom van zijn door bemiddeling van Pedro Boat verkochte jacht niet heeft ontvangen.

4.2.

Het hof overweegt hiertoe als volgt. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K.

In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006: AZ0758, NJ 2006, 659, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NJ 2000, 295).

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (De zogenoemde Beklamelnorm naar HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990, 286, laatstelijk geduid in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K waaruit volgt dat deze norm in de kern de eis inhoudt dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden).

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. In dit onder (ii) bedoelde geval draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.

Het ligt daarbij bij zowel de hiervoor onder (i) als de onder (ii) bedoelde gevallen op de weg van de benadeelde crediteur om per aangesproken bestuurder te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld.

Ten aanzien van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon heeft het volgende te gelden (zie HR 12 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275).

Art. 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Artikel 2:11 BW is van toepassing in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet. Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op art. 6:162 BW. Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Dit betekent dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Uit de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW volgt echter wel dat als een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op die grond, een bestuurder van die rechtspersoon-bestuurder aansprakelijkheid op grond van art. 2:11 BW (alsnog) kan voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd. Deze bewijslastverdeling doet recht zowel aan de ratio van art. 2:11 BW als aan de vereisten voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW.

4.3.

De grieven I, II III (deels),V en VII richten zich in essentie tegen het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in rov. 5.3 en 5.5. van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat op 22 juni 2012, het moment dat naar haar oordeel de betalingsverplichting van Pedro Boat aan [appellant] ontstond, er geen financiële ruimte was om die betaling te verrichten en dat de aangevoerde primaire en subsidiaire grondslagen ondeugdelijk zijn om tot toewijzing van de vorderingen te geraken.

4.4.

[appellant] heeft in de toelichting op de grieven gesteld dat niet op 22 juni 2012 maar op 30 april 2012 de betalingsverplichting van Pedro Boat is ontstaan. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat in de overeenkomst van opdracht (rov. 2.3.) is opgenomen: Overeengekomen bedrag dat, bij verkoop door PEDRO-BOAT OCCASIONS B.V., aan de verkoper contant en zonder berekening van provisie, wordt uitbetaald, bedraagt € 70.000,-. Hieruit volgt volgens [appellant] dat de betalingsverplichting is ontstaan op 30 april 2012, nu op die datum de laatste betaling door [D] heeft plaatsgevonden en met de levering op die datum daarmee de verkoop was afgerond. Dat er in opdracht van [D] toen nog werkzaamheden aan het jacht zijn uitgevoerd, laat de levering op dat moment onverlet. Juist het laten uitvoeren van werkzaamheden laat bij uitstek zien dat de boot aan [D] is geleverd. [appellant] heeft vervolgens gesteld dat niet is gebleken dat het op of na 30 april 2012 niet mogelijk was de betaling aan [appellant] uit te voeren. ING heeft het krediet eerst op 31 augustus 2012 opgezegd en in de tussenliggende periode hebben wel betalingen aan andere crediteuren plaatsgehad. Er is dus geen sprake van betalingsonmacht, maar betalingsonwil.

4.5.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat de betalingsverplichting eerst is ontstaan op

22 juni 2012, het moment dat het jacht aan [D] is geleverd. Nadat een koper was gevonden voor het jacht, heeft tussen Pedro Boat en [appellant] overleg plaatsgevonden over de aan [appellant] toekomende opbrengst en het moment van betaling. Tussen partijen is vervolgens afgesproken dat [appellant] € 65.000,- zou ontvangen in plaats van de aanvankelijk genoemde bedrag van € 70.000,- en dat betaling zou plaatsvinden nadat het jacht was geleverd aan de koper. Het jacht is op 22 juni 2012 geleverd, maar toen was Pedro Boat niet meer tot betaling aan [appellant] in staat, aldus [geïntimeerde] .

4.6.

Voorop staat dat het voor de beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen steeds aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

4.7.

Ter zake de betalingsverplichting overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft in november 2011 aan Pedro Boat de opdracht gegeven tot verkoop van zijn jacht. Daarbij is vastgelegd tegen welke prijs de boot kon worden verkocht (rov. 2.3.). Nadat er daadwerkelijk een koper was gevonden zijn voornoemde partijen telefonisch met elkaar in contact getreden en is vervolgens onder verwijzing naar dit contact schriftelijk vastgelegd welk bedrag aan [appellant] zou worden uitbetaald "Volgens afspraak krijgt u netto van ons een bedrag van

€ 65.000,= incl. BTW" en wanneer betaling van dit bedrag zou plaatsvinden "Zodra het schip is uitgeleverd, eind Mei/begin Juni 2012 dan ontvangt u dit bedrag." [appellant] heeft deze brief voor akkoord getekend. Pedro Boat en [geïntimeerde] hebben deze verklaring onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo mogen opvatten dat betaling eerst diende plaats te vinden bij levering. [appellant] heeft aangevoerd dat bij de overeenkomst van opdracht van 3 november 2011 is overeengekomen dat Pedro Boat reeds bij verkoop aan [appellant] diende te betalen. Het hof overweegt ter zake als volgt. Het is de vraag of op grond van de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen – waaronder, maar niet beperkt tot de letterlijke tekst van de overeenkomst van opdracht van 3 november 2011 - mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, de door [appellant] voorgestane uitleg de juiste is. De door [appellant] voorgestane uitleg zou met zich brengen dat Pedro Boat reeds verplicht zou zijn om EUR 70.000,- aan [appellant] te betalen voordat zij van de koper de koopsom zou hebben ontvangen, hetgeen voorshands niet in de rede ligt. De beantwoording van de vraag hoe de overeenkomst van 3 november 2011 dient te worden uitgelegd, kan echter achterwege blijven, nu tussen partijen op 30 maart 2012 een nadere overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan betaling eerst diende plaats te vinden bij levering.

4.8.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is wanneer die levering heeft plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de comparitie bij het hof verklaard dat op het moment dat het schip door de klant wordt opgehaald, bij hem op kantoor wordt getekend voor de levering. [geïntimeerde] heeft een zogenoemde "Empfangserklärung" gedateerd 22 juni 2012 overgelegd (rov. 2.9.) waarin [D] verklaart dat hij het jacht in ontvangst heeft genomen. Het feit dat de levering heeft plaatsgevonden geruime tijd na betaling van de koopprijs, sluit aan bij de koopovereenkomst met [D] waarin is overeengekomen dat betaling van de koopprijs zou plaatsvinden in april 2012 en een levering in mei 2012 is voorzien. Het feit dat er nog (in de koopovereenkomst genoemde) werkzaamheden aan het jacht zijn verricht is hiermee niet in tegenspraak. In het licht van de geschetste feiten en omstandigheden heeft [appellant] zijn stelling dat levering op

30 april 2012 heeft plaatsgevonden en dat op die datum de betalingsverplichting van Pedro Boat is ontstaan onvoldoende onderbouwd. Nu [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan komt het hof aan bewijslevering niet toe. Dit leidt tot het oordeel dat levering heeft plaatsgehad op 22 juni 2012 en op dat moment tevens de betalingsverplichting voor Pedro Boat ontstond.

4.9.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de vennootschap niet tot betaling in staat was, heeft [geïntimeerde] het volgende aangevoerd. Er was sprake van een concernfinanciering. Het krediet was gebaseerd op de aanwezige voorraad waar de ING Bank een pandrecht op had. Het maximale krediet bedroeg € 1.500.000,-. In de winter (tot mei van elk jaar) werd dit krediet verhoogd met € 300.000,-. Op deze manier konden de wintermaanden overbrugd worden. Het was gebruikelijk dat in het voorjaar de verkopen aantrokken, waardoor dit extra krediet niet nodig was. Ter onderbouwing van deze afspraken is de offerte van ING Bank d.d. 24 maart 2009 overgelegd en een overzicht van de saldi van de bankrekeningen van de verschillende vennootschappen (conclusie na comparitie in eerste aanleg prod. 5 en prod. 6).

In het voorjaar van 2012 bleven de verkopen achter. Door de achterblijvende verkopen was er onvoldoende ruimte in het rekening-courant krediet. ING Bank ging gewoonlijk flexibel om met de afspraken, maar in juni 2012 werden zij strak gehanteerd. Pedro Boat heeft in

juni 2012 aan de ING Bank verzocht haar een liquiditeitsruimte van € 325.000,- te bieden, die de bank echter niet wilde geven. Zij is toen op zoek gegaan naar een private investeerder, die zij heeft gevonden. De leningsovereenkomst werd op 23 augustus 2012 getekend (cva prod.1). De financier heeft zich echter teruggetrokken en Pedro Boat zag zich genoodzaakt haar faillissement aan te vragen. [geïntimeerde] heeft verder nog aangevoerd dat sedert begin juni 2012 ING Bank bepaalde welke rekeningen werden voldaan.

4.10.

Het hof leidt uit het verloop van de rekening-courant rekening gecombineerd met de limiet op basis van cessielijsten, af dat er vrijwel geen kredietruimte binnen het concern aanwezig was. Op 22 juni 2012 bedroeg de limiet op basis van de cessielijsten € 1.500.000, terwijl de gebruikte kredietruimte op die datum € 1.475.974 bedroeg. Ook in de weken daarna was er geen ruimte om uit het krediet de betaling aan [appellant] te verrichten. Uit die stukken en de overgelegde correspondentie met de correspondentie met de ING Bank (conclusie van antwoord prod. 2, conclusie na comparitie prod. 9) en het stuklopen van de financieringsovereenkomst blijkt dat ondanks de pogingen van Pedro Boat om aanvullende financiering te krijgen, ook nadien geen ruimte is ontstaan om de vordering van [appellant] te voldoen. Van de door [appellant] gestelde betalingsonwil is dan ook onvoldoende gebleken: het hof houdt ervoor dat Pedro Boat niet in staat was om aan haar verplichtingen jegens [appellant] te voldoen.

4.11.

De grieven III (deels), IV en V richten zich in essentie tegen rov 5.3. van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld, kort gezegd, dat het niet onrechtmatig is om de aan een derde toekomende koopprijs gedurende een korte periode te gebruiken om het eigen bedrijf te financieren.

[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn grieven aangevoerd dat [geïntimeerde] als bestuurder onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door (i) hem niet te informeren over de penibele situatie waarin het bedrijf zich bevond, (ii) de verkoopopbrengst te gebruiken om aan zijn financieringsverplichting jegens de bank te voldoen, (iii) niet te voldoen aan zijn bijzondere zorgplicht jegens zijn opdrachtgever en (iv) [geïntimeerde] had ervoor moeten zorgen dat de verkoopopbrengst op rekening van [appellant] zou worden gestort, indien de betaling niet op 30 april 2012 kon worden voldaan.

4.12.

Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de betalingsverplichting van Pedro Boat aan [appellant] eerst ontstond op 22 juni 2012. Voorzover de grieven uitgaan van een andere datum stuiten zij reeds af op dat uitgangspunt. Het hof overweegt dat op 30 maart 2012 en op het moment van de betalingen (4 april en 30 april 2012) het concernkrediet en het aanvullende krediet van € 300.000,- ter beschikking stond. De ING Bank hanteerde de kredietregels flexibel en de zomerperiode met normaal gesproken aantrekkende verkopen lag in het verschiet. Wat er ook zij van de stelling dat bestuurder van een vennootschap verplicht is een klant over de financiële situatie van het bedrijf te informeren, gelet op het hetgeen hiervoor is omschreven was daar geen aanleiding toe. Dat de door [D] gedane betalingen vervolgens voor de bedrijfsvoering zijn aangewend en niet zijn gesepareerd kan evenmin als onrechtmatig worden beschouwd, omdat er nog geen betalingsverplichting bestond, zoals hiervoor is vastgesteld, geen wetenschap aanwezig was dat te zijner tijd onvoldoende geld aanwezig zou zijn om aan de verplichtingen te voldoen en uit wat Pedro Boat en [appellant] zijn overeengekomen volgt dat de door [D] betaalde koopsom tot levering bij Pedro Boat zou blijven en hier geen verdere afspraken zijn gemaakt.

4.13.

Grief VIII richt zich tegen rov. 5.6. van het bestreden vonnis. [appellant] heeft gesteld dat door het aangaan van de overeenkomst van 24 augustus 2012 en de onvoorwaardelijke toezegging dat een bedrag van € 10.000,- zou worden voldaan, alsmede door de herhaalde toezeggingen dat betaling zou volgen de schijn van kredietwaardigheid werd gewekt, hetgeen onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] oplevert, aldus [appellant] .

4.14.

Nog daargelaten of met de gestelde handelingen schijn van kredietwaardigheid bij [appellant] is gewekt – tot integrale en directe betaling van het verschuldigde bleek Pedro Boat immers niet in staat - tot de schade waarvan [appellant] vergoeding vordert en die bestaat uit het niet betalen aan hem van zijn deel van de koopprijs voor het jacht heeft dit niet geleid. De bemiddelingsovereenkomst was reeds geruime tijd voordien gesloten, zo ook de wijze waarop de overeenkomst zou worden afgehandeld. De nietige overeenkomst van 24 augustus 2012 heeft dan ook geen invloed gehad op het aangaan van deze eerdere overeenkomsten en niet bijgedragen aan de schade die uit het niet nakomen van de verplichtingen uit de bemiddelingsovereenkomst is gevolgd. Het hof tekent daarbij aan dat de vorderingen van [appellant] niet zijn gestoeld op de overeenkomst van

24 augustus 2012 – daargelaten of die tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] zou kunnen leiden – maar op de schijn van kredietwaardigheid die daarmee zou zijn gewekt bij [appellant] .

4.15.

De overige grieven VI (inhoudende een algemene vaststelling dat ten onrechte geen bestuurdersaansprakelijkheid is aangenomen) en IX (ziende op de afwijzing van de vorderingen en de proceskostenveroordeling ) hebben naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis, zodat afzonderlijke behandeling achterwege kan blijven met de vaststelling dat zij het lot van die grieven delen

4.16.

[appellant] heeft geen stellingen aangeboden te bewijzen die, indien juist, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden.

4.17.

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 711,- voor verschotten en op € 3.262,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten/tarief IV: € 1.631,-).

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van

18 maart 2015;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 711,- voor verschotten en op € 3.262,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief ;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. J. Smit en mr. M. Wolters en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

3 oktober 2017.