Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8571

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
200.157.967
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Schuld na onrechtmatig handelen niet verknocht, verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0056
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.157.967

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 301411)

beschikking van 3 oktober 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L.H. van der Schaaf te Utrecht.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 30 juni 2015 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Spaargaren van 19 december 2016 met producties;

- een journaalbericht van mr. Van der Schaaf van 8 mei 2017 met producties;

- een journaalbericht van mr. Spaargaren van 8 mei 2017 met producties.

1.3

Op 18 mei 2017 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van

30 juni 2015, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de uitkomst van de procedure in hoger beroep tussen de man en [A].

Uit het vonnis in hoger beroep van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curacao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (GHvJ) blijkt dat het hof - uitvoerbaar bij voorraad - het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 29 augustus 2012 heeft bekrachtigd met dien verstande dat het bedrag van

Afl 705.258,73 waartoe de man is veroordeeld wordt verhoogd tot Afl 809.831,23, en het bedrag van Afl 5.235,- aan kosten als bedoeld in het tweede lid van artikel 6:96 onder

b BW, waartoe de man is veroordeeld wordt verhoogd tot Afl. 18.300,05, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.

2.3

Het hof dient thans nog te oordelen over de grieven 3,4,5 en 6. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.4

In haar derde grief stelt de vrouw dat de schuld aan [A] niet vóór de opheffing van de huwelijksgoederengemeenschap (31 maart 2010) is ontstaan, maar daarna, op het moment van vaststelling van de aansprakelijkheid en de omvang van de door de man aan [A] verschuldigde schadevergoeding, te weten bij de Arubaanse vonnissen van 7 december 2011 en 29 augustus 2012. De vordering van [A] kan volgens de vrouw niet in de huwelijksgoederengemeenschap vallen omdat die al was ontbonden door de beschikking van het hof en de schuld niet met terugwerkende kracht in de gemeenschap kan vallen.

Het hof overweegt het volgende:

Ingevolge de artikelen 6:83 sub b en 6:162 BW is het moment van handelen waaruit de verplichting tot schadevergoeding voortvloeit bepalend voor het ontstaan van de schuld. Het hof is op grond daarvan van oordeel dat het tijdstip waarop de man zich jegens [A] onrechtmatig heeft gedragen bepalend is. Partijen waren op dat moment nog gehuwd in gemeenschap van goederen. De vordering van [A] valt derhalve in de gemeenschap.

Overigens merkt het hof op dat vanwege de vordering van [A] op 8 mei 2009 conservatoir beslag is gelegd, derhalve ruim voor de peildatum van 31 maart 2010. Grief 3 faalt.

2.5

In haar vierde grief stelt de vrouw (subsidiair) dat de schuld van de man aan [A] is verknocht aan de man en uitsluitend voor zijn rekening komt (artikel 1:94 lid 3 BW). De man heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering, een strafbaar feit. De vrouw heeft er nimmer wetenschap van gehad dat de man gelden heeft verduisterd en wat hij met het geld heeft gedaan. Zij is daar nooit bij betrokken geweest en heeft er niet van geprofiteerd. In hoeverre strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden is haar niet bekend. De man heeft zich civielrechtelijk schuldig gemaakt aan het plegen van een onrechtmatige daad, op basis waarvan hij een schadevergoeding dient te betalen aan [A]. Een dergelijk onrechtmatig handelen kan haar niet worden verweten en dient (tezamen met de gevolgen) aan de man te worden toegerekend.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie geen steun is te vinden voor het standpunt van de vrouw dat de schuld aan de man verknocht is. Blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie (zie o.a. HR 30-03-2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749) is van een uitzondering op de hoofdregel dat alle goederen en schulden gemeenschappelijk zijn niet snel sprake. Bij verknochte schulden wordt met name gedacht aan schulden die worden gemaakt met betrekking tot privé-goederen die aan iemand zijn verknocht, en verplichtingen tot schadevergoeding na bijvoorbeeld zeden- of levensdelicten. Dat is hier niet aan de orde. De omstandigheid dat de vrouw niet van het bestaan van de schuld aan [A] op de hoogte was, niet van het verduisterde geld heeft geprofiteerd en geen of onvoldoende inzicht heeft gehad in het ontstaan van die schuld maakt dit oordeel niet anders. Overigens zijn dergelijke omstandigheden hier bovendien - zie ook hierna - niet (voldoende) komen vast te staan. De hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW - iedere schuld komt ten laste van de huwelijksgoederengemeenschap - is derhalve onverkort van toepassing. Grief 4 faalt eveneens.

2.6

De vrouw stelt in haar vijfde grief (meer subsidiair) dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat zij voor de helft van de schuld zou moeten opdraaien. De vrouw stelt dat de schuld is ontstaan als gevolg van onrechtmatig handelen van de man, dat zij daar niet van wist en niet van het verduisterde geld heeft geprofiteerd en dat menselijkerwijs beschouwd iedereen aanvoelt dat deze fraude-schuld uitsluitend bij de man thuishoort. De man heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zodat de ontbonden gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, kan van de draagplicht bij helfte worden afgeweken. Hierbij zijn de feiten en omstandigheden van groot belang. Het hof is gelet op de strenge maatstaf en de gemotiveerde betwisting van de man van oordeel dat de vrouw haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Onrechtmatig handelen van één van beide echtgenoten en onwetendheid van de andere echtgenoot rechtvaardigt op zichzelf geen afwijking van artikel 1:100 BW. Daar komt bij dat het GHvJ in het (inmiddels in kracht van gewijsde gegane) vonnis van

24 mei 2016 heeft overwogen, en ook de man na overlegging van dit vonnis in het onderhavige hoger beroep niet althans nauwelijks nog langer serieus heeft ontkend, dat de verduisterde gelden voor een groot deel zijn besteed aan de bouw van de woning van partijen. Ook de vrouw heeft dit niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de gemeenschap, en dus ook de vrouw, in elk geval in zoverre geprofiteerd heeft van de gelden. Voor zover de verduisterde gelden aan andere doelen zijn besteed is niet voldoende onderbouwd en niet komen vast te staan dat de gemeenschap – en dus ook de vrouw – niet geprofiteerd heeft van het handelen van de man.

Het hof is dan ook van oordeel dat de gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd om te kunnen concluderen dat verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Grief 5 faalt ook.

2.7

In haar zesde grief stelt de vrouw dat de schuld aan [A] door frauduleus handelen van de man is ontstaan. De huwelijksgoederengemeenschap is door het handelen van de man benadeeld. Dat mag niet ten nadele van de vrouw worden gebracht. De man is gehouden de schade aan de gemeenschap te vergoeden, aldus de vrouw.

Het hof overweegt het volgende.

De vrouw stelt slechts in algemene zin dat de man de schade aan de gemeenschap moet vergoeden zonder daarvoor een juridische grondslag te noemen. Ook in hoger beroep heeft de vrouw dit niet nader aangeduid of toegelicht. Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat sprake is van benadeling van de gemeenschap op grond van artikel 1:88, 1:111 of 1:164 BW is het hof van oordeel dat van de gronden als genoemd in die artikelen geen sprake is. De vrouw heeft hieromtrent ook niets gesteld. Ook een andere juridische grondslag is in het kader van deze procedure door de vrouw niet gesteld en ook niet concreet onderbouwd en inzichtelijk gemaakt.

Grief 6 slaagt daarom evenmin.

2.8

Gelet op het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat partijen gelijkelijk draagplichtig zijn voor de schuld aan [A] zoals die op de peildatum (31 maart 2010) bestond en dat het (subsidiaire) verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling aan haar van € 115.086,41, zijnde de helft van de overwaarde na verkoop van de echtelijke woning op Aruba, moet worden afgewezen.

3 De slotsom

3.1

Op grond van hetgeen hiervoor en in de beschikking van 30 juni 2015 is overwogen, falen de grieven 1, 3,4,5 en 6 en slaagt grief 2 deels. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover daarbij is bepaald dat partijen de schuld aan [B] van € 27.760,74 in hun onderlinge verhouding bij helfte dienen te dragen, vernietigen en op het punt van die schuld beslissen als volgt, en voor het overige bekrachtigen.

3.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

23 juli 2014, voor zover daarbij is bepaald dat partijen de schuld aan [B] van

€ 27.760,74 in hun onderlinge verhouding bij helfte dienen te dragen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat partijen de schuld aan [B] van € 16.152,74 in hun onderlinge verhouding bij helfte dienen te dragen;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

23 juli 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, R. Feunekes en M.J. Stolwerk, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 3 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.