Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8567

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
WAHV 200.202.473
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit uitrit de weg oprijden zonder overige verkeer voor te laten gaan. Geen sprake van afwezigheid van alle schuld, maar gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht matigt het hof de sanctie tot nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.202.473

3 oktober 2017

CJIB 189285956

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 16 augustus 2016

betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 115,-.

Het procesverloop

De gemachtigde heeft namens de betrokkene tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 19 september 2017. De gemachtigde is verschenen, bijgestaan door [C] . Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. [D] .

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “uit uitrit de weg oprijden zonder overige verkeer voor te laten gaan”, welke gedraging zou zijn verricht op 24 april 2015 om 9.12 uur op de Rijksweg-Noord te Elst met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

2. De gemachtigde was ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig. Zij stelt dat de manier waarop bekeurd is, niet juist is verlopen. De uitrit waar de gemachtigde uitreed is vlak bij een kruispunt met verkeerslichten waardoor niet al het verkeer te zien is. Het rijgedrag van de verbalisant, die vanuit de richting van de kruising kwam, heeft bijgedragen aan een gevaarlijke situatie. Hij had niet hoeven remmen om een aanrijding te voorkomen als hij zelf met een gematigde snelheid had gereden. Ook is er volgens de gemachtigde sprake van machtsmisbruik van de verbalisant omdat de bekeuring is uitgeschreven op kenteken toen de verbalisant geen oogcontact met haar kon krijgen. Daarnaast klaagt de gemachtigde over verschillende procedurele fouten, zoals het feit dat de verbalisant in eerste instantie een andere feitcode heeft gebruikt. Gelet op deze omstandigheden verzoekt de gemachtigde om de sanctie ongedaan te maken.

3. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Bij het achteruit rijden uit een uitrit cq parkeerplaats behorende bij een woning het overige verkeer op de rijbaan niet voor laten gaan. (…)
Gedraging in privétijd geconstateerd derhalve geen staandehouding.”

5. Verder bevat het dossier een op ambtseed op 29 juni 2015 opgemaakt aanvullend proces-verbaal waarin de verbalisant onder meer het volgende verklaart:

"Op 24 april 2015 bevond ik, verbalisant [E] , mij in privétijd en rijdend in mijn privévoertuig rijdend op de Dauw in Elst Gld. Ter hoogte van de kruising met de Rijksweg Noord had ik roodlicht waar ik voor stopte. Bij groenlicht reed ik op en sloeg links af de Rijksweg Noord op, rijdend in de richting Elst centrum. Nadat ik, verbalisant, links afgeslagen was moest ik remmen om een aanrijding te voorkomen omdat er plotseling een personenauto achteruit de rijbaan op kwam rijden. (…) Ik, verbalisant probeerde oogcontact te maken met de dame achter het stuur om haar aan te spreken op haar actie bij het achteruit rijden maar deze dame meed elk contact. (…) Door mij, verbalisant is vervolgens een kennisgeving van beschikking op kenteken opgemaakt. (…)
Voor mij, verbalisant was op het moment van constateren niet duidelijk of het hier wel of niet daadwerkelijk een uitrit betrof. Derhalve werd door mij R506 gebruikt in plaats van R507."

6. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gemachtigde de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

7. Door de gemachtigde is aangegeven dat zij achteruit de uitrit moet verlaten en voorzichtig de uitrit is uitgereden. Bij het achteruit rijden moet ze een trottoir en fietspad oversteken. Vlakbij de uitrit bevindt zich een kruispunt - gelegen op een afstand van ongeveer 22 meter van het perceel - met verkeerslichten. Vanuit de uitrit is niet waar te nemen of de verkeerslichten op groen gaan. Dat wordt eerst duidelijk als het verkeer gaat rijden. Daardoor kan het voorkomen dat de verkeerslichten op groen gaan tijdens het uitrijden van de uitrit. De verbalisant heeft verklaard dat hij vanaf het kruispunt linksaf de Rijksweg Noord op is gereden toen het verkeerslicht groen licht uitstraalde en toen moest remmen voor de gemachtigde. Omdat de gemachtigde al was begonnen met uitrijden en aangezien het kruispunt zo dicht bij de uitrit is, kon de gemachtigde op dat moment het overige verkeer niet meer voor laten gaan. Het terugrijden de uitrit op levert gevaar op voor mogelijke voetgangers en fietsers. De gemachtigde heeft voorts verklaard dat ze altijd zeer voorzichtig de uitrit verlaat en deze manoeuvre met grote regelmaat uitvoert. Het is onder deze omstandigheden soms niet te voorkomen dat het overige verkeer moet anticiperen op dat achteruitrijden. De omstandigheden ter plaatse zijn door de gemachtigde ter zitting met behulp van een plattegrond en fotomateriaal toegelicht.

8. Uitgangspunt is dat bij het verrichten van een dergelijke manoeuvre vrije doorgang dient te worden verleend aan het overige verkeer. De omstandigheden kunnen daarbij zo zijn dat het gelet op de te verwachten gevaarzetting nodig is hulp van een derde in te roepen om veilig de uitrit te kunnen verlaten. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld. Gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht is het hof echter van oordeel dat in dit specifieke geval sprake is van zodanige omstandigheden dat er aanleiding is het bedrag van de sanctie te matigen tot nihil.

9. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie vernietigen en voorts het beroep tegen de inleidende beschikking (deels) gegrond verklaren en de sanctie matigen tot nihil. De overige bezwaren van (de gemachtigde) van betrokkene met betrekking tot onzorgvuldigheden in de procedure leiden ook niet tot vernietiging van de beschikking. Het wijzigen van de feitcode is binnen de grenzen van de huidige jurisprudentie toegelaten. In het door de gemachtigde van de betrokkene geschetste gedrag van de verbalisant ziet het hof ook geen aanleiding tot vernietiging van de beschikking.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;

bepaalt dat het bedrag van de administratieve sanctie wordt gesteld op € 0,-;

bepaalt dat het gehele bedrag van de zekerheidstelling, te weten een bedrag van

€ 237,-, door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.