Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8563

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
16/01106
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:4609, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Aanmerkelijk belang. Toerekening winstuitdeling aan ex-echtgenoot? Eenzijdig verzoek tot wijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2017/23.3
AR 2017/5294
V-N Vandaag 2017/2353
V-N 2018/13.13 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 13-10-2017
FutD 2017-2554
NTFR 2017/2993 met annotatie van mr. J.A.L. Heldens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 16/01106

uitspraakdatum: 4 oktober 2017

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 augustus 2016, nummer AWB 15/6971, ECLI:NL:RBGEL:2016:4609, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een verzuimboete opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen de uitspraken met betrekking tot de aanslag en de heffingsrente in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is in 1998 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [A] (hierna: de ex-echtgenoot). Op 10 december 2014 is de echtscheiding door de rechtbank uitgesproken.

2.2.

In het onderhavige jaar bezat belanghebbende alle aandelen in [B] B.V. (de BV).

2.3.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2010 gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.481 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil.

2.4.

In verband met de aanschaf van een boot heeft de Inspecteur een winstuitdeling uit de BV aan belanghebbende aangenomen van € 547.400. Bij het opleggen van de onderhavige aanslag heeft de Inspecteur in afwijking van de aangifte bij belanghebbende een bedrag van € 273.700, zijnde 50% van € 547.400, in aanmerking genomen als inkomen uit aanmerkelijk belang. De aanslag is met dagtekening 8 mei 2014 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.481 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 273.700. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

2.5.

Bij e-mail van 20 november 2014 heeft de gemachtigde van belanghebbende en de ex-echtgenoot aan de Inspecteur een stuk gestuurd met betrekking tot – onder meer – de correcties in verband met de onder 2.4 genoemde winstuitdeling, waarin – voor zover van belang – het volgende is geschreven:

Aangiften IB 2010

De aangiften zijn door de heer en mevrouw [A] zelf ingediend.

1. De Belastingdienst heeft naar aanleiding van de ingediende aangifte correcties opgelegd. Dit in verband met de aanschaf van de boot. De belastingdienst heeft aan de heer [X] een aanslag opgelegd waarbij zij de aanschafwaarde van de boot (€ 547.400) als dividenduitdeling in aanmerking wil nemen (belast tegen 25%).

2. Verder is aan mevrouw [A] een aanslag opgelegd waarbij een bedrag van € 273.700 aan box 2 inkomen in aanmerking is genomen (25%). Deze afwijking is verder niet gemotiveerd door de belastingdienst.

Standpunt van belanghebbende is het volgende. De boot is in 2011 verkocht voor een bedrag van € 416.500. Belanghebbende is van mening dat alleen het verschil ad € 130.900 bij de heer [X] als dividenduitdeling in aanmerking mag worden genomen. Daarnaast dienen aan mevrouw [A] geen correcties te worden opgelegd.”

2.6.

Op 1 september 2015 is het faillissement van de ex-echtgenoot uitgesproken.

2.7.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar met dagtekening 22 oktober 2015 de aanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

2.8.

Bij brief van 4 december 2015 hebben belanghebbende en haar ex-echtgenoot een gezamenlijk verzoek ingediend bij de Inspecteur om de gehele correctie in box 2 aan de ex-echtgenoot toe te rekenen.

2.9.

Bij e-mail van 9 december 2015 is namens de curator in het faillissement van de ex-echtgenoot (hierna: de curator) aan de Inspecteur medegedeeld dat niet akkoord wordt gegaan met het toerekenen van de gehele correctie aan de ex-echtgenoot.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur bij belanghebbende terecht een bedrag van € 273.700 als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Belanghebbende stelt zich – samengevat – op het standpunt dat geen sprake is van een winstuitdeling van € 273.700 en dat het bedrag dat wel als winstuitdeling kan worden aangemerkt gelet op de door haar en haar ex-echtgenoot gemaakte gezamenlijke keuze in de zin van artikel 2.17 Wet IB 2001 geheel bij de ex-echtgenoot in aanmerking dient te worden genomen. Belanghebbende beroept zich in dit verband ook op het vertrouwensbeginsel en is voorts van mening dat het motiveringsbeginsel is geschonden. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, vermindering van de aanslag en dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente. De verzuimboete is tussen partijen niet in geschil.

3.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat bij belanghebbende terecht een winstuitdeling van € 273.700 in aanmerking is genomen. Hij voert daarbij onder meer aan dat de gezamenlijke keuze van belanghebbende en de ex-echtgenoot om de gehele winstuitdeling toe te rekenen aan de ex-echtgenoot is herzien door de mededeling van de curator dat hij niet akkoord gaat met het toerekenen van de gehele correctie aan de ex-echtgenoot. Voorts bestrijdt de Inspecteur het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel en de gestelde schending van het motiveringsbeginsel. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Het Hof zal eerst de grief van belanghebbende beoordelen dat het bedrag dat als winstuitdeling kan worden aangemerkt, aan de ex-echtgenoot dient te worden toegerekend.

4.2.

Artikel 2.17, vierde lid, Wet IB 2001 (tekst 2010) bepaalt, voor zover van belang:

“De voor een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel of voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen tot stand gekomen onderlinge verhouding kan door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag, (…) van de belastingplichtige en zijn partner, onherroepelijk vaststaan.”

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende en haar ex-echtgenoot met het versturen van het onder 2.5 genoemde stuk op 20 november 2014 aan de Inspecteur gezamenlijk de keuze hebben gemaakt, als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, Wet IB 2001, om de in aanmerking te nemen winstuitdeling – als inkomen uit aanmerkelijk belang – geheel aan de ex-echtgenoot toe te rekenen. Nu dit niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting zal het Hof partijen daarin volgen.

4.4.

Uit de onder 4.2. genoemde wettelijke regeling volgt dat voor de wijziging van een tot stand gekomen onderlinge verhouding van een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel vereist is dat een dergelijk verzoek eveneens gezamenlijk wordt gedaan. Nu vaststaat dat belanghebbende niet instemt met een wijziging van de keuze, kan een – eenzijdig – verzoek van de curator niet leiden tot een wijziging van de verdeling die voortvloeit uit het verzoek van 20 november 2014.

4.5.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. De aanslag dient te worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.481 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil. Gelet hierop behoeven de overige standpunten van partijen geen behandeling meer.

4.6.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikking heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslag betreft.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.980 (4 punten (beroepschrift, hogerberoepschrift en bijwonen twee zittingen)  wegingsfactor 1  € 495).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de uitspraken van de Inspecteur gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur, behoudens die omtrent de boetebeschikking,

– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.481 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil,

– vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.980 en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 124 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 4 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (G.B.A. Brummer)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 oktober 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.