Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8541

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
200.199.981/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Inkomensverlies niet voor herstel vatbaar, wel verwijtbaar inkomensverlies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0283

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.199.981/01

(zaaknummer rechtbank C/08/186422 / FA RK 16-1155)

beschikking van 28 september 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.E. Verhagen-Kiela te Lochem,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.S. Vos te Tiel.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 1 juli 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 28 september 2016;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. Verhagen-Kiela van 3 mei 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Vos van 5 mei 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Verhagen-Kiela van 8 mei 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 mei 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

Mr. Verhagen-Kiela en mr. Vos hebben beiden het woord ter zitting gevoerd mede aan de hand van door hun overgelegde pleitnota's.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen hebben een echtscheidingsconvenant gesloten, dat door beiden is ondertekend in 2012. Hierin is onder meer bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2012 zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 3.200,- bruto per maand. De man was in die tijd, en sinds 2003 tot aan zijn ontslag begin 2016, in dienst bij [B] B.V. (hierna: [B] ).

3.3

Bij beschikking van 18 juli 2012 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad bepaald dat de inhoud van het convenant deel uitmaakt van de beschikking. Ingevolge de wettelijke indexering bedroeg de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud in 2016 afgerond € 3.353,- bruto per maand.

3.4

Bij inleidend verzoekschrift, bij de rechtbank binnengekomen op 17 mei 2016, heeft de man de rechtbank verzocht de door hem te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, zoals (naar het hof begrijpt:) neergelegd in het convenant en opgenomen in de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 juli 2012, te wijzigen en maximaal te bepalen op € 1.497,- bruto per maand, althans een zodanig lager bedrag als de rechtbank juist acht, met ingang van 1 april 2016, althans de datum van het verzoekschrift, althans een zodanig eerdere datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.5

De vrouw heeft verweer gevoerd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 17 mei 2016 vastgesteld op € 2.103,- (naar het hof leest:) bruto per maand.

4.2

De vrouw is met elf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

1 juli 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de man af te wijzen, hetzij door hem hierin niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel door hem deze verzoeken te ontzeggen en de man te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4.3

De man heeft verweer gevoerd en is op zijn beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de vrouw, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, dan wel het beroep af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de man het hof bij beschikking de door hem te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, zoals neergelegd in het (naar het hof begrijpt:) echtscheidingsconvenant en opgenomen in de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juli 2016 te wijzigen en maximaal te bepalen op € 1.765,- bruto per maand, althans een zodanig lager bedrag als de rechtbank juist acht,

met ingang van 1 juli 2016, althans de datum van het incidenteel hoger beroepschrift, althans een zodanige datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk en per onderwerp beoordelen. Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

● de wijziging van omstandigheden, en dan in het bijzonder de verwijtbaarheid van het

inkomensverlies van de man;

● de behoefte van de vrouw;

● de behoeftigheid van de vrouw;

● de draagkracht van de man;

● de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

De wijziging van omstandigheden

5.1

Tussen partijen staat niet ter discussie dat aan de zijde van de man als gevolg van
de beëindiging van zijn dienstverband bij [B] sprake is van een wijziging van zijn inkomsten. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of deze wijziging een relevante wijziging van omstandigheden is in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), die een hernieuwde beoordeling van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud rechtvaardigt. De rechtbank heeft geoordeeld dat hiervan sprake is. De vrouw betwist dit en is van mening dat bij de bepaling van de door de man te betalen partneralimentatie met dit inkomensverlies geen rekening dient te worden gehouden, nu dit inkomen voor herstel vatbaar is als ook sprake is van verwijtbaar inkomensverlies en het inkomen van de man niet zakt beneden de 90% van de bijstandsnorm.

5.2

Voor de beantwoording van de vraag of al dan niet rekening dient te worden gehouden met het inkomensverlies aan de zijde van de man, dient allereerst te worden beoordeeld of dit inkomensverlies voor herstel vatbaar is. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. Niet is komen vast te staan dat de man zijn oude inkomen terug kan krijgen (door terugkeer in zijn oude baan of anderszins). Het hof acht voldoende onderbouwd dat de man zijn best heeft gedaan om na zijn ontslag in 2016 een zo hoog mogelijk inkomen te genereren. Hij heeft vanuit een situatie van werkloosheid binnen enkele maanden weer ander werk gevonden, echter met een aanzienlijk lager inkomen. Gezien de leeftijd van de man en zijn werkervaring kan naar het oordeel van het hof niet van hem worden gevergd dat hij een inkomen genereert dat gelijk is aan zijn inkomen bij [B] . Het inkomensverlies van de man sinds zijn ontslag in 2016 is derhalve niet voor herstel vatbaar.

5.3

Vervolgens is de vraag aan de orde of de man zich tegenover de vrouw van de

gedragingen die tot het inkomensverlies hebben geleid, had moeten onthouden; derhalve

of het inkomensverlies verwijtbaar is.

5.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de man zich oude accu's heeft toegeëigend die aan zijn werkgever toebehoorden, dat deze accu's (enige) waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigden en dat dit de directe aanleiding vormde voor het ontslag van de man. De vrouw stelt dat er sprake is geweest van diefstal en dat dit tot het ontslag van de man heeft geleid. Volgens de man werd het binnen het bedrijf echter gedoogd dat werknemers de oude accu's meenamen en heeft zijn toenmalige werkgever het feit dat de man zich oude accu's toe-eigende aangegrepen om gemakkelijk van hem af te komen.

5.5

Naar het oordeel van het hof kan uit een door de vrouw in het geding gebrachte WhatsApp-conversatie tussen de man en zijn zoon worden afgeleid dat de man zich bewust was van het feit dat het toe-eigenen van de accu's niet werd getolereerd en werd gezien als diefstal. In dit WhatsApp-gesprek, dat plaatsvond op de dag dat de man door zijn werkgever is aangesproken op zijn gedrag, is namelijk het volgende tussen de man en zijn zoon gezegd:

Man: Lig er denk ik uit gesnapt voor het meenemen van oude batt

Zoon: Kan ik je bellen?

Man: Nee zit nog bij de heren, maar lig er denk ik wel uit.

Komen ze makkelijk van me af

Zoon: Wat een gelul! Je deed het toch niet alleen?

Man: Maar dat ga ik niet zeggen

Zoon: Je bent verlinkt!

Man: Schijnbaar wel, en hebben ze beelden

Dat ik met batt liep

Zoon: Nou en? Zijn toch oude accu's?

Slaat nergens op.

Man: Ja inderdaad maar wordt wel gezien als diefstal

(...)

Man: Heb gezegd dat het een paar

honderd euro was en het held (het hof leest: geld) hard

nodig had (lieg ik niets aan)

Uit de reactie van de zoon zou kunnen worden afgeleid dat er meer mensen waren die accu's meenamen maar dit is naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs voor de stelling van de man dat het gedoogd werd, temeer nu de man in hetzelfde bericht aangeeft dat hij niet gaat vertellen dat meer mensen de accu's meenamen, wat zijn stelling dat het gedoogd zou worden juist tegenspreekt. Hetzelfde geldt voor de e-mail van zijn werkgever van

11 februari 2016 aan het personeel waarin wordt medegedeeld dat de werkgever zich genoodzaakt heeft gezien de man naar huis te sturen. Daaropvolgend wordt in een e-mail van 24 maart 2016 van [B] aan het personeel als reden voor het ontslag van de man genoemd dat de man niet handelde volgens een van de belangrijke kernwaarden van het bedrijf: "Uncompromising Ethics". Ook dit impliceert dat de man iets heeft gedaan dat volgens de binnen het bedrijf geldende normen niet door de beugel kon. Gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de vrouw, had het op de weg van de man gelegen om deze stellingen gemotiveerd en met stukken onderbouwd te weerleggen. De man had bijvoorbeeld zijn arbeidsdossier, alle gevoerde correspondentie betreffende zijn ontslag en/of verklaringen van meerdere ex-collega's over het (gedogen van het) meenemen van accu's in het geding kunnen brengen, maar heeft dit nagelaten.


Voor zover de man heeft gesteld dat [B] het voorval heeft aangegrepen om hem te kunnen ontslaan, heeft de man dit eveneens onvoldoende onderbouwd. Daarbij is het hof van oordeel dat als dit al het geval zou zijn, de man [B] door zijn onprofessionele handelen hiertoe gelegenheid heeft gegeven. De man had een goedbetaalde leidinggevende functie binnen het bedrijf en had zich dienen te onthouden van dergelijk gedrag. Ook de enkele stelling dat nadien de arbeidsovereenkomst tussen [B] en de man met wederzijds goedvinden in de vorm van een beëindigingsovereenkomst is beëindigd, leidt bij gebreke aan overige stukken niet tot een ander oordeel. Immers, aan deze keuze kunnen eveneens andere (financiële) belangen ten grondslag hebben gelegen. De vrouw heeft in dit kader bovendien terecht aangevoerd dat als het klopt wat de man zegt hij zich tegen zijn ontslag had kunnen verzetten en dat tevens van hem gevergd had mogen worden.

5.6

Het hof is van oordeel dat voornoemd handelen aan de man kan worden verweten, dat het daardoor ontstane inkomensverlies aan hem kan worden toegerekend en dat de gevolgen daarvan voor zijn rekening dienen te komen. Het hof zal de draagkracht van de man daarom berekenen aan de hand van een fictief inkomen, zijnde het inkomen dat de man voorheen bij [B] verdiende. Het rekenen met een fictief inkomen mag voor de bepaling van de draagkracht van de man niet tot het resultaat leiden dat hij als gevolg van de berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsverplichting feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien en beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm zakt. Indien dit resultaat dreigt, dient een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de man plaats te vinden.

5.7

De vrouw heeft gesteld dat de man kan interen op zijn vermogen en zodoende zijn inkomen niet hoeft te zakken beneden de hiervoor genoemde 90%-norm. De man heeft erkend dat hij een vermogen heeft. De hoogte daarvan heeft hij evenwel niet inzichtelijk gemaakt. De door hem in het geding gebrachte belastingaangiftes over de jaren 2015 en 2016 zijn onvolledig en door de man zodanig ingediend dat zijn vermogen niet zichtbaar is dan wel onleesbaar is gemaakt. De man heeft ter zitting gesteld dat hij een gouden handdruk van

€ 80.000,- en een lijfrente van € 20.000,- heeft laten uitbetalen en dit, samen met de overwaarde van zijn huis, heeft gebruikt om een nieuwe woning te kopen. De man heeft dit echter in het geheel niet onderbouwd. Daarnaast heeft de man ter zitting verklaard een ongeveer even hoog vermogen te hebben als de vrouw, volgens hem in 2016 € 72.884,-. In dit kader is door de vrouw ter zitting naar voren gebracht dat de man zijn voormalige woning heeft verkocht voor € 260.000,-, de man nu samenwonend is en op basis van de wel zichtbare cijfers op zijn belastingaangifte IB 2016 het vermogen van de man circa € 173.430,- is. Naar het oordeel van het hof staat dan ook vast dat de man over vermogen beschikt. Het hof is echter niet in staat om op deugdelijke wijze te beoordelen wat het vermogen van de man in 2016 is geweest en wat het vermogen van de man op dit moment is, mede gelet op de aankoop en verkoop van de woningen. Het hof is van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om hier tijdig duidelijkheid over te verschaffen. Nu de man dit heeft nagelaten gaat het hof ervan uit dat de man een aanvullend inkomen uit vermogen kan genereren, dan wel kan interen op zijn vermogen, waardoor de man voldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te betalen. In ieder geval belandt de man door betaling van de bijdrage niet in de situatie dat hij niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

5.8

Nu het hof er vanuit gaat dat de man voldoende draagkracht heeft om de tussen partijen afgesproken en door de rechtbank vastgestelde bijdrage te betalen is er geen sprake van een rechtens relevante wijziging die een hernieuwde beoordeling van de door de man te betalen partneralimentatie rechtvaardigt. Het hof zal het inleidende verzoek van de man derhalve alsnog afwijzen en komt niet toe aan bespreking van hetgeen partijen verder omtrent de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man naar voren hebben gebracht.

De proceskosten

5.9

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slagen de grieven in het principaal hoger beroep waardoor het hof niet toekomt aan de bespreking van de grieven in het incidenteel hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van

1 juli 2016, en opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de man alsnog af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, J.G. Idsardi en

M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. M. Koster als griffier, en is op 28 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.