Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8540

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
200.195.846/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden. Verrekening van gelden door schenking en erfenis verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.195.846/01

(zaaknummer rechtbank C/17/131110/FA RK 13-2087)

beschikking van de familiekamer van 28 september 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.A. Buijs te Heerenveen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 juli 2013, 18 december 2013, 2 maart 2016 en 20 april 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 20 juli 2016;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 14 oktober 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 31 mei 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 1 juni 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 juni 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1991 met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan hun huwelijk, bij notariële akte van 20 februari 1991, zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan. Bij notariële akte van 28 mei 1996 is artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden gewijzigd. In de huwelijkse voorwaarden is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld.

Uitsluiting gemeenschap van goederen

Artikel 1

Tussen de echtgenoten zal geen huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen bestaan.

Jaarlijkse verrekening overgespaarde inkomsten

Artikel 7

1. Partijen verplichten zich jegens elkaar jaarlijks ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun inkomsten uit arbeid niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding of op andere wijze gelijkelijk aan beiden ten goede gekomen is. (…)

Afrekening bij het einde van het huwelijk

Artikel 11 (versie 28 mei 1996)

1. Bij het einde van het huwelijk, ongeacht of dit door overlijden of door echtscheiding geschiedt, wordt afgerekend alsof tussen de echtgenoten algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan.

2. De afrekening als in lid 1 bedoeld geschiedt naar de toestand en de waarde per datum van overlijden.

3. De afrekening blijft achterwege indien het vermogen van een van de echtgenoten of van beiden per saldo negatief is.

3.2

Op 6 februari 2013 heeft de vrouw bij de rechtbank een inleidend verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft een verweerschrift met zelfstandig verzoek ingediend. De vrouw heeft vervolgens nog een aanvullend verzoekschrift ingediend.

3.3

Bij beschikking van 17 juli 2013 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [a-straat] 13, [C] , te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van de inschrijving bewoont.

3.4

Bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 20 april 2016 heeft de rechtbank bepaald dat de afrekening van de huwelijkse voorwaarden dient te geschieden als overwogen in r.o. 2.4 en 2.5, de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van het bedrag van € 19.977,57, de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van het bedrag van € 34,- per maand vanaf 6 februari 2013 tot mei 2025. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

3.5

De echtscheidingsbeschikking is op 27 december 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.6

De voormalig echtelijke woning van partijen is aan een derde verkocht. De netto-opbrengst heeft om en nabij € 300.000,- belopen. Dit bedrag staat op een geblokkeerde rekening van een notaris, in afwachting van de verdere afwikkeling van dit geschil tussen partijen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen en de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen van partijen.

4.2

De man is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van (naar het hof begrijpt) 18 december 2013, 2 maart 2016 en 20 april 2016. De grieven 1 tot en met 6 zien op de gelden verkregen onder uitsluitingsclausule. Grief 7 heeft betrekking op de inboedel. Grief 8 ziet op de kosten die de man na de peildatum heeft gemaakt. De man verzoekt voornoemde beschikkingen te vernietigen voor zover het de gelden verkregen onder uitsluitingsclausule en de inboedel betreft en in zoverre opnieuw beslissende:

- te bepalen dat de schenking en erfenissen onder uitsluiting zijn verkregen en dat de man ter zake van deze gelden een vergoedingsrecht geldend kan maken jegens de gemeenschap en/of de vrouw;

- te bepalen dat de man vanwege onderbedeling uit de inboedel een vordering heeft op de vrouw van € 7.500,-;

- te bepalen dat de man vanwege gemaakte kosten na de peildatum een vordering van € 6.994,13 heeft op de vrouw;

en de verrekening met inachtneming daarvan aan te passen.

4.3

De vrouw is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Deze grief ziet op de verzekeringspolis met nummer [00000] . De vrouw heeft verzocht de beschikkingen van 2 maart 2016 en 20 april 2016 te vernietigen voor zover het de verzekeringspolis met nummer [00000] betreft en in zoverre opnieuw beslissende de vrouw te veroordelen ter zake van de polis [00000] tot betaling van een bedrag van € 18,50 per maand, alsmede de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

De vrouw heeft tevens haar verzoek als volgt vermeerderd:

I. te beslissen dat de aan de man in rekening gebrachte advocaatkosten voor de diensten vanaf 11 augustus 2011 tot 6 februari 2013 voor hem verricht en die door hem zijn betaald naar redelijkheid en billijkheid niet voor rekening van de vrouw komen;

II. de man te veroordelen de helft van deze kosten aan de vrouw te betalen;

III. ter zake voorschreven de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 23.750,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Tevens verzoekt de vrouw in hoger beroep ex artikel 843a Rv de man te gelasten om binnen zeven dagen na betekening van de te dezen te wijzen beschikking aan de vrouw ter beschikking te stellen:

- de facturen van zijn advocaten ter zake de werkzaamheden in de echtscheiding tot 6 februari 2013;

- alle dagafschriften van de bankrekeningen op naam van partijen en op naam van de man tot 14 maart 2013;

op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen dat de man in gebreke blijft met de uitvoering van de te wijzen beschikking.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

4.5

Vast staat dat het in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodiek verrekenbeding tijdens het huwelijk niet is nagekomen. Tevens staat vast dat de huwelijkse voorwaarden dienen te worden afgewikkeld conform het finale verrekenbeding zoals vermeld in artikel 11 van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden.

4.6

Niet in geschil is dat als peildatum van de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding, te weten 6 februari 2013, dient te worden gehanteerd.

5 De motivering van de beslissing

De gelden verkregen onder uitsluitingsclausule

5.1

De man heeft aangevoerd dat hij voor en tijdens het huwelijk gelden onder een uitsluitingsclausule heeft verkregen van in totaal een bedrag van € 53.448,-, te specificeren als volgt:

a. a) een schenking van 28 december 1989 van f 25.000 (€ 11.344,51);

b) een erfenis van zijn vader op 29 december 1993 van f 25.272,08 (€ 11.467,97) gestort op en/of rekening van partijen bij de [a-bank] met nummer [00001] ;

c) een bedrag van f. 37.603,29 (€ 17.063,63) op een niet aangegeven datum;

d) een erfenis van zijn moeder op 16 september 1998 van f 29.910,23 (€ 13.572,67).

In zijn beroepschrift heeft de man per abuis het bedrag van f. 37.603,29 niet genoemd, maar bij de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw dat, evenals het hof, als een verschrijving heeft opgevat.

5.2

Gelet op hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd is niet in geschil dat gelden die de man van zijn ouders ontvangen heeft uit hoofde van schenking of erfenis, niet in de verrekening ingevolge de huwelijkse voorwaarden vallen. Het geschil spitst zich toe op de vraag om welk bedrag het in totaal gaat, en of de door de man ontvangen gelden ten behoeve van de (te verdelen/verrekenen pseudo-)gemeenschap zijn gebruikt of niet.

5.3

Wat de hoogte van de bedragen betreft heeft de vrouw zich beroepen op een opstelling van de hand van de broer van de man, die zij als productie 2 bij haar verweerschrift in principaal appel heeft overgelegd. Daaruit blijkt dat de bedragen, hierboven in 5.1 onder a, b en c genoemd door de vrouw worden erkend als door de man ontvangen (al dan niet door verrekening). Hierbij merkt het hof op dat het bedrag van f. 25.272,08, dat de man als erfenis van zijn vader opvoert, door de broer is onderverdeeld in een deel erfenis van vader dat bij overlijden van de moeder opeisbaar werd (f. 22.889,08) en een deel vordering op zichzelf dat door vermenging teniet ging en reeds bij de verdeling op 29 december 1993 is ontvangen (f. 2.383,00). De specificatie van notaris Postma d.d. 25 januari 2012 (bijlage bij de brief van mr. Riemersma d.d. 19 augustus 2013 aan de rechtbank) noemt het bedrag van f. 25.272,08 bij de datum 29 december 1993 als verdeling van de nalatenschap van de vader, bestaande uit een deel in de woning van de ouders en een vordering op de moeder groot genoemd bedrag. De notaris merkt daarbij op dat de bedragen kennelijk zijn uitbetaald want bij het overlijden van de moeder komen ze niet meer voor.

5.4

Het hof merkt op dat de man in zijn akte d.d. 21 oktober 2014 op blad 6 gesteld heeft dat hij op 29 december 1993 een bedrag van f. 25.272,08 heeft ontvangen als erfenis van zijn vader, door storting op de en/of-rekening van partijen bij de [a-bank] , en dat als bijlage bij die akte (alsnog overgelegd bij journaalbericht van mr. Nijenhuis van 1 juni 2017) een uitdraai van de en/of-rekening van partijen is overgelegd waarop een bijschrijving van dit bedrag per 30 december 1993 voorkomt. Ook heeft de man gesteld dat op 16 september 1998 bij de verdeling van de nalatenschap van zijn moeder een bedrag van f. 29.910,23 aan hem is uitbetaald, eveneens door storting op de en/of-rekening, maar daarvan heeft het hof geen bewijsstuk aangetroffen.

5.5

Wat het laatstgenoemd bedrag betreft is van belang vast te stellen dat de onderverdeling die de broer gemaakt heeft van het bedrag van f. 25.272,08 onjuist is gebleken (immers, dit bedrag is wel eind december 1993 uitbetaald en dus niet opgesplitst in een toen wel en een toen niet uitbetaald deel). Daarmee wordt zijn verdere specificatie bepaald onbetrouwbaar. Daartegenover staat dat de notaris in zijn brief zonder voorbehoud heeft geschreven dat aan elk van de kinderen bij de verdeling van de nalatenschap van de moeder in totaal een bedrag van f. 29.910,23 werd uitbetaald. Het hof beschouwt dit als voldoende bewijs van die betaling.

5.6

Dit brengt mee dat het hof bij de verdere beoordeling ervan zal uitgaan dat de man in totaal € 53.448,- van zijn ouders heeft ontvangen dat buiten de verrekening/verdeling van de pseudogemeenschap zou moeten blijven wanneer komt vast te staan dat dit gehele bedrag aan de pseudo-gemeenschap ten goede is gekomen.

5.7

Wat die vraag betreft overweegt het hof het volgende.

Bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden heeft de man onbetwist een groter bedrag aangebracht dan f. 25.000,-. Gelet op het betrekkelijk geringe tijdsverloop tussen de ontvangst van de schenking en het sluiten van de huwelijkse voorwaarden (ruim een jaar) is niet aannemelijk dat het ingebrachte bedrag niet mede het geschonken bedrag bevatte. Er is niets gesteld dat op het tegendeel wijst. De overige bedragen zijn tijdens het huwelijk van partijen ontvangen en moeten, bij gebreke van aanknopingspunten voor een ander oordeel, geacht worden in de pseudogemeenschap te zijn gevloeid. Ter zitting heeft de vrouw erkend dat de gelden op de gezamenlijke bankrekening van partijen zijn binnengekomen. Ook is er geen reden om aan te nemen dat de man gelden buiten de pseudogemeenschap heeft gehouden of zozeer te eigen behoeve heeft gebruikt dat die uitgaven redelijkerwijs niet ten laste van de gemeenschap zouden mogen komen. De vrouw heeft onvoldoende gesteld op deze punten. Dit brengt mee dat de genoemde bedragen alle ten goede moeten zijn gekomen aan de pseudogemeenschap en dat die daarmee dus gebaat is geweest, zodat de man voor het volledige bedrag een (nominaal) repriserecht heeft op de pseudogemeenschap. Waar de pseudogemeenschap de gelden aan besteed heeft doet voor dit oordeel niet ter zake.

5.8

Het bovenstaande brengt mee dat de grieven 1 tot en met 6 slagen en dat bij de verrekening van de pseudogemeenschap de man eerst een bedrag van € 53.448,- mag uitnemen alvorens het restant gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld. Het ligt in de rede dat dit bedrag wordt verrekend met het bedrag dat in depot bij de notaris staat als opbrengst van de voormalig echtelijke woning. Het hof zal uit praktisch oogpunt aldus beslissen.

De inboedel

5.9

De man heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de inboedel reeds verdeeld was en dat daarover geen beslissing meer behoeft te worden gegeven. De man heeft nagenoeg geen inboedelgoederen ontvangen en stelt zich daarom op het standpunt dat de vrouw hem in verband hiermee een bedrag van € 7.500,- dient te betalen.

5.10

De vrouw stelt dat de man herhaaldelijk is aangeschreven om tot een verdeling van de inboedel te komen maar dat hij niet reageerde tot nadat de vrouw uit de voormalig echtelijke woning was vertrokken en haar nieuwe woning had ingericht. De vrouw stelt dat de man niet vermeldt wat hij mist en wil hebben, zodat zij niets met zijn standpunt kan. Van schade of smartengeld is geen sprake, laat staan tot een bedrag van € 7.500,-. Uit de akte van de man van 5 november 2015 blijkt dat hij de door hem gewenste goederen wel heeft ontvangen.

5.11

Met de vrouw is het hof van oordeel dat hetgeen de man thans verzoekt niet geheel valt te rijmen met hetgeen hij in de akte van 5 november 2015 heeft gesteld, in die zin dat hij daarin in rechte heeft erkend de goederen die hij wenste te ontvangen en waar partijen het over eens waren te hebben ontvangen. In hoeverre die goederen beschadigd waren en welk schadebedrag daaraan verbonden zou moeten worden valt uit de stukken niet af te leiden, nog daargelaten de vraag of de vrouw verantwoordelijk zou zijn voor het ontstaan van die eventuele schade. Evenmin heeft de man duidelijk gemaakt welke goederen hij thans nog toegedeeld zou willen krijgen. Het hof ziet daarom geen reden om anders te oordelen dan de rechtbank gedaan heeft. Grief 7 faalt.

De kosten die de man na de peildatum heeft gemaakt

5.12

De man heeft aangevoerd dat de vrouw hem op grond van artikel 827 lid 1 sub f Rv een bedrag van € 6.994,13 dient te vergoeden in verband met de kosten die hij na de peildatum heeft voldaan. Hij verwijst naar het door hem opgestelde overzicht.

5.13

De vrouw betwist deze vordering. De man heeft op de door hem overgelegde lijst met bedragen geen toelichting gegeven en heeft geen bewijsstukken bijgevoegd.

5.14

Het hof stelt vast dat artikel 827 Rv geen grondslag creëert voor een verzoek als het onderhavige, maar alleen een procedurele ingang zou kunnen inhouden. Wat er van een eventuele grondslag ook zij, de man heeft in het licht van de betwisting van de vrouw onvoldoende gesteld ten aanzien van dit verzoek en dit onvoldoende onderbouwd. Grief 8 faalt.

De verzekeringspolis met nummer [00000]

5.15

Ter zitting zijn partijen op dit punt tot overeenstemming gekomen. Zij hebben afgesproken dat de vrouw eenmalig een bedrag van € 1.750,- aan de man zal voldoen, waartegenover haar verplichting om tot mei 2025 maandelijks een bedrag aan hem te voldoen komt te vervallen. Nu dit bedrag gebaseerd is op hetgeen het hof partijen ter zitting heeft voorgerekend, en daarbij werd uitgegaan van een periode van acht jaren gedurende welke in de toekomst nog betaald zou moeten worden, vat het hof deze overeenstemming aldus op dat betalingen die ter zake tot aan de zitting waren verricht niet in dit bedrag begrepen zijn en dus daarmee dus niet dienen te worden verrekend.

5.16

Het hof zal de grief van de vrouw ten aanzien van deze polis aldus gewijzigd lezen, nu partijen het eens geworden zijn. Aldus gelezen is de grief gegrond.

De advocaatkosten

5.17

De vrouw heeft aangevoerd dat de aan de man in rekening gebrachte advocaatkosten vanaf 11 augustus 2011, voor de diensten tot 6 februari 2013 voor hem verricht en die door hem zijn betaald, naar redelijkheid en billijkheid niet voor haar rekening komen.

5.18

De man heeft daar tegenin gebracht dat er gedurende die periode geen sprake was van een (pseudo-)gemeenschap en dat hij deze kosten uit eigen inkomsten betaald heeft. Bij een andersluidend oordeel zouden de volledige bankgegevens van beide partijen ter tafel moeten komen en - zo begrijpt het hof - per uitgave moeten worden beoordeeld te wiens laste die behoort te komen.

5.19

Het hof stelt vast dat de vrouw heeft gesteld (verweerschrift in hoger beroep, pg. 2) dat de door de man tot aan 6 februari 2013 verrichte betalingen inzake advocaatkosten uit zijn eigen inkomsten zijn gedaan. Dat zo zijnde zijn die kosten al voor rekening van de man gekomen. Dat per peildatum 6 februari 2013 tussen partijen moet worden afgerekend als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd maakt dat niet anders. Indien op de peildatum advocatennota's openstonden komen die, gelet op de bepaling in de huwelijkse voorwaarden, ten laste van de (pseudo-)gemeenschap. De redelijkheid en billijkheid nopen er niet toe anders te oordelen. Het (vermeerderde) verzoek zal worden afgewezen.

5.20

Het bovenstaande brengt mee dat de vrouw geen belang heeft bij behandeling van haar incidentele verzoek ex art. 843a Rv., dat immers gericht is op het cijfermatig kunnen onderbouwen van haar verzoek betreffende de advocaatkosten. Dit verzoek zal daarom eveneens worden afgewezen.

De vordering van de man op de vrouw in verband met de voormalige echtelijke woning

5.21

De vrouw vordert een bedrag van € 23.750,- van de man, nu de man haar heeft benadeeld door zijn afspraak om de voormalige echtelijke woning voor een bedrag van € 421.500 over te nemen niet na te komen. De woning is uiteindelijk verkocht voor
€ 374.000,-, derhalve een verschil van € 47.500,-.

5.22

De man stelt dat de e-mail van 27 januari 2012, die de vrouw ter onderbouwing van haar stelling overlegt, achterhaald is door nadere ontwikkelingen, voor zover die e-mail al een overeenkomst tussen partijen weergaf. Hij wijst er op dat in de beschikking van de rechtbank van 18 december 2013 staat dat de vrouw er geen bezwaar tegen heeft dat de man de woning tegen getaxeerde waarde overneemt mits zij uit de hoofdelijkheid van de hypothecaire schuld wordt ontslagen. Daaruit blijkt dat de e-mail van de makelaar van 27 januari 2012 achterhaald was. De vrouw heeft ingestemd met de verkoop van de woning en met het bedrag waarvoor die is verkocht.

5.23

Het hof constateert dat de man zich in zijn verweerschrift in eerste aanleg al op het standpunt heeft gesteld dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde per peildatum 6 februari 2013 wilde overnemen. Bij beschikking van 18 december 2013 heeft de rechtbank vastgesteld dat partijen geen overeenstemming hadden over de vraag voor welke waarde de woning in de verdeling diende te worden betrokken en dat deze dus diende te worden getaxeerd. In haar daarop genomen akte heeft de vrouw laten weten dat de woning aan een derde was verkocht en dat de (netto) opbrengst bij helfte verdeeld zou worden. In zijn akte van 21 oktober 2014 heeft de man dat bevestigd.

5.24

De vrouw heeft dus gedurende de rechtbankprocedure nergens laten blijken dat zij het er niet mee eens was dat de man de woning niet voor de in januari 2012 besproken prijs overnam (waarbij het hof in het midden laat of daarbij van voldoende overeenstemming op essentialia sprake was). Kennelijk hebben partijen die overname eerst wel beoogd maar zijn zij daar later van afgestapt; dat komt vaak voor in de aanloop naar een scheiding, maar het gaat niet aan om dan - zeker gegeven de bovengeschetste gang van zaken - na een aantal jaren alsnog op het eerste uitgangspunt terug te vallen en daar een vordering op te baseren. De redelijkheid en billijkheid die gewezen echtelieden jegens elkaar in acht hebben te nemen staan daaraan in de weg. Het (vermeerderde) verzoek zal worden afgewezen.

De proceskostenveroordeling

5.25

Voor een veroordeling van de man in de kosten van de procedure, zoals door de vrouw verzocht, ziet het hof geen aanleiding. Deze kosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd op de wijze als in het dictum van deze beschikking op te nemen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient de beschikking waarvan beroep ten dele te worden vernietigd. De toedelingen zoals weergegeven in de overwegingen 2.4 en 2.5 van de beschikking van 20 april 2016 kunnen in stand blijven, maar de te verrekenen bedragen worden gewijzigd als gevolg van de afspraak die partijen hebben gemaakt over polisnummer [00000] . Het door de man aan de vrouw te betalen bedrag wordt met € 1.750,- verminderd en de maandelijkse betalingsverplichting van de vrouw aan de man komt met ingang van de zittingsdatum van het hof, 7 juni 2017, te vervallen.

6.2

Daarnaast zal het hof bepalen hoe het bij de notaris gedeponeerde bedrag dient te worden verdeeld, aldus dat daarmee het niet te verrekenen bedrag dat aan de man toekomt wordt verrekend.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikkingen waarvan beroep, voor zover daarin is beslist dat een bedrag van € 53.448,- niet ten gunste van de man buiten de verrekening blijft;

vernietigt die beschikkingen eveneens voor zover de man daarin is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 19.977,57 aan de vrouw en de vrouw tot betaling van een bedrag van € 34,- per maand vanaf 7 juni 2017 tot mei 2025 aan de man;

en (in zoverre opnieuw) beschikkende:

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 18.227,57;

bepaalt dat de opbrengst van de voormalig echtelijke woning van partijen, die thans in depot staat bij een notaris, aldus wordt verdeeld dat eerst aan de man toekomt een bedrag van € 53.448,-, waarna het resterende bedrag gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld;

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af, waaronder het incidenteel verzoek ex artikel 843a Rv.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Jonkman, J.D.S.L. Bosch en J.G. Knot, bijgestaan door de griffier, en is op 28 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.