Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8499

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
200.219.018
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Niet langer voldaan aan wettelijk criterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.219.018

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 435028)

beschikking van 28 september 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.E. Toet te Utrecht,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats belanghebbende 1] ,

verder te noemen: de vader,

en

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 8 mei 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 juni 2017;

- een brief van 24 juli 2017 van de raad met daarin de mededeling dat ter mondelinge behandeling verweer zal worden gevoerd.

2.2

Op 28 augustus 2017 is [kind 2] verschenen, die buiten aanwezigheid van de ouders door het hof is gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 31 augustus 2017 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker raad] verschenen. Namens de GI zijn verschenen [medewerker GI 1] en [medewerker GI 2] . Tevens is de vader is verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en de moeder zijn geboren op [geboortedatum kind 1] te [geboorteplaats 1] [kind 1] en op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] [kind 2] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2] .

[kind 1] woont bij de vader en diens partner en haar twee zonen. [kind 2] woont bij de moeder en diens partner en hun zoon.

3.2

Op 7 maart 2017 heeft de raad rapport uitgebracht

3.3

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter, voor zover thans van belang, [kind 2] onder toezicht gesteld voor de termijn van een jaar.

4 De omvang van het geschil

De moeder is met een grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 mei 2017 waar het de ondertoezichtstelling van [kind 2] betreft. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt - uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen en bij beschikking het inleidend verzoek van de raad alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, BW van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat in geval van [kind 2] aan de voormelde criteria is voldaan. Er is volgens de kinderrechter gebleken dat er zorgen zijn over de opvoedsituatie van [kind 1] en [kind 2] omdat zij opgroeien bij ouders die al jarenlang met elkaar in conflict zijn. [kind 2] heeft geen contact meer met haar vader en er is weinig contact tussen [kind 1] en haar moeder. Hierdoor zien de zussen elkaar ook niet meer zo vaak. Hun onderlinge relatie is ernstig verstoord, evenals de relatie met (één van) hun ouders. De slepende conflicten tussen de ouders zorgen voor stress en onzekerheid en vormen hierdoor een risico voor hun cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Een ondertoezichtstelling is nodig, zodat er een neutrale derde komt die opkomt voor de belangen van de kinderen. Hulpverlening binnen het vrijwillig kader is ontoereikend gebleken.

5.3

De moeder kan zich niet vinden in de beoordeling van de kinderrechter. Zij wijst erop dat geen sprake is van een onveilige opvoedsituatie van [kind 2] . [kind 2] is een meisje dat stevig in haar schoenen staat en weet wat ze wil. Als ze hulp nodig heeft, zal ze die hulp, zo nodig met de moeder, zoeken. Vorig schooljaar had ze regelmatig gesprekken met haar mentor en ook dit jaar kan ze naar haar mentor als dit nodig is. Sinds oktober 2016 heeft [kind 2] weer contact met haar zus. Af en toe bezoekt ze haar zus thuis, zodat ze dan ook contact heeft met haar vader. Er ligt geen druk op de contacten en [kind 2] vindt het prettig zoals het contact met haar zus en vader nu loopt. Ondanks de strijd tussen de ouders gaat het goed met [kind 2] op school en thuis. Ze doet aan sport en heeft vriendinnen. Zowel [kind 2] als de moeder hebben in eerste aanleg een schriftelijk stuk ingediend waarin zij verklaren geen ondertoezichtstelling te willen. De kinderrechter heeft daar volgens de moeder geen rekening mee gehouden. Volgens de moeder is er gelet op alle genoemde omstandigheden onvoldoende grond voor een ondertoezichtstelling.

5.4

De raad heeft ter zitting van het hof mondeling verweer gevoerd en zijn standpunt dat de ondertoezichtstelling van [kind 2] noodzakelijk is gehandhaafd. De raad voert aan dat [kind 2] en haar zus [kind 1] klem zitten en dat ze ze allebei voor een ouder hebben gekozen. Dit gezinssysteem kenmerkt zich door veel strijd, waarbij er zichtbare en onzichtbare spanning is voor de kinderen. Dit blijkt ook uit de verslagen. De raad ziet nog steeds een ontwikkelingsbedreiging; niet op cognitief en sociaal vlak, maar wel op emotioneel gebied, gelet op de opvoedomgeving waarin de kinderen verkeren. Het is goed voor de ontwikkeling van [kind 2] dat er inmiddels weer contact is met de vader. De huidige situatie is nog heel pril zodat de ondertoezichtstelling, ondanks dat de gezinsvoogd nog niets heeft opgestart, moet blijven. Het is van groot belang om een beeld te krijgen van de kinderen in dit gezin en zo nodig hulpverlening in te schakelen.

5.5

Het hof overweegt dat ondertoezichtstelling van een minderjarige een ingrijpende (gezag beperkende) maatregel is die een inmenging van de overheid in het gezinsleven van ouder en het kind betekent. Die maatregel is daarom slechts gerechtvaardigd indien deze berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. Het ingrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt voorts mee dat er sprake dient te zijn van een ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van een kind. Uit het woord 'ernstige' volgt dat deze bedreiging voldoende concreet dient te zijn en tevens van voldoende gewicht. Uit de wet volgt de eis dat een dergelijke inmenging slechts is toegestaan indien minder verstrekkende maatregelen niet toereikend worden geacht om de ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige af te wenden.

5.6

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof in dit geval van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking aan het wettelijk criterium voor ondertoezichtstelling van [kind 2] was voldaan. Ter zitting is inmiddels gebleken dat het goed gaat met [kind 2] en dat zij sinds oktober 2016 weer contact heeft met haar zus en er ook weer (voorzichtig) contact is met de vader. Met de raad heeft het hof zorgen over de opvoedomgeving en het opvoedsysteem waarin [kind 2] zich bevindt, maar thans kan niet gesproken kan worden van een voldoende concrete ontwikkelingsbedreiging van [kind 2] .

Gebleken is dat de situatie tussen de ouders, die elkaar diskwalificeren en onvoldoende respecteren, de grootste bedreiging vormt voor de ontwikkeling van [kind 2] . [kind 2] lijkt te hebben geleerd zich tot deze situatie te verhouden en heeft hulp gezocht via de mentor van school. Na een periode van het voeren van wekelijkse gesprekken met de mentor is die frequentie er nu niet meer, omdat het volgens de moeder en [kind 2] niet nodig is. In de door de moeder overgelegde verklaring van de mentor en hetgeen [kind 2] daaromtrent zelf heeft verklaard, ziet het hof bevestiging van een en ander. Het hof heeft ter zitting een bewogen en gemotiveerde moeder gezien die veel van [kind 2] houdt en het beste met haar voor heeft. De moeder lijkt zich volledig voor [kind 2] in te zetten en heeft voorts verklaard dat zij bereid is in het vrijwillige kader de hulp te aanvaarden die nodig is. Dat het wenselijk zou zijn om een vinger aan de pols te houden zoals de raad ook heeft aangegeven, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de maatregel in stand te laten. Het hof heeft bovendien de vrees dat, gelet op het opvoedsysteem waartoe [kind 2] zich dient te verhouden, de ondertoezichtstelling averechts zal werken. Voor [kind 2] is belangrijk, zoals zij ook zelf aangeeft, dat zij rust ervaart. Die rust lijkt er thans te zijn in het contact met haar zus en haar vader. Het is aan de ouders om de verantwoordelijkheid over [kind 2] zelfstandig te dragen, waarin de moeder als hoofdverzorger als eerste aangewezen is om zelfstandig hulp in het vrijwillige kader te zoeken en te aanvaarden indien de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Het spreekt daarbij voor zich dat indien de positieve ontwikkelingen (toch) niet zodanig bestendig blijken te zijn dat de bedreigingen in de ontwikkeling van [kind 2] (in het vrijwillige kader) kunnen worden afgewend, opnieuw een onderzoek naar de noodzaak van een beschermingsmaatregel aan de orde kan zijn.

5.7

Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het hof de ondertoezichtstelling van [kind 2] met ingang van heden beëindigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van

8 mei 2017 voor zover deze zich uitstrekt over de periode tot heden en voor zover deze betrekking heeft op [kind 2] ;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 8 mei 2017 met ingang van de datum van deze beschikking voor zover deze betrekking heeft op [kind 2] en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de raad tot de ondertoezichtstelling van [kind 2] af voor zover dat verzoek betrekking heeft op de periode vanaf heden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.H. Schulten, T. ter Brugge en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 28 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.