Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8438

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
200.188.214/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot schadevergoeding jegens advocaat wegens het ontbreken van causaal verband tussen de gestelde tekortkoming en de gestelde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.188.214/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/147641 / HA ZA 14-108)

arrest van 29 augustus 2017

in de zaak van

Klopstra c.s. Advocaten Stadskanaal B.V.,

gevestigd te Stadskanaal,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Klopstra,

advocaat: mr. M.L.S.W.E. de Lange, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. R. Kuizenga, kantoorhoudend te Almere.

1 Het verdere verloop van het geding hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 14 maart 2017 hier over.

1.2

Op 11 mei 2017 heeft er een meervoudige comparitie van partijen plaatsgevonden. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op de reeds overgelegde stukken aangevuld met het proces-verbaal van de zitting.

1.3

Klopstra vordert in het hoger beroep

“bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het tussenvonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

I. de vorderingen van [geïntimeerde1] alsnog af te wijzen;

II. [geïntimeerde1] te veroordelen in de kosten van beide instanties”.

2. De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten, zoals de rechtbank die in haar vonnis van 28 oktober 2015 heeft vastgesteld, nu tegen die vaststelling niet is gegriefd en ook overigens niet van bezwaren daartegen is gebleken. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder als onweersproken vast staat, gaat het om het volgende:

2.2

[geïntimeerden] c.s. en de vennootschap naar Duits recht Hans Kruse & Wemer Wessing

Bau GmbH, gevestigd te Papenburg, Duitsland (hierna: Kruse), hebben op 19 april 2008 een

overeenkomst tot aanneming van werk gesloten betreffende de bouw door Kruse van een

woning aan de [a-straat] 1 te [A] . De aanneemsom bedroeg € 271.210,00.

Gedurende de bouw is er tussen [geïntimeerden] c.s. en Kruse verschil van inzicht ontstaan omtrent

de kwaliteit van het verrichte werk.

2.3

Houwing-Hagedoorn Makelaars Taxateurs en Experts te Winschoten (hierna:

Hagedoorn) heeft de woning op 9 februari 2009 geïnspecteerd en op 20 februari 2009 een

voor partijen bindend bouwkundig inspectierapport uitgebracht. De conclusie luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“De woning maakt een kwalitatief goede indruk voor wat het casco betreft. De

afwerking laat veel te wensen over. (...) Het grootste deel van de werkzaamheden

zal voor rekening van de aannemer zijn. (...)”

2.4

[geïntimeerden] c.s. hebben begin maart 2009 met Klopstra een overeenkomst van opdracht gesloten ter zake van een geschil met Kruse met betrekking tot de in 2.2 vermelde

overeenkomst.

2.5

Mr. H.G.B. van der Wal (hierna: mr. Van der Wal), advocaat-medewerker bij Klopstra en advocaat van [geïntimeerden] c.s., heeft bij brief d.d. 11 maart 2009 aan mr. A. Slijm, advocaat van Kruse, onder meer het volgende geschreven:

“(...) Houwing-Hagedoorn heeft na uitvoerige bouwkundige inspectie geconcludeerd dat de

door [Kruse] (...) verrichte werkzaamheden (...), van een zeer matige kwaliteit zijn en

dat [Kruse] dan ook in ernstige mate tekort is geschoten in de nakoming van haar

verplichtingen uit de overeenkomst. (...)

[Kruse] is dan ook rechtsgeldig in verzuim geraakt, hetgeen

betekent dat zij aansprakelijk is voor alle schade (...)"

2.6

[geïntimeerde1] heeft bij e-mail d.d. 25 maart 2009 het navolgende – voor zover van belang – aan mr. Van der Wal geschreven:

“(…) Waar het denk ik op uit zal draaien is, dat we het huis in willen zo snel als mogelijk en we met een heleboel mensen de grootste problemen gaan verhelpen en de rest als we er in wonen. We zullen veel uren maken (geen rekening), die K&W niet zal willen vergoeden.

(…)

Het liefst reken ik per direct met K&W af wat we nog van hun moeten krijgen en gaan onze eigen weg om het huis klaar te maken.

(…)”

2.7

Mr. Slijm heeft mr. Van der Wal bij brief d.d. 25 maart 2009 onder meer het

volgende bericht:

“(...) [Kruse] zal de bouw graag tot een goed einde brengen en afwerken. Echter,

vooraf stelt hij de volgende voorwaarden: [Kruse] krijgt (...) de sleutel van het object

terug; De uitstaande vorderingen, (...) €64.910,47, worden door [ [geïntimeerden] c.s.] op

mijn derdenrekening betaald. (...)”

2.8

Mr. Van der Wal heeft in een gespreksnotitie d.d. 1 april 2009 van een bespreking

met [geïntimeerden] c.s. en diens vader onder meer het volgende genoteerd:

“[ [geïntimeerden] c.s.] hebben geen vertrouwen meer in [Kruse] (niet vakbekwaam). (...) Gelet

op de door [Kruse] ingenomen stellingen heeft voortzetting v/d samenwerking /

ovk geen zin / behoort niet tot de mogelijkheden. (...) Ontbinding

(buitengerecht.) is geëigend. (...)”

2.9

KBS Kalkulatieburo Sneek B.V. te Sneek (hierna: KBS) heeft op 28 april 2009, in

opdracht van [geïntimeerden] c.s., een kostenraming gemaakt ten behoeve van

herstelwerkzaamheden. De herstelkosten zijn begroot op € 70.834,15 exclusief BTW.

2.10

Mr. Van der Wal heeft mr. Slijm bij brief d.d. 20 mei 2009 onder meer het

volgende geschreven:

“(...) Namens [ [geïntimeerden] c.s.] heb ik [Kruse] middels schrijven d.d. 11 maart 2009

verzocht (...) om binnen veertien dagen een expliciete verklaring af te leggen dat zij

(...) toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen (...).

Voorts heb ik [Kruse] gesommeerd om binnen dezelfde termijn haar verplichtingen

(...) alsnog na te komen door de benodigde (herstel)werkzaamheden, zoals

weergegeven in de expertiserapportage van de heer Hagedoom, te (laten) verrichten, (...).

Tot op heden blijft [Kruse] hiermee in gebreke. [Kruse] is dan ook al geruime tijd in

verzuim geraakt. (...) Onder de gegeven omstandigheden behoeft [ [geïntimeerden] c.s.]

niet [Kruse] alsnog de gelegenheid te geven om de benodigde (herstel)werkzaamheden te (laten) verrichten. (...)

Gezien het voorgaande is de (...)overeenkomst hierbij buitengerechtelijk (partieel) ontbonden, voor zover nodig. (...)"

2.11

In juli 2009 heeft mr. J. Klopstra (hierna: mr. Klopstra) de behandeling van de zaak overgenomen van mr. Van der Wal, in verband met diens vertrek bij Klopstra. In september 2009 heeft er een eerste gesprek plaatsgevonden tussen mr. Klopstra en [geïntimeerde1] , waarbij ook de vader van [geïntimeerde1] aanwezig was. Hierna is [geïntimeerden] c.s. op 19 oktober 2009 door Kruse in rechte betrokken.

2.12

Mr. Klopstra heeft [geïntimeerden] c.s. bij e-mail d.d. 29 december 2010 onder meer het

volgende geschreven:

“Als u de [Kruse] niet de gelegenheid biedt schade zoals door u gesteld op te nemen en eventueel te herstellen (...) zult u op dit punt door de rechter in het ongelijk worden gesteld. Mijn advies is: maak een afspraak, laat ze komen kijken en heb zelf ook een deskundige bij u over de klachten die u heeft. Laat een plan van aanpak op papier zetten door K&W om de gebreken te herstellen. Deze kunt u dan door uw deskundige laten toetsen. Probeer dat objectief te doen. Ik ben geen bouwdeskundige. Ik kan u dus over technische aspecten niet adviseren. Houdt u echter goed in de gaten dat een rechter niet uw wensen inzake kwaliteit van aflevering zal honoreren maar objectief zal kijken of aan de tussen u gesloten overeenkomst in alle redelijkheid is voldaan. U vindt duidelijk van niet, gesteund hierin door uw (deskundige) vader.

(...)

Mijn advies is dus K&W de gelegenheid te bieden als hiervoor in mijn eerste alinea is verwoord.”

2.13

In de zaak tussen Kruse en [geïntimeerden] c.s. is ten nadele van [geïntimeerden] c.s. beslist bij

vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 11 januari 2012.

2.14

Mr. Klopstra heeft [geïntimeerden] c.s. bij e-mail van 26 januari 2012 onder meer het

volgende geschreven:

“(…)

Ik hoef het dossier niet nogmaals door te nemen om u uw juridische positie uiteen te kunnen zetten, mijn advies zoals ik dit in mijn laatste gesprek aan u kenbaar maakte en zoals ik dit ook recentelijk aan u schreef laat volgens mij aan duidelijkheid niets te wensen over. Ik verwijs daar dan ook naar.

Pak de overeenkomst met Kruse Bau (DUS NIET DIE MET DE HEER [B] !!!!!!). Daar staat in wat u bent overeengekomen, naar welke stukken daarvoor wordt verwezen en wat het kost. Kijk vervolgens wat aan u geleverd is.

Daar waar het afwijkt van de overeenkomst met Kruse moet u zich vervolgens de vraag stellen of dit in uw opdracht (ia u zelf of via uw vader) is geschiedt. Zo ja, dan betaalt u dat extra. Zo nee, zult u moeten stennen EN bewijzen (dit laatste doet u tot dusver maar steeds niet, u stelt alleen maar) dat de betreffende afwijking een tekortkoming is en zult u moeten stellen EN BEWIJZEN welke schade u daardoor lijdt (dus NIET wat het kost om het te vervangen!). Vervolgens kijkt u of ook anderszins meerwerk of wijzigingen zijn doorgevoerd. Deze behoort u te betalen.

(...)

lk wil met het grootste genoegen hoger beroep instellen, maar u loopt een zeer

reëel risico van extra kostenveroordelingen omdat u de procedure met het huidige

dossier weer zult verliezen, althans naar mijn inschatting.

(...)”

2.15

Bij brief d.d. 17 februari 2012 heeft mr. Klopstra de zaak overgedragen aan

mr. R. Kuizenga, advocaat te Almere.

2.16

Bij arrest van 10 december 2013 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

[geïntimeerden] c.s. veroordeeld tot betaling van € 79.958,13 aan Kruse. Voorts heeft het hof

Kruse ten gevolge van schuldeisersverzuim van [geïntimeerden] c.s. bevrijd van de verplichtingen uit de overeenkomst. In rechtsoverweging 7.7 is onder meer overwogen:

“(...) [geïntimeerden] c.s. hebben Kruse door de inname van de sleutels niet in de

gelegenheid gesteld het werk af te maken en voor oplevering aan te bieden. Het hof

is van oordeel dat, gezien het feit dat de woning op 9 februari 2009 nagenoeg

gereed was, de opname door Hagedoorn (...) gelijk mocht worden gesteld aan een

opname die plaatsvindt ten behoeve van de oplevering van een woning. (...)”

In rechtsoverweging 7.9 is onder meer overwogen:

“(...) Nu [geïntimeerden] c.s. niet tot betaling van de openstaande facturen zijn overgegaan

en bovendien weigerden Kruse de sleutel ter beschikking te stellen, waardoor zij zelf

op dat moment in verzuim verkeerden (…), is er dan ook geen sprake van dat Kruse als

gevolg van de brief van [geïntimeerden] c.s. van 19 maart 2009 (...) in verzuim is geraakt (…).

Kruse was gerechtigd de nakoming van haar verplichtingen op te schorten en

[geïntimeerden] c.s. waren dan ook niet gerechtigd om op 20 mei 2009 buitengerechtelijk

de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst in te roepen.”

In rechtsoverweging 7.23 is onder meer overwogen:

“Het hof is met Kruse van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. in schuldeisersverzuim zijn komen te

verkeren, nu zij de nakoming van de verbintenis door Kruse hebben verhinderd door

de sleutels in te nemen en niet mee te werken aan de uitvoering van het rapport van

Hagedoorn zoals Kruse dat bij brief van 25 maart 2009 had aangeboden. (...)”

2.17

Mr. Boendermaker, de toenmalige advocaat van [geïntimeerden] c.s., heeft mr. Klopstra bij brief van 24 januari 2014 onder meer het volgende geschreven:

“(...) Cliënten stellen uw kantoor (...) aansprakelijk voor de door hen geleden en nog te lijden schade (...).

Kruse heeft werk geleverd dat niet in overeenstemming is met de eisen van goed en deugdelijk werk, maar door de handelwijze van

mr. Van der Wal is de beoogde ontbinding rechtens niet gerealiseerd, (...). Op het

moment dat de toenmalige raadsman van Kruse herstel onder voorwaarden aanbood, had

mr. Van der Wal [ [geïntimeerden] c.s.] moeten adviseren hiermee in te stemmen, althans hen

moeten adviseren over de risico 's die aan afwijzing van dit aanbod kleefden. Geen

van beide heeft plaatsgevonden. (...)”

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerden] c.s. hebben in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat Klopstra toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht en veroordeling gevorderd van Klopstra tot het betalen van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede Klopstra te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de schade van € 100.000,-, met veroordeling van Klopstra in de kosten van de procedure. [geïntimeerden] c.s. hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat mr. Van der Wal heeft verzuimd hen te wijzen op de risico’s verbonden aan het niet accepteren van het aanbod van Kruse.

3.2

Het verweer van Klopstra tegen de vordering van [geïntimeerden] c.s. komt er op neer dat er niet tijdig is geklaagd, dat van een toerekenbaar tekort schieten geen sprake is omdat zij [geïntimeerden] c.s. wel degelijk heeft gewezen op de risico’s van het niet aanvaarden van het aanbod van Kruse, dat het causaal verband tussen de gestelde tekortkoming en de schade die [geïntimeerden] c.s. dientengevolge stellen te hebben geleden ontbreekt en dat er sprake is van eigen schuld van [geïntimeerden] c.s. Voorts heeft Klopstra de omvang van de schade betwist.

3.3

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 28 oktober 2015 geoordeeld dat er binnen bekwame tijd is geklaagd door [geïntimeerden] c.s. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld “Het beroep van Klopstra op advisering die afweek van de verzonden correspondentie doordat [geïntimeerden] c.s. daartoe opdracht gaven, betreft een ‘bevrijdend verweer’ waarvan, gelet op art. 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Klopstra het bewijs draagt” en aan Klopstra bewijs opgedragen van kort gezegd haar stelling dat zij [geïntimeerden] c.s. heeft gewezen op de risico’s van het verwerpen van het aanbod van Kruse. Bij tussenvonnis van 13 januari 2016 heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep opengesteld van het tussenvonnis van 28 oktober 2015.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

De onderhavige zaak draait om de vraag of Klopstra tekort is geschoten in haar uit de overeenkomst van opdracht met [geïntimeerden] c.s. voortvloeiende verbintenis om de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. [geïntimeerden] c.s. stellen dat zulks het geval is. Ter onderbouwing hiervan stellen [geïntimeerden] c.s. dat Klopstra hun had moeten adviseren in te stemmen met het aanbod van Kruse, althans hun had moeten wijzen op de gevolgen van het afwijzen van dat aanbod van Kruse. Het verweer van Klopstra komt er op neer dat zij [geïntimeerden] c.s. wel degelijk heeft gewezen op de risico’s en heeft geadviseerd het aanbod van Kruse te accepteren.

4.2

In de memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] c.s. – alvorens in te gaan op de grieven van Klopstra tegen het tussenvonnis – nader uiteengezet dat Klopstra geen belang heeft bij het hoger beroep en derhalve niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Onder verwijzing naar het tussenvonnis van 13 januari 2016 hebben [geïntimeerden] c.s. aangevoerd dat ook als het hof tot het oordeel zou komen dat geen sprake is van een bevrijdend verweer op Klopstra nog steeds de bewijslast rust van haar stelling dat zij [geïntimeerden] c.s. heeft gewezen op de risico’s van het niet accepteren van het aanbod van Kruse. In het tussenvonnis van 13 januari 2016 heeft de rechtbank immers overwogen dat “indien deze kwalificatie (hof: bevrijdend verweer) niet passend was, de rechtbank toch in ieder geval zou hebben uitgesproken dat de inhoud van de correspondentie het vermoeden van een beroepsfout rechtvaardigt waarna Klopstra tegenbewijs zou kunnen leveren”, aldus [geïntimeerden] c.s.

4.3

Wat er verder ook zij van de door [geïntimeerden] c.s. aangehaalde overweging van de rechtbank in het tussenvonnis van 13 januari 2016, [geïntimeerden] c.s. verliezen met hun stelling uit het oog dat het voor de bewijspositie van Klopstra wel degelijk verschil maakt of er sprake is een bevrijdend verweer of van een voorshands aannemelijk geachte stelling van [geïntimeerden] c.s. waartegen Klopstra tegenbewijs kan leveren. In het eerste geval draagt Klopstra de bewijslast en daarmee ook het bewijsrisico van haar stelling dat zij [geïntimeerden] c.s. op de risico’s verbonden aan het afwijzen van het aanbod van Kruse heeft gewezen. In het tweede geval rust de bewijslast en daarmee het bewijsrisico op [geïntimeerden] c.s. en kan Klopstra volstaan met het leveren van tegenbewijs. Daarvoor is voldoende dat er zoveel twijfel wordt gezaaid dat het vermoeden van het bestaan van de gestelde tekortkoming wordt ontkracht. Indien Klopstra hierin slaagt dienen [geïntimeerden] c.s. alsnog hun stelling dat tekort is geschoten te bewijzen. Gelet hierop maakt het voor Klopstra wel degelijk uit in welk kader haar stelling dat zij [geïntimeerden] c.s. heeft gewezen op de risico’s wordt geplaatst. Daarbij geldt voorts dat ingeval het hof het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de kwalificatie van het verweer van Klopstra vernietigt, het hof opnieuw dient te oordelen over de bewijslastverdeling en daarmee ook over de vraag of er sprake is van een voorshands aannemelijk geachte stelling van [geïntimeerden] c.s.

4.4

[geïntimeerden] c.s. betogen voorts nog dat Klopstra in haar beroep niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat – naar het hof begrijpt – door haar geen (uitdrukkelijk) hoger beroep is ingesteld tegen het tussenvonnis van 13 januari 2016 en dat tussenvonnis beslissende overwegingen bevat ten aanzien van de bewijslastverdeling tussen partijen. Het hof verwerpt dit betoog. Het desbetreffende tussenvonnis houdt uitsluitend beslissingen in van de rechtbank op de verzoeken van Klopstra aan de rechtbank in haar akte van 2 december 2015 om (primair) terug te komen op haar beslissingen ten aanzien van de – kort gezegd – bewijslastverdeling en om (subsidiair) haar verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep te kunnen instellen. De rechtbank wijst in haar vonnis van 13 januari 2016 het eerste verzoek van Klopstra uitdrukkelijk af. Het gaat hier om een beslissing die aldus voortbouwt op de beslissingen van de rechtbank in haar vonnis van 28 oktober 2015 waartegen Klopstra wel uitdrukkelijk hoger beroep heeft ingesteld. Het hof verwerpt het beroep van [geïntimeerden] c.s. op het ontbreken van belang aan de zijde van Klopstra en het beroep op niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

4.5

Klopstra komt met drie grieven op tegen het tussenvonnis van 28 oktober 2015 van de rechtbank. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het verweer van Klopstra als een bevrijdend verweer moet worden gekwalificeerd zodat de bewijslast van de aan dit verweer ten grondslag rustende stelling op Klopstra rust. Grief 2 is gericht tegen het oordeel dat het tekortschieten van Klopstra als voorshands vaststaand is aan te merken. Deze grief valt uiteen in een drietal subgrieven, gericht op: (a) het gestelde tekortschieten van Klopstra, (b) het causaal verband tussen de gestelde tekortkoming en de gestelde schade en (c) de omvang van de gestelde schade. Tenslotte komt Klopstra met grief 3 op tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de eigen schuld van [geïntimeerden] c.s.

4.6

[geïntimeerden] c.s. hebben aangevoerd dat Klopstra in de onderhavige hoger beroepsprocedure slechts kunnen opkomen tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewijslastverdeling. Het voorleggen van het gehele geschil aan het hof is in strijd met de goede procesorde. In appel kan slechts de inhoud van het tussenvonnis van 28 oktober 2015 aan de orde zijn, aldus [geïntimeerden] c.s.

4.7

Het hof wijst op artikel 356 Rv. Op grond van dit artikel kan het hof in geval van vernietiging van een tussenvonnis de zaak aan zich houden. Van strijd met de goede procesorde door het voorleggen van het gehele geschil aan het hof is dan ook geen sprake.

4.8

Het hof ziet aanleiding eerst subgrief b van grief 2 te behandelen.

4.9

[geïntimeerden] c.s. vordert schadevergoeding van Klopstra wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming. Voor het kunnen toewijzen van een dergelijke vordering dient niet alleen vast komen te staan dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming maar ook dat er tussen de gestelde tekortkoming en de gestelde schade een causaal verband (in de zin van condicio sine qua non verband) bestaat. Bij het ontbreken van dit causaal verband is voor het toewijzen van schadevergoeding geen plaats. Ter beoordeling van het causaal verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de tekortkoming en de hypothetische situatie zoals die geweest zou zijn als de tekortkoming er niet was geweest. De stelplicht en bewijslast van het causaal verband rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op [geïntimeerden] c.s.

4.10

Ter onderbouwing van het causaal verband is door [geïntimeerden] c.s. aangevoerd dat indien zij juist waren geadviseerd en waren geïnformeerd over de consequenties van het niet toelaten van Kruse, zij het aanbod van Kruse zouden hebben geaccepteerd en de overeenkomst niet zouden hebben ontbonden. Klopstra heeft hiertegen verweer gevoerd. Het verweer van Klopstra komt er op neer dat ook in de situatie dat mr. Van der Wal [geïntimeerden] c.s. juist zou hebben geadviseerd (hetgeen volgens Klopstra overigens ook is gebeurd), [geïntimeerden] c.s. het advies niet zouden hebben opgevolgd en het aanbod van Kruse niet zouden hebben geaccepteerd, zodat het causaal verband ontbreekt.

4.11

Het hof oordeelt als volgt.

4.12

Vaststaat dat mr. Klopstra na het vertrek van mr. Van der Wal in de zomer van 2009 de zaak van hem heeft overgenomen en dat er in september 2009 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen mr. Klopstra, [geïntimeerde1] en diens vader. Mr. Klopstra heeft ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep verklaard dat hij in dat gesprek heeft aangegeven dat het zo niet kon en dat [geïntimeerden] c.s. Kruse het werk moesten laten afmaken/gelegenheid tot herstel moesten bieden. [geïntimeerde1] heeft deze lezing van mr. Klopstra bevestigd.

4.13

Ten tijde van dat (eerste) gesprek met mr. Klopstra in september 2009 was de situatie (nog) niet wezenlijk anders dan in maart-mei 2009. Weliswaar was de ontbindingsbrief verstuurd en hadden [geïntimeerden] c.s. de woning betrokken (proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg), maar Kruse had nog geen procedure aanhangig gemaakt (de betreffende dagvaarding werd op 19 oktober 2009 uitgebracht) en door Klopstra is onweersproken gesteld dat Kruse nog steeds bereid was de werkzaamheden af te maken. Ook na september 2009 heeft mr. Klopstra [geïntimeerden] c.s. in duidelijke, niet mis te verstane bewoordingen kenbaar gemaakt dat zij een risico liepen in de procedure en het aanbod van Kruse dienden te accepteren: verwezen zij naar de e-mail d.d. 29 december 2010 en de e-mail d.d. 26 januari 2012 waarin Klopstra [geïntimeerden] c.s. adviseert af te zien van het instellen van hoger beroep. Ook toen was Kruse nog steeds bereid de werkzaamheden uit te voeren, zo is door Klopstra c.s. Advocaten gesteld en door [geïntimeerden] c.s. niet betwist. Pas in hoger beroep heeft Kruse haar eis gewijzigd in die zin dat zij een verklaring voor recht heeft gevraagd dat zij als gevolg van het schuldeisersverzuim aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. bevrijd zal zijn van haar verbintenis ten opzichte van [geïntimeerden] c.s.

4.14

Waarom [geïntimeerden] c.s. niet alsnog akkoord wilden gaan met het aanbod van Kruse in september 2009 of later toen dat nog zonder meer mogelijk was en mr. Klopstra dit ook had geadviseerd, is niet duidelijk geworden, ook niet ter zitting van het hof. De reden zoals die in een eerder stadium van de procedure door [geïntimeerden] c.s. is gegeven en ook ter zitting van het hof is herhaald, te weten dat er inmiddels een procedure aanhangig was en de gedachte dat Kruse toch niets meer wilde doen, acht het hof niet steekhoudend. In ieder geval was in september 2009 nog geen procedure aanhangig. Verder bestond voor de gedachte die [geïntimeerden] c.s. naar hun stelling zouden hebben gehad – dat Kruse toch niets meer wilde doen – geen enkele grond. Volgens de door [geïntimeerden] c.s. niet betwiste stelling van mr. Klopstra was Kruse nog steeds bereid was de werkzaamheden af te maken. Ook het verweer van [geïntimeerde1] ter zitting dat mr. Klopstra in september 2009 niet voldoende duidelijk was in zijn advies, is in het licht van hetgeen partijen ter zitting over de inhoud van dit gesprek hebben verklaard, geen afdoende verklaring van [geïntimeerden] c.s. op de vraag waarom zij het aanbod van Kruse niet alsnog hebben geaccepteerd. Op het duidelijke en ook herhaalde advies van mr. Klopstra nadien, stuit ook af het argument van [geïntimeerden] c.s. dat zij zich bij de keuze om Kruse niet meer toe te laten tot het werk gesterkt voelden door de eerdere uitlatingen met mr. Van der Wal.

4.15

Uit de stukken komt voorts naar voren dat [geïntimeerden] c.s. vanaf het begin kenbaar hebben gemaakt – in gedrag en woord – dat zij niet met Kruse verder wilden. Verwezen zij naar het feit dat [geïntimeerden] c.s. al begin 2009 de sloten hebben gewijzigd zodat Kruse geen toegang meer had tot de woning en naar de e-mail d.d. 25 maart 2009 van [geïntimeerde1] aan mr. Van der Wal (rov. 2.5) alsook de verklaring van [geïntimeerde1] ter zitting van het hof dat hij al geen vertrouwen meer had in Kruse toen hij bij mr. Van der Wal kwam. Ook zij verwezen naar de verklaring van [geïntimeerde1] tijdens de comparitie in eerste aanleg, waarin [geïntimeerde1] als volgt heeft verklaard “Het is juist dat mr. Klopstra ons erop heeft gewezen dat het verstandig zou zijn om de woning af te laten bouwen door Kruse. Op het moment dat mr. Klopstra voorstelde Kruse alsnog herstelwerkzaamheden te laten verrichten, was mijn vertrouwen in Kruse compleet weg. Onze aversie tegen Kruse was inherent aan de ervaringen met haar tijdens de bouw van de woning. (…) Daarnaast werden werkzaamheden niet naar behoren uitgevoerd. Ik had daarom niet de intentie om Kruse de woning af te laten bouwen. Ik wilde dat de woning door een bekwame aannemers zou worden afgebouwd”.
Ook hebben [geïntimeerden] c.s. geweigerd het gereedschap van Kruse terug te geven ondanks het advies daartoe van mr. Klopstra. Daarbij komt dat [geïntimeerde1] ter zitting heeft aangegeven dat zij ondanks het advies van mr. Klopsta geen andere weg wilden volgen en dat zij verrast waren door het vonnis van de rechtbank in de zaak tegen Kruse.

4.16

Uit de gehele gang van zaken – de e-mail van [geïntimeerde1] , de waarschuwingen en e-mails van mr. Klopstra en de uitlatingen en gedragingen van [geïntimeerden] c.s. – ontstaat het beeld dat [geïntimeerden] c.s. al in een vroeg stadium, nog voor raadpleging van mr. Van der Wal, hadden besloten dat zij niet verder wilden met Kruse en niet bereid waren om op die beslissing terug te komen, ondanks de indringende adviezen van mr. Klopstra in september 2009 en in december 2010. In het licht van het vorenstaande, en het verweer van Klopstra aanmerking genomen, hebben [geïntimeerden] c.s. niet aannemelijk gemaakt dat zij, als zij datzelfde advies eerder nadrukkelijk van mr. Van der Wal zouden hebben gekregen, dat wel zouden hebben opgevolgd. Een ter zake dienend bewijsaanbod ontbreekt voorts. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat [geïntimeerden] c.s. indien mr. Van der Wal had geadviseerd het aanbod van Kruse te accepteren zij dat zouden hebben gedaan. Naar het oordeel van hof is het causaal verband tussen de gestelde tekortkoming en de gestelde schade niet komen vast te staan, zodat voor de toekenning van schadevergoeding geen plaats is. Grief 2 slaagt dan ook voor zover deze betrekking heeft op het ontbreken van het causaal verband.

4.17

Nu het causaal verband ontbreekt met de door [geïntimeerden] c.s. gestelde schade dient de door [geïntimeerden] c.s. gevorderde veroordeling van Klopstra tot het betalen van schadevergoeding op te maken bij staat afgewezen te worden.

4.18

Rest nog de gevorderde verklaring voor recht dat Klopstra toerekenbaar tekort is geschoten. Een eventuele toerekenbare tekortkoming van Klopstra, zoals door [geïntimeerden] c.s. gesteld, leidt wegens het ontbreken van het causaal verband niet tot een verplichting tot schadevergoeding aan de zijde van Klopstra. Weliswaar is voor het toewijzen van een verklaring voor recht voldoende dat de mogelijkheid van schade bestaat, maar gesteld noch gebleken is dat er ook overigens een mogelijkheid van schade bestaat. [geïntimeerden] c.s. heeft dan ook geen belang meer bij de gevorderde verklaring voor recht, zodat ook die dient te worden afgewezen.

4.19

Een nadere beoordeling van de vraag of Klopstra toerekenbaar tekort is geschoten en in het verlengde daarvan een oordeel over de bewijslastverdeling, is dan ook niet ter zake dienend. De overige grieven behoeven gelet hierop geen nadere bespreking.

4.20

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. afgewezen dienen te worden.

5 De slotsom

5.1

De grieven 1 en 2, voor zover betrekking hebbend op het causaal verband, slagen, zodat het bestreden tussenvonnis zal worden vernietigd. Het hof doet de zaak verder zelf af.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerden] c.s. in de kosten in beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Klopstra zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 262,-

- salaris advocaat € 1.130,- (2,5 punten tegen tarief II € 452,-)

Totaal € 1.392,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Klopstra zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 81,01

- griffierecht € 718,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten tegen tarief II € 894,-)

Totaal € 2.587,01

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 28 oktober 2015 en doet opnieuw recht;

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. af;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Klopstra wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 262,- voor verschotten en op € 1.130,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 799,01 voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I.F. Clement, mr. M.M.A. Wind en mr. A. van Hees en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2017.