Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8435

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
200.190.637/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schutting op de erfgrens. Overgroeiende klimop en schoren van de schutting zijn aan één zijde verwijderd. Gesteld is dat daarvoor toestemming is verleend. Na bewijslevering oordeelt kantonrechter het bewijs geleverd. Het hof deelt dat oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.190.637/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3546429 \ CV EXPL 14-12594)

arrest van 19 september 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. E.C.J. Ris, kantoorhoudend te Leusden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudend te Leek.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 mei 2017 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 1 augustus 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.3

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier, aangevuld met het proces-verbaal van de zitting.

1.4

[appellante] vordert in het principaal hoger beroep, na vermeerdering van eis, de vonnissen van de kantonrechter van 3 juni 2015 en 27 januari 2016 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar oorspronkelijke vorderingen alsnog toe te wijzen, alsmede [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.276,82 als herstelkosten van de border in haar tuin, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.5

[geïntimeerde] vordert in het incidenteel appel - dat is ingesteld onder de voorwaarde van slagen van het principaal appel - vernietiging van de vonnissen van de kantonrechter van 3 juni 2015 en 27 januari 2016 voor zover daartegen in het voorwaardelijk incidenteel appel grieven zijn ingediend en, opnieuw rechtdoende, niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] in haar vordering, althans afwijzing daarvan met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in incidenteel appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

1.6

Ter comparitie in hoger beroep is namens [geïntimeerde] verklaard dat tegen de wijziging van eis van [appellante] geen bezwaar bestaat. Het hof zal dus recht doen op basis van de aldus gewijzigde eis.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het vonnis van de kantonrechter van 3 juni 2015, aangevuld met de vaststelling dat de schutting waarover deze procedure gaat inmiddels is omgevallen en nog steeds op het terrein van [appellante] ligt.

2.2.

[appellante] is eigenaar van het perceel gelegen aan de [a-straat] 11 te [A] .

2.3.

[geïntimeerde] is eigenaar van het perceel gelegen aan de [b-straat] 20 te [A] .

2.4.

De tuinen van [appellante] en [geïntimeerde] grenzen aan elkaar. Tussen de percelen was een erfafscheiding geplaatst over een lengte van ongeveer veertien meter. Deze

erfafscheiding bestond uit een schutting begroeid met klimopplanten.

2.5.

In juni 2014 heeft [geïntimeerde] de klimopplanten aan zijn zijde van de erfafscheiding

gesnoeid, dan wel afgezaagd en de schoren van de schutting aan zijn zijde van de

erfafscheiding verwijderd. Na deze werkzaamheden is de schutting gaan scheefhangen

richting de tuin van [appellante] . Uiteindelijk is de schutting ook omgevallen. Deze ligt nu op het terrein van [appellante] .

2.6.

Bij brief van 28 juli 2014 heeft ARAG namens [appellante] [geïntimeerde]

aansprakelijk gesteld en verzocht de kosten van vervanging van de erfafscheiding ten

bedrage van € 8.045,02 binnen 14 dagen te vergoeden, waarbij is verwezen naar de

bijgevoegde offerte van 24 juli 2014 van Alkema Hoveniers.

2.7.

In deze offerte van Alkema Hoveniers is vermeld wat de kosten zijn van de

werkvoorbereiding, de afvoer van hout en groenafval, de nieuw te plaatsen schutting en

beplanting onder vermelding van het aantal manuren. In de offerte is vermeld:

"Wij hebben deze offerte zo gedetailleerd mogelijk opgesteld, daarmee hebben wij een zo goed mogelijke inschatting gemaakt van de benodigde materialen en arbeidsuren."

2.8.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft [appellante] een e-mailbericht van 24 juli 2014 overgelegd afkomstig van Alkema Hoveniers. Hierin is

vermeld:

"Het herstellen van de schutting is vrijwel niet mogelijk. De oude schutting zal namelijk in delen moeten worden gezaagd om hem rechtop te kunnen zetten. Op dit moment is er al veel Hedera afgestorven. Met het omhoog halen van de schutting en het zetten van nieuwe palen zal de Hedera op die stukken verwijderd moeten worden. De Hedera kan dan als verloren worden beschouwd. Daarnaast is het zo dat herstel zeker niet goedkoper zal zijn dan vervangen omdat het bedrag dat wordt bespaard aan materialen zeker op gaat aan extra manuren. De plek is niet goed bereikbaar voor stevige machines en om die reden zal er veel handwerk moeten worden verricht. Bovendien kunnen we geen garantie geven dat de constructie bij herstel stevig genoeg is en het risico dat de schutting bij bijvoorbeeld harde wind zal omwaaien is groot. Om die reden zullen wij, indien de schutting hersteld moet worden in plaats van vervangen, de werkzaamheden niet uitvoeren."

2.9.

Bij brief van 25 juli 2014 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] - voor zover van belang -

gemeld:

"Nadat ik in juni 2014 bij u ben geweest met de vraag of ik de overhangende begroeiing, die zich over de schutting aan de achterkant van mijn perceel bevond, mocht snoeien en hierop akkoord heb gekregen, op voorwaarde dat ik het boompje nabij uw schuur moest laten staan, heb ik samen met u geconstateerd dat de schutting zich in een slechte staat bevindt. Een slechte staat wil in dit geval zeggen dat zowel de palen, waar de schutting mee vaststaat, evenals de schoren, die hem steun zouden moeten geven, verrot zijn.

Zoals besproken heb ik het boompje laten staan (...) maar doordat ik de begroeiing aan mijn kant heb weggehaald is de schutting kopzwaar geworden. Doordat de schutting zich al in een slechte staat bevond plus het feit dat de schutting nu kopzwaar is, is deze gaan scheef staan. Feit blijft dat de schutting verrot is en dat uw kant ook gesnoeid dient te worden."

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van € 8.045,02 en buitengerechtelijke kosten ad € 700,-, beide bedragen vermeerderd met wettelijke rente. Ook is veroordeling in de proceskosten gevorderd.

3.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 juni 2015 [geïntimeerde] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat er een afspraak tussen hem en [appellante] is gemaakt, inhoudende dat [geïntimeerde] toestemming van [appellante] heeft gekregen de klimopplanten aan zijn zijde van de schutting te snoeien dan wel af te zagen en de schoren van de schutting aan zijn zijde te verwijderen. Bij vonnis van 27 januari 2016 is [geïntimeerde] geslaagd geoordeeld in die bewijslevering. De vordering van [appellante] is daarop afgewezen met haar veroordeling in de kosten van de procedure.

4. De beoordeling van de grieven en de vordering in het principaal hoger beroep

4.1

[appellante] heeft drie grieven opgeworpen. Blijkens de inhoud daarvan richten deze zich niet tegen het tussenvonnis van 3 juni 2015. De beoordeling in hoger beroep beperkt zich dan ook tot het eindvonnis van 27 januari 2016. Voor zover het hoger beroep is ingesteld tegen gemeld tussenvonnis wordt het verworpen.

4.2

Ter uitvoering van het vonnis van 3 juni 2015, waarbij [geïntimeerde] tot bewijslevering werd toegelaten, heeft hij drie getuigen doen horen: zijn vriendin [B] (verder: [B] ), [C] (verder: [C] ) en zichzelf. In contra-enquête is [appellante] gehoord. De kantonrechter heeft zijn beoordeling van het aldus verworven bewijsmateriaal neergelegd in rechtsoverweging 11 van het vonnis van 27 januari 2016, luidende:

"Uit de verklaring van partijgetuige [geïntimeerde] blijkt dat [appellante] voorafgaand

aan de werkzaamheden bij hem op het erf is geweest en hem bij die gelegenheid

toestemming heeft verleend om te snoeien en de schoren te verwijderen. De verklaring van [geïntimeerde] wordt in voldoende mate ondersteund door de verklaringen van de vriendin en van [C] . Uit de twee laatstgenoemde verklaringen volgt immers dat [appellante] bij [geïntimeerde] is geweest. [C] heeft zelf gehoord dat [appellante] toestemming gaf en de vriendin heeft verklaard dat [geïntimeerde] haar na afloop van het gesprek met [appellante] heeft verteld dat hij toestemming had gekregen voor het snoeien en het verwijderen van de schoren. De kantonrechter acht deze verklaringen voldoende betrouwbaar en consistent om als bewijs te dienen. In het bijzonder merkt de kantonrechter op dat het niet onwaarschijnlijk voorkomt dat [C] het gesprek tussen [geïntimeerde] en [appellante] vanuit de houten schuur goed heeft kunnen horen, gelet op de afstand die zowel [geïntimeerde] als [C] inschat op maximaal 5 meter.

Daar komt bij dat [geïntimeerde] en de vriendin beiden hebben verklaard dat [appellante] ook op een later moment - na de comparitie - heeft toegegeven dat zij toestemming had gegeven. Tegenover bovengenoemde verklaringen staat de verklaring van [appellante] , die zegt dat zij niet op het erf van [geïntimeerde] is geweest voorafgaand aan de werkzaamheden en ook geen toestemming heeft verleend. Naar het oordeel van de kantonrechter legt deze verklaring tegenover de overige verklaringen onvoldoende gewicht in de schaal."

4.3

[appellante] acht deze bewijswaardering onjuist en voert in dat verband het volgende aan:

- [geïntimeerde] is niet consistent in zijn uitlatingen. In de conclusie van antwoord stelt hij dat buurvrouw [D] (verder: [D] ) ook aanwezig was op het moment dat [appellante] de gestelde toestemming zou hebben verleend (verder: het toestemmingsgesprek), maar bij de comparitie van partijen ten overstaan van de kantonrechter spreekt [geïntimeerde] niet meer over de aanwezigheid van [D] en in zijn als (partij)getuige afgelegde verklaring stelt hij dat slechts hijzelf, [C] en [appellante] aanwezig waren. Geen [D] dus. [B] bevestigt in haar als getuige afgelegde verklaring dat [D] niet aanwezig was.

- [geïntimeerde] is ook niet consistent in zijn uitlatingen inzake de aanwezigheid van [C] . Tijdens de comparitie in eerste aanleg zegt [geïntimeerde] dat slechts [appellante] en hij aanwezig waren bij het toestemmingsgesprek, maar als (partij) getuige verklaart hij dat [C] ook aanwezig was. De voor deze discrepantie in zijn verklaring als (partij)getuige gegeven uitleg - ik was me er niet van bewust - is ongeloofwaardig.

- [geïntimeerde] en [C] verklaren beiden vervolgens niet meer met elkaar over het toestemmingsgesprek te hebben gesproken. Dat is ongeloofwaardig omdat zij vrienden van elkaar zijn.

- [C] zegt in zijn verklaring als getuige kort voor de bouwvak aan [geïntimeerde] gevraagd te hebben hoe het met de rechtszaak ging. Hij wist daar dus kennelijk van. [geïntimeerde] verklaart echter als (partij)getuige dat hij pas in dat gesprek kort voor de bouwvak aan [C] verteld heeft dat sprake was van een rechtszaak. Dat is vreemd en een aanwijzing dat [geïntimeerde] en [C] het verhaal over de toestemming hebben gefabriceerd.

- [C] heeft als getuige verklaard dat hij [geïntimeerde] wel kende omdat hij bij hem een paar keer heeft gestraat, maar dat zij elkaar ook privé ontmoetten, doordat ze wel bij elkaar langs kwamen en samen naar de kroeg gingen. [geïntimeerde] en [B] daarentegen doen het voorkomen alsof [C] niet meer was dan een kennis die ook wel eens bij [geïntimeerde] straatte. [geïntimeerde] heeft, als (partij)getuige uitdrukkelijk verklaard dat [C] geen vriend van hem is. [geïntimeerde] en [B] hebben aldus duidelijk de waarde van [C] als getuige willen maximaliseren door de persoonlijke band van [geïntimeerde] met [C] te minimaliseren.

- [C] heeft, indien hij aanwezig was in de schuur op het erf van [geïntimeerde] tijdens het toestemmingsgesprek, dat gesprek niet kunnen horen. Die schuur is meer dan de gestelde 4,5 à 5 meter verwijderd van de schutting (waar [geïntimeerde] en [appellante] zich zouden hebben bevonden) en is bovendien stevig en deugdelijk gebouwd.

- Van latere bevestiging van [appellante] van de door haar beweerdelijk gegeven toestemming is, anders dan [geïntimeerde] en [B] verklaren, nooit sprake geweest.

4.4

De aldus opgeworpen bezwaren tegen het oordeel van de kantonrechter stellen aan de orde de vraag of de verklaringen van [geïntimeerde] , [C] en [B] voldoende betrouwbaar zijn om voor waar te mogen houden wat zij verklaren, te weten dat de te bewijzen toestemming door [appellante] is gegeven ( [geïntimeerde] en [C] ) en dat [geïntimeerde] dat heeft gemeld aan [B] .

4.5

[geïntimeerde] heeft, gehoord als partijgetuige, verklaard dat hij van [appellante] toestemming heeft gekregen de klimopplanten aan zijn zijde van de schutting te snoeien dan wel af te zagen en de schoren van de schutting aan zijn zijde te verwijderen. Zoals de kantonrechter terecht heeft aangenomen kan die verklaring van [geïntimeerde] slechts bewijs in zijn voordeel opleveren als deze strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dat wil zeggen dat sprake moet zijn van bewijs dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft dat dit de verklaring van [geïntimeerde] als partijgetuige voldoende geloofwaardig maakt.

4.6

De aldus te beoordelen geloofwaardigheid van de verklaring van [geïntimeerde] hangt (echter) niet alleen af van de kracht van het aanvullend bewijs, maar ook van andere feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van die geloofwaardigheid. In dat verband heeft [appellante] allereerst gesteld dat de verklaringen van [geïntimeerde] inconsistent zijn waar het betreft de vraag of buurvrouw [D] nu wel of niet aanwezig was. Die stelling vormt weer onderdeel van haar algemene stelling dat sprake is van het "fabriceren" van verklaringen.

4.7

[geïntimeerde] heeft bij conclusie van antwoord gezegd dat [D] "bij ons was op het moment dat ik toestemming kreeg om te snoeien". Bij memorie van antwoord in het principaal hoger beroep heeft [geïntimeerde] in reactie op dit punt gezegd dat hij destijds (bij het schrijven van de conclusie van antwoord) meende dat [D] toen op bezoek was bij [B] . Die uitleg is niet bestreden door [appellante] ter gelegenheid van de comparitie bij het hof. Ook los daarvan echter wijst het enkele feit, dat de aanvankelijk gedane mededeling over de aanwezigheid van [D] "bij ons", later niet is gehandhaafd niet op het fabriceren van een verhaal. De gegeven verklaring is evenmin anderszins onaannemelijk. Het nu besproken onderdeel is daarom geen reden kanttekeningen te plaatsen bij de betrouwbaarheid van [geïntimeerde] verklaring als partijgetuige.

4.8

[appellante] heeft voorts gesteld dat de als partijgetuige afgelegde verklaring van [geïntimeerde] ongeloofwaardig is omdat hij aanvankelijk, ter comparitie in eerste aanleg, niet sprak over de aanwezigheid van [C] bij het toestemmingsgesprek, maar later wel. Tijdens die comparitie heeft [geïntimeerde] verklaard: "Het klopt dat alleen ik en [appellante] bij het gesprek, waarin deze afspraak is gemaakt, aanwezig waren". De stellingen van [geïntimeerde] , zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, komen erop neer dat slechts [appellante] en hij deelnemers aan dat gesprek waren. Gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van nog een andere deelnemer. De mededeling van [geïntimeerde] dat slechts [appellante] en hij bij het gesprek aanwezig waren is in dat licht bezien niet onjuist. Het enkele feit dat [geïntimeerde] ter comparitie niets heeft gezegd over de aanwezigheid van [C] (in de schuur) betekent daarom en op zich zelve beschouwd nog niet dat [C] afwezig was en het verhaal over diens aanwezigheid en het opvangen door hem van het gesprek tussen [geïntimeerde] en [appellante] is gefabriceerd. Ook anderszins is niet aannemelijk dat [C] niet in de schuur aanwezig was ten tijde van het toestemmingsgesprek tussen [geïntimeerde] en [appellante] .

4.9.

[C] heeft als getuige verklaard:

"Toen ik later bij [geïntimeerde] kwam, dat was vier á vijf weken voor de bouwvak van 2015. (…) Ik heb toen aan [geïntimeerde] gevraagd hoe het was gegaan met de rechtszaak want ik zag de schutting liggen".

[geïntimeerde] heeft als (partij)getuige verklaard:

"Omstreeks 3 á 4 weken voor de bouwvak van 2015, toen kwam hij (hof: [C] ) bij mij voor de bestratingswerkzaamheden. Toen vroeg hij mij hoe het met de schutting ging die op dat moment lag. Toen heb ik gezegd dat het een rechtszaak was (…)."

[appellante] leest in deze passages dat [C] (volgens hem) al wist van de rechtszaak toen [geïntimeerde] (volgens diens verklaring) hem daarover informeerde. De passages in kwestie zijn summier. Dat noopt tot voorzichtigheid bij de uitleg ervan. Een uitdrukkelijke mededeling van [C] over het moment waarop hij wetenschap verkreeg van de rechtszaak is in zijn verklaring niet opgenomen. Dat gegeven gevoegd bij het summiere karakter van de passages rechtvaardigen de daaraan door [appellante] gegeven uitleg niet. Ook het nu besproken aspect van de zaak kan dus niet dienen als bouwsteen voor het door [appellante] veronderstelde fabricageproces.

4.10

Inzake diens aanwezigheid in de schuur tijdens het toestemmingsgesprek heeft de getuige [C] een duidelijke verklaring afgelegd: hij was aanwezig, in de schuur, en heeft gehoord wat tussen [geïntimeerde] en [appellante] werd besproken. Dat hij dat niet heeft kúnnen horen blijkt niet. Volgens [C] zelf stonden [geïntimeerde] en [appellante] op een afstand van ongeveer 4 of 4,5 meter van hemzelf. Volgens [appellante] was die afstand groter, maar stukken of verklaringen waaruit de juistheid van die stelling blijkt zijn niet voorhanden. Dat de door [C] gestelde afstand in concreto het opvangen van het gesprek tussen [geïntimeerde] en [appellante] verhinderde blijkt evenmin uit enig processtuk. Het enkele feit dat sprake was van een stevige en deugdelijke gebouwde, schuur is onvoldoende, mede in aanmerking genomen dat die schuur, naar onweersproken door [geïntimeerde] als (partij)getuige is verklaard, uit hout was opgetrokken en niet uit steen. Ook algemene ervaringsregels leren niet dat op die afstand een gesprek niet kán worden opgevangen.

4.11

De getuige [C] heeft ook verklaard hoe zijn relatie met [geïntimeerde] was: hij heeft voor [geïntimeerde] een enkele stratenmakersklus gedaan en zij kenden elkaar ook enigszins privé doordat ze wel bij elkaar langs kwamen en samen naar de kroeg gingen. Ter comparitie van het hof heeft [geïntimeerde] verklaard dat van het geschetste privécontact inderdaad sprake is geweest, maar dat dit dateerde uit de tijd van vóór zijn relatie met [B] . Persoonlijke bekendheid van een getuige met een procespartij kán, in het algemeen gesproken, reden zijn de verklaring van de getuige met meer dan de gebruikelijke behoedzaamheid te beschouwen, maar het enkele feit van die persoonlijke bekendheid is onvoldoende om aan de betrouwbaarheid van de verklaring te twijfelen. Die twijfel zou, toegesneden op deze zaak, niettemin weer wel gerechtvaardigd zijn indien bijkomende omstandigheden aannemelijk doen zijn dat die persoonlijke bekendheid is misbruikt om, zoals [appellante] stelt, een verhaal te "fabriceren" dat in strijd is met de waarheid. Daarvoor ontbreken echter voldoende aanwijzingen. Dat [geïntimeerde] , die daarop als (partij)getuige overigens niet verder is bevraagd, de korte mededeling doet dat [C] niet een "vriend" van hem is, botst niet met de door [C] geschetste inhoud van de privécontacten tussen hem en [geïntimeerde] . Het begrip vriendschap heeft immers niet een zodanig vastomlijnde betekenis dat de kwalificatie van [geïntimeerde] (geen vriendschap, maar wel, vroeger, bij elkaar langs komen en samen naar de kroeg gaan) daarmee ten enenmale onverenigbaar is. De verklaring van [geïntimeerde] sluit ook aan bij die van [B] , waar deze verklaart dat zij [C] slechts vaag kende en dat [geïntimeerde] hem wel beter kende, maar niet met hem naar de kroeg ging. Dat wijst niet op het in 2014 nog bestaan van privécontacten tussen [geïntimeerde] en [C] , hetgeen spoort met de verklaring van [geïntimeerde] over zijn vroegere contacten met [C] en met de verklaring van [C] zelf niet in strijd is.

4.12

Afgaande op de verklaringen van [geïntimeerde] en [C] is tussen hen na het toestemmingsgesprek voor het eerst pas weer gesproken over de schutting en de rechtszaak daarover kort voor de bouwvak van 2015. Ongeloofwaardig, aldus [appellante] . Voor die conclusie bestaat echter geen aanleiding. Hiervoor is al uiteengezet dat [C] en [geïntimeerde] vroeger, voordat [geïntimeerde] een relatie met [B] kreeg, elkaar wel ontmoetten (thuis en in de kroeg), maar uit niets blijkt dat dat later ook nog zo was. Daarbij komt dat het vonnis waarbij [geïntimeerde] tot bewijslevering werd toegelaten dateert van 3 juni 2015. In dat licht bezien is het niet zo vreemd dat [geïntimeerde] en [C] kort voor de bouwvak 2015, maar kennelijk na dat vonnis, met elkaar spraken over de rechtszaak naar aanleiding van de opmerking van [geïntimeerde] dat hij een getuige nodig had.

4.13

Getuige [B] heeft uit eigen wetenschap verklaard dat [C] aanwezig was en folders en stenen liet zien aan [geïntimeerde] . [C] verklaart dat hij op de dag dat hij het gesprek tussen [appellante] en [geïntimeerde] opving, bij [geïntimeerde] was om folders en stenen te laten zien. [B] 's verklaring komt er dus op neer dat zij bevestigt dat [C] aanwezig was op de dag van het toestemmingsgesprek.

4.14

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [B] is door [appellante] opgemerkt dat [B] zelf verklaart dat zij in de woning was en het dus opmerkelijk is dat zij ook weet te verklaren dat [C] in de schuur was omdat zij dan die schuur de gehele tijd in de gaten heeft moeten houden, hetgeen niet voor de hand ligt. Niet aannemelijk is voorts dat [B] , zoals zij verklaart, niet op de hoogte was van de vriendschappelijke relatie tussen [geïntimeerde] en [C] nu zij toch met [geïntimeerde] samen woonde. Tot slot is opmerkelijk, aldus [appellante] , dat [geïntimeerde] in de conclusie van antwoord zegt dat [D] bij hen was op het moment van het toestemmingsgesprek, terwijl [B] als getuige verklaart dat zij alleen was in die woning.

4.15

Wellicht had [B] nader bevraagd kunnen worden over haar wetenschap omtrent de aanwezigheid van [C] in de schuur, maar uit niets blijkt dat zij daarvan slechts weet kon hebben door die schuur de gehele tijd in de gaten te houden. Ook zonder dat zij dat deed kon het haar zeer wel bekend zijn dat [C] aanwezig was in de schuur bij de woning van [geïntimeerde] en [B] . De verklaring van [B] omtrent haar wetenschap van de eventuele vriendschap tussen [C] en [geïntimeerde] sluit zeer wel aan bij die van [geïntimeerde] nu deze verklaart dat zijn contacten met [C] dateerden van vóór zijn relatie met [B] . Ook op het punt van de eventuele aanwezigheid van [D] in de woning hadden [B] en [geïntimeerde] wellicht nader bevraagd kunnen worden, maar het enkele feit dat een verschil valt te constateren tussen een in een conclusie neergelegd standpunt en de verklaring van een getuige is nog geen reden aan de betrouwbaarheid van de laatste te twijfelen. Al met al is er onvoldoende reden om de verklaring van [B] onbetrouwbaar te oordelen.

4.16

De conclusie uit al het voorgaande, in onderling verband bezien, is dat geen aanleiding bestaat de verklaringen van [geïntimeerde] , [C] en [B] onvoldoende betrouwbaar te oordelen. De grieven falen.

5 Slotsom in het principaal hoger beroep

5.1

Nu de grieven falen zal het vonnis van de kantonrechter van 27 januari 2016 worden bekrachtigd. Als in het ongelijk gestelde partij wordt [appellante] veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Die veroordeling wordt, als gevorderd en niet weersproken, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kosten worden vastgesteld op:

- griffierecht € 314,--

- salaris advocaat € 1.788,-- (2 punten, tarief II, € 894,- per punt)

Totaal € 2.102,--

6 Het incidenteel hoger beroep

6.1

Nu aan de voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld - slagen van de grieven in het principaal hoger beroep - niet is voldaan kan het incidenteel hoger beroep buiten behandeling blijven.

7 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 3 juni 2015;

bekrachtigt het eindvonnis van de kantonrechter van 27 januari 2016;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en begroot die kosten op € 314,-- voor verschotten en € 1.788,-- voor salaris;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. M.M.A. Wind en mr. F.M.J. Verstijlen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 september 2017.