Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8433

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
200.195.956/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweer ‘ik ben geen partij’ is onvoldoende gemotiveerd nu het niet gaat om ‘spookfacturen’ en gelet op andere omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.195.956/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4448052 CV EXPL 15-12233)

arrest van 26 september 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. P.N. Huisman,

tegen

Technisch Expert Jansen B.V.,

gevestigd te Uithuizen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Jansen,

advocaat: mr. L.H. Haarsma.

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 20 juni 2017.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- de comparitie na memorie van antwoord, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.2

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd op de stukken die voor de comparitie zijn overgelegd, aangevuld met het proces-verbaal, en heeft het hof arrest bepaald.

1.3

[appellant] heeft, kort weergegeven, vernietiging gevorderd van het bestreden vonnis, alsnog afwijzing van de vordering van Jansen en toewijzing van zijn vordering in reconventie, onder veroordeling van Jansen in de proceskosten van beide instanties, met nakosten en rente indien niet binnen veertien dagen na dagtekening aan het (het hof begrijpt:) arrest wordt voldaan.

2 De feiten

2.1

Tegen de feiten, zoals door de kantonrechter vastgesteld onder 1.1 tot en met 1.6 van het bestreden vonnis, is geen grief gericht en ook overigens is niet gebleken van bezwaar tegen die vaststelling. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, zijn die feiten als volgt.

2.2

Jansen exploiteert een installatiebedrijf met ongeveer 50 personeelsleden in vaste dienst. Zij heeft gesteld in opdracht en voor rekening van [appellant] in 2013 en 2014 diverse werkzaamheden te hebben verricht in door [appellant] beheerde woningen aan de [a-straat] 39a te [A] en de [b-straat] 2 te [B] .

2.3

In dat kader heeft Jansen met vijf facturen in totaal € 6.254,37 aan [appellant] in rekening gebracht. De eerste factuur is gedateerd 14 januari 2013 en bedraagt

€ 5.679,35; de tweede is van 4 november 2013 en komt uit op € 74,73; de derde is van

16 november 2013 en bedraagt € 55,12; de vierde is van 15 april 2015 en bedraagt € 403,03. De laatste is van 6 december 2014 en bedraagt € 42,14. Alle bedragen zijn inclusief btw.

2.4

Bij e-mail van 17 januari 2013 heeft Jansen aan [appellant] laten weten onder voorwaarden akkoord te gaan met een door [appellant] voorgestelde betalingsregeling van de factuur van 14 januari 2013. Diezelfde dag nog heeft [appellant] per mail geantwoord akkoord te gaan met de voorwaarden en Jansen bedankt voor de medewerking. Vervolgens heeft [appellant] in vier termijnen een bedrag van € 4.000,- in mindering voldaan.

2.5

Na herhaalde doch vergeefse verzoeken om betaling van het restant van de vijf facturen ter hoogte van € 2.254,37 heeft Jansen haar vordering uit handen gegeven. In de sommatiebrief van 23 december 2014 wordt betaling geëist binnen vijf werkdagen en tevens aanspraak gemaakt op de inmiddels vervallen wettelijke rente en op buitengerechtelijke incassokosten.

Deze brief heeft [appellant] aan Jansen geretourneerd met de handgeschreven aantekening, gedateerd 24 december 2014:

Deze correspondentie is vermoedelijk bestemd voor de opdrachtgever, dhr. [C] . In ieder geval niet voor mij.

2.6

Bij brief van 2 januari 2015 is namens Jansen volhard in het standpunt dat [appellant] heeft te gelden als opdrachtgever, hetgeen nog is bevestigd door de overeengekomen betalingsregeling en de gedeeltelijke nakoming daarvan terwijl de (overige) facturen zonder protest zijn behouden. Indien niet binnen drie dagen wordt betaald, zal worden gedagvaard.

[appellant] heeft deze brief geretourneerd met de handgeschreven tekst:

Dat was een regeling namens de opdrachtgever, afgesproken wegens gebrekkige resultaten: tw niet waterpas geplaatst zwevend toilet. Alle fakturen worden uitdrukkelijk afgewezen.

2.7

Bij conclusie van antwoord heeft [appellant] een verklaring overlegd, die is gedateerd 28 augustus 2015 en is ondertekend door [C] . Deze luidt:

[C] , geboren [in] 1954 te [D] , gevestigd te [E] , verklaart als aannemer van [appellant] , geboren [in] 1955 te [F] , in het kader van het onderling overeengekomen project [a-straat] 39a te [A] , Technisch Expert Jansen bv opdracht te hebben gegeven aldaar de nodige werkzaamheden uit te voeren.

3 De vorderingen en beoordeling daarvan door de kantonrechter

3.1

Jansen heeft, na wijziging van eis bij repliek, betaling gevorderd van de openstaande hoofdsom (€ 2.254,37), de incassokosten (€ 338,16) en de wettelijke rente tot en met

10 augustus (€ 139,65), in totaal € 2.732,18 te vermeerderen met wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 10 augustus 2015 onder veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De primaire grondslag is contractuele gebondenheid, de subsidiaire is ongerechtvaardigde verrijking.

3.2

In reconventie heeft [appellant] gevorderd dat Jansen hem de onverschuldigd betaalde € 4.000,- terugbetaalt met veroordeling van Jansen in de kosten van conventie en reconventie.

3.3

De kantonrechter heeft overwogen dat [appellant] pas op

24 december 2014 en dus niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd tegen de tenaamstelling van de facturen. Voorts heeft hij er niet over gerept op te treden namens [C] bij de op zijn verzoek tot stand gekomen betalingsregeling en bij de deelbetalingen. Mede gelet op het feit dat [appellant] beheerder is van de panden waarin de werkzaamheden zijn uitgevoerd, mocht Jansen [appellant] als opdrachtgever beschouwen. De verklaring van [C] is eerst op 28 augustus 2015 afgelegd en daaruit kan niet worden afgeleid waar, hoe, wanneer en met wie [C] zaken zou hebben gedaan.

De kantonrechter heeft de vordering in conventie toegewezen en die in reconventie afgewezen, in beide gevallen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft zeven grieven aangevoerd tegen de toewijzing van de vordering in conventie en de afwijzing van zijn tegenvordering.

De eerste zes grieven richten zich tegen het oordeel dat [appellant] met betrekking tot de facturen die in deze procedure aan de orde zijn, moet worden beschouwd als de contractspartij van Jansen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

4.2

In het onderhavige geval blijkt niet uit de vaststaande feiten wie als handelende persoon de overeenkomsten met Jansen is aangegaan die hebben geleid tot de facturen van Jansen aan [appellant] .

4.3

Jansen heeft haar stelling dat [appellant] haar wederpartij is onderbouwd door te wijzen op het feit dat deze de beheerder is van beide panden waarop de gefactureerde werkzaamheden en geleverde materialen betrekking hebben, dat [appellant] niet heeft geprotesteerd tegen de tenaamstelling van de facturen of anderszins tegen die facturen bezwaar heeft gemaakt, èn op het feit dat [appellant] een betalingsregeling met haar heeft getroffen die hij ook gedeeltelijk is nagekomen.

4.4

Volgens [appellant] heeft [C] te gelden als contractspartij van Jansen.

Dat dit zo is, blijkt echter niet uit de door hem overgelegde verklaring van [C] en volgt evenmin als vanzelfsprekend uit de niet nader toegelichte stelling van [appellant] dat hij met [C] een overeenkomst van aanneming van werk had. De verklaring van [C] ziet niet specifiek op de hier aan de orde zijnde overeenkomsten waarvoor door Jansen is gefactureerd.

4.5

Kort na ontvangst van de eerste factuur in januari 2013 heeft [appellant] het initiatief genomen voor een betalingsregeling met Jansen. Dat hij die regeling heeft getroffen namens [C] is door Jansen betwist en vervolgens door [appellant] niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een verklaring van [C] . Daarmee heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist dat Jansen hem terecht voor haar contractspartij mocht houden. Hij dient het restant van deze factuur dan ook nog te voldoen.

4.6

Met betrekking tot de andere vier facturen staat als onweersproken vast dat de werkzaamheden zijn verricht en de materialen zijn geleverd door Jansen ten behoeve van het pand aan de [b-straat] dat [appellant] beheert. Op drie van de vier facturen staat dit pand vermeld en [appellant] heeft niet de bij repliek onder punt 10 ingenomen stelling weersproken dat alleen de factuur waarvoor de betalingsregeling is getroffen betrekking had op het pand aan de [a-straat] . Vast staat ook dat deze facturen op naam zijn gesteld van en zijn geadresseerd aan [appellant] , door deze zijn ontvangen en ondanks aanmaningen onweersproken zijn gelaten tot 24 december 2014. Het hof acht het onaannemelijk dat [appellant] niet alleen niet reageert op aan hem gerichte facturen, maar ook niet op aanmaningen, wanneer hij van mening zou zijn dat deze ten onrechte aan hem zijn gericht. Deze berichten zijn bovendien afkomstig van een wederpartij waarmee hij vaker zaken deed, zoals volgt uit de eerste factuur waarvoor de betalingsregeling is getroffen en ook uit de onweersproken opmerking van Jansen ter comparitie bij het hof (waar [appellant] niet in persoon is verschenen) omtrent andere, wel door [appellant] betaalde rekeningen.

Op zichzelf is juist dat het enkele stilzitten na ontvangst van rekeningen niet meebrengt dat de geadresseerde geacht wordt contractspartij van de crediteur te zijn. Het gaat hier echter niet om 'spookfacturen', welk begrip mr. Huisman ter zitting bij het hof hanteerde en welk begrip het hof verstaat als facturen voor niet geleverde diensten. Juist omdat het hier rekeningen betreft voor wèl geleverde goederen en werk met betrekking tot panden waarvoor [appellant] in ieder geval als beheerder verantwoordelijk is, had van hem een gemotiveerde betwisting verwacht mogen worden van de stelling dat hij met betrekking tot werkzaamheden in dit pand opdrachtgever van Jansen is.

Met de onder 2.5 en 2.7 weergegeven verklaringen heeft [appellant] dat naar het oordeel van het hof niet gemotiveerd gedaan. De verklaring van [C] heeft geen betrekking op het pand aan de [b-straat] . Daar komt bij dat [appellant] niet ter comparitie bij het hof is verschenen zodat het hof niet in de gelegenheid is gesteld om hem in aanwezigheid van Jansen te bevragen over de feitelijke gang van zaken.

4.7

Het hof verwerpt het onvoldoende onderbouwde verweer van [appellant] . De grieven 1 tot en met 6 falen.

4.8

Uit de conclusie in overweging 4.5 volgt dat grief 7 moet worden verworpen: [appellant] heeft niet onverschuldigd de termijnen betaald waartoe hij zich met de afbetalingsregeling heeft verplicht.

4.9

[appellant] heeft geen grief gericht tegen de toegewezen buitengerechtelijke incassokosten. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat [appellant] het beheer van beide panden niet beroeps- of bedrijfsmatig verricht en zou moeten worden aangemerkt als een consument in zijn relatie tot Jansen, zodat dit verder buiten beschouwing kan blijven.

4.10

Het hof zal het bestreden vonnis, zowel in conventie als in reconventie gewezen, bekrachtigen en [appellant] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van Jansen te stellen op € 718,- griffierecht en € 1.264,- (2 punten, tarief I) voor salaris advocaat volgens liquidatietarief.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Groningen van 13 april 2016;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Jansen vastgesteld op € 718,- griffierecht en € 1.264,- salaris advocaat volgens liquidatietarief, en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. H. de Hek en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

26 september 2017.