Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8362

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
16/01252 tm 16/01254
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:5380, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft geen recht op aftrek voor uitgaven levensonderhoud voor zoon die recht heeft op studiefinanciering. En beroep op het vertrouwensbeginsel voor recht op aftrek voor uitgaven voor onderhoudsverplichtingen voor moeder slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-09-2017
FutD 2017-2425
FutD 2017-2426

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummers 16/01252, 16/01253 en 16/01254

uitspraakdatum: 26 september 2017

Uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 september 2016, nummers LEE 16/322, LEE 16/323 en LEE 16/324, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2010 met dagtekening 25 april 2015 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 456. Bij beschikking is een bedrag van € 1.223 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

Aan belanghebbende is over het jaar 2011 met dagtekening 25 april 2015 een navorderingsaanslag opgelegd in de IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.839 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.365. Bij beschikking is een bedrag van € 655 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 met dagtekening 11 maart 2015 een aanslag opgelegd in de IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.719 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.580. Bij beschikking is een bedrag van € 554 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.4

Bij uitspraken op bezwaar van 19 november 2015 heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.5

Belanghebbende is tegen de uitspraken van 19 november 2015 in beroep gekomen. De beroepschriften zijn ontvangen door de Rechtbank Midden-Nederland, die deze beroepen heeft doorgestuurd aan de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.6

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2017. Van de zitting is een proces-verbaal is opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is gehuwd met mevrouw [A] . Belanghebbende heeft vier kinderen, te weten:

- [B] , geboren [in] 1990;

- [C] , geboren [in] 1995;

- [D] en [E] , geboren [in] 1997.

2.2

De zoon van belanghebbende [B] had in de jaren 2010 tot en met 2012 recht op studiefinanciering.

2.3

Belanghebbende heeft op 30 januari 2011 een aangifte in de IB/PVV voor 2010 ingediend, waarbij hij een verzamelinkomen van € 55.585 heeft aangegeven. In deze aangifte heeft belanghebbende met betrekking tot zijn zoon [B] een bedrag van € 2.840 als aftrekbaar bedrag voor kosten levensonderhoud kinderen in aanmerking genomen. Voorts heeft belanghebbende € 15.000 als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in aftrek gebracht.

2.4

De Inspecteur heeft met dagtekening 20 mei 2011 een voorlopige aanslag in de IB/PVV voor 2010 opgelegd.

2.5

De Inspecteur heeft met dagtekening 27 juli 2011 de definitieve aanslag in de IB/PVV voor 2010 opgelegd conform de ingediende aangifte.

2.6

Belanghebbende heeft op 1 februari 2012 een aangifte in de IB/PVV voor 2011 ingediend, waarbij hij een verzamelinkomen van € 54.404 heeft aangegeven. In deze aangifte heeft belanghebbende voor zijn zoon [B] een bedrag van € 2.800 als aftrekbaar bedrag voor kosten van levensonderhoud van kinderen in aanmerking genomen. Voorts heeft belanghebbende € 12.000 als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in aftrek gebracht.

2.7

De Inspecteur heeft met dagtekening 29 juni 2012 een voorlopige aanslag in de IB/PVV voor 2011 opgelegd.

2.8

Belanghebbende heeft op 30 mei 2013 een aangifte in de IB/PVV voor 2012 ingediend, waarbij hij een verzamelinkomen van € 56.355 heeft aangegeven. In deze aangifte heeft belanghebbende voor zijn kinderen [C] , [D] en [E] in totaal een bedrag van € 4.980 als aftrekbaar bedrag voor kosten van levensonderhoud van kinderen in aanmerking genomen. Voorts heeft belanghebbende € 5.600 als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in aftrek gebracht.

2.9

De Inspecteur heeft met dagtekening 5 juli 2013 een voorlopige aanslag in de IB/PVV voor 2012 opgelegd.

2.10

De Inspecteur heeft bij brief van 13 augustus 2013 aan belanghebbende meegedeeld dat hij de aangifte in de IB/PVV voor 2011 heeft beoordeeld en bij het vaststellen van de definitieve aanslag in de IB/PVV voor 2011 voornemens is af te wijken van de aangifte. Deze voorgenomen correctie betrof het niet toestaan van de aftrek wegens kosten van levensonderhoud van kinderen ten bedrage van € 2.800.

2.11

De Inspecteur heeft met dagtekening 8 november 2013 de definitieve aanslag in de IB/PVV voor 2011 opgelegd, waarbij het te betalen bedrag € 1.249 bedraagt.

2.12

De Inspecteur heeft bij brief van 16 oktober 2014 aan belanghebbende meegedeeld dat hij bij het vaststellen van de definitieve aanslag in de IB/PVV voor 2012 voornemens is af te wijken van de aangifte. Deze voorgenomen correctie betrof het niet toestaan van de aftrek van € 334 wegens uitgaven voor inkomensvoorzieningen en € 16.610 aan persoonsgebonden aftrek. Belanghebbende heeft daarop bij brief van 27 oktober 2014 gereageerd.

2.13

De Inspecteur heeft bij brief van 24 februari 2015 aan belanghebbende meegedeeld dat hij bij het vaststellen van de definitieve aanslag in de IB/PVV voor 2012 zal afwijken van de aangifte zoals hij bij brief van 16 oktober 2014 had aangekondigd. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 6 maart 2015.

2.14

De Inspecteur heeft bij brief van 6 maart 2015 aan belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is om navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 2010 en 2011 op te leggen. Belanghebbende heeft daarop bij brief van 23 maart 2015 gereageerd.

2.15

De Inspecteur heeft met dagtekening 11 maart 2015 de definitieve aanslag in de IB/PVV voor 2012 aan belanghebbende opgelegd.

2.16

Op 2 april 2015 heeft tussen belanghebbende en de Inspecteur een gesprek plaatsgevonden.

2.17

De Inspecteur heeft belanghebbende naar aanleiding van belanghebbendes brief van 23 maart 2015 en het gesprek van 2 april 2015 een brief gestuurd. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 7 april 2015.

2.18

Belanghebbende heeft bij brief van 17 april 2015, door de Inspecteur ontvangen op 21 april 2015, bezwaar gemaakt tegen de aanslag in de IB/PVV voor 2012.

2.19

De Inspecteur heeft met dagtekening 25 april 2015 de navorderingsaanslag in de IB/PVV over 2010 aan belanghebbende opgelegd. De Inspecteur heeft eveneens met dagtekening 25 april 2015 de navorderingsaanslag in de IB/PVV over 2011 aan belanghebbende opgelegd.

2.20

Belanghebbende heeft bij brief van 24 mei 2015, door de Inspecteur ontvangen op 27 mei 2015, bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 2010 en 2011.

2.21

De Inspecteur heeft bij brief van 17 juni 2015 zijn voorgenomen uitspraak met betrekking tot het bezwaar tegen de aanslag in de IB/PVV voor 2012 kenbaar gemaakt.

2.22

Op 2 september 2015 heeft een hoorgesprek tussen belanghebbende en de Inspecteur plaatsgevonden over de jaren 2010, 2011 en 2012. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt, dat de Inspecteur op 13 oktober 2015 aan belanghebbende heeft toegezonden. Belanghebbende heeft bij brief van 31 oktober 2015 gereageerd op het verslag van het hoorgesprek.

2.23

Met dagtekening 19 november 2015 heeft de Inspecteur uitspraken op bezwaar over de jaren 2010, 2011 en 2012 gedaan, waarbij de bezwaren van belanghebbende ongegrond zijn verklaard.

3 Geschil

3.1

In geschil is of de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 2010 en 2011 en de aanslag in de IB/PVV voor 2012 en de heffingsrente- en belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

a. Is er bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 2010 en 2011 sprake van een nieuw feit?

b. Heeft belanghebbende recht op aftrek voor uitgaven voor levensonderhoud van zijn zoon [B] (over 2010)?

c. Heeft belanghebbende recht op aftrek voor uitgaven voor onderhoudsverplichtingen voor zijn moeder (over 2010 tot en met 2012)?

d. Is sprake is van opgewekt vertrouwen door de Inspecteur?

3.2

Belanghebbende beantwoordt voormelde vragen bevestigend. Belanghebbende is van mening dat de Inspecteur de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 2010 en 2011 ten onrechte heeft opgelegd. Belanghebbende stelt daartoe dat op het moment van het opleggen van de definitieve aanslag voor 2010 de Inspecteur bekend was met het feit dat zijn zoon [B] recht op studiefinanciering had en dat ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslagen voor 2010 en 2011 de Inspecteur bekend was met het feit dat belanghebbende de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen voor zijn moeder in aftrek had gebracht. Belanghebbende doet tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel, op grond waarvan belanghebbende stelt dat hij voor het jaar 2010 recht heeft op aftrek van kosten levensonderhoud voor zijn zoon [B] en dat hij voor de jaren 2010 tot en met 2012 recht heeft op aftrek voor uitgaven voor onderhoudsverplichtingen voor zijn moeder. Daarnaast is belanghebbende van mening dat de heffings- en belastingrente ten onrechte in rekening zijn gebracht.

3.3

De Inspecteur beantwoordt voormelde vragen ontkennend. De Inspecteur is primair van mening dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De Inspecteur stelt daartoe dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslagen niet bekend was met het feit dat belanghebbendes zoon [B] in het jaar 2010 studiefinanciering genoot en dat de in aftrek gebrachte uitgaven voor onderhoudsverplichtingen betrekking hadden op uitgaven voor de moeder van belanghebbende. De Inspecteur is verder van mening dat geen sprake is van door hem opgewekt vertrouwen. Ten aanzien van de heffings- en belastingrente is de Inspecteur van mening dat deze terecht en tot het juiste bedrag in rekening zijn gebracht.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting worden nagevorderd. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of te kwade trouw rust op de Inspecteur.

4.2

De Inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag in de IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (zie onder meer HR 7 december 2007, nr. 43489, ECLI:NL:HR:2007:BB3465 en HR 9 januari 2009, nr. 07/10292, ECLI:NL:HR:BG9068). Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (zie HR 16 april 2010, nr. 08/05088, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082 en HR 31 mei 2013, nr. 11/03452, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

4.3

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een nieuw feit dat navordering voor de jaren 2010 en 2011 rechtvaardigt omdat eerst bij de controle in oktober 2014 van het belastingjaar 2012 bekend werd dat de zoon [B] , voor wie belanghebbende uitgaven voor levensonderhoud van een kind heeft in aftrek had gebracht, in de onderhavige jaren recht had op studiefinanciering. Voorts werd toen duidelijk dat belanghebbende al meer dan tien jaar uitgaven voor onderhoudsverplichtingen voor zijn moeder in aftrek had gebracht. De Inspecteur heeft aangevoerd dat de aangiften een ordelijke indruk maakten en dat hij in redelijkheid niet hoefde te twijfelen aan de juistheid van de aangiften.

4.4

De Rechtbank hierover het volgende overwogen (De Rechtbank duidt belanghebbende aan met “eiser” en de Inspecteur met “verweerder”):

“7(…) De rechtbank overweegt dat de door eiser ingediende aangiften (zie 1.3 en 1.6) geen aanleiding geven om aan de juistheid van de aangifte te twijfelen, omdat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de zoon [B] geen recht had op studiefinanciering. Dat in het Renseignementen Informatie Systeem (RIS) van de Belastingdienst ten tijde van de aanslagregeling staat vermeld dat de zoon studiefinanciering ontving, maakt dit oordeel niet anders. De onderzoeksplicht van verweerder gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver dat het RIS ten aanzien van anderen dan eiser, namelijk zijn zoon, geraadpleegd moet worden om te kunnen spreken van een normale zorgvuldige behandeling.

8. Ten aanzien van de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen wegens uitgaven voor eisers moeder overweegt de rechtbank eveneens dat niet is gebleken van enige omstandigheid die aanleiding had moeten geven tot zodanige twijfel aan de juistheid van de aangifte, dat er aanleiding bestond tot afwijking van het uitgangspunt dat verweerder mocht afgaan op de juistheid van de door eiser verstrekte gegevens. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de betreffende aangiften (zie 1.3 en 1.6) onder de rubriek “uitgaven voor onderhoudsverlichtingen” gegevens zijn ingevuld bij “Gegevens ex-echtgenoot/partner” met een naam, “ [F] ”, die in redelijkheid niet tot twijfel, of er wel sprake was van een ex-partner, behoefde te leiden. Dat daarbij een geboortedatum “1 juli 1932” vermeld was, naar later bleek van eisers moeder, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid aan de juistheid van de aftrekpost behoorde te twijfelen. De niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist waren.

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten aanzien van de jaren 2010 en 2011 over een nieuw feit beschikt die de onderhavige navorderingsaanslagen rechtvaardigt.”

4.5

Het Hof deelt het hiervoor weergegeven oordeel van de Rechtbank en maakt dit tot het zijne. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat hij voor eerdere jaren steeds een specificatie heeft opgenomen bij de onderhavige aftrekpost. Wat hiervan ook zij, belanghebbende heeft deze stelling niet met bescheiden onderbouwd. Bovendien heeft de Inspecteur in hoger beroep onbestreden gesteld, dat in de door hem in het systeem van de Belastingdienst gevonden aangiften in de IB/PVV voor de jaren 2007 en 2008 een nadere specificatie ontbrak en dat onder de rubriek “uitgaven voor onderhoudsverplichtingen” uitsluitend de naam, de geboortedatum en het adres van de onderhouden persoon was vermeld. Dit sluit aan bij de gegevens die belanghebbende in de onderhavige aangiften heeft verstrekt en waarover de Rechtbank heeft geoordeeld zoals hiervoor weergegeven.

4.6

Artikel 6.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2010) luidt als volgt:

“1. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen zijn uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Voor de beoordeling in welke mate een kind door de belastingplichtige wordt onderhouden, worden, indien de belastingplichtige een partner heeft, de uitgaven van de belastingplichtige en zijn partner voor het levensonderhoud van het kind samengevoegd.”

4.7

Artikel 6.14, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 (tekst 2010) luidt als volgt:

“1. Uitgaven voor levensonderhoud van een kind worden niet in aanmerking genomen indien:

(…)

c. het kind recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs volgens de Wet studiefinanciering 2000 die niet uitsluitend bestaat uit een reisvoorziening in de zin van die wet, op financiële ondersteuning als bedoeld in de artikelen 7.51, eerste tot en met zesde lid, 7.51a en 17.10 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, op tegemoetkoming volgens hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking van genoemde regelingen overeenkomende buitenlandse regeling.”

4.8

Tussen partijen is niet langer in geschil dat belanghebbende in 2010 geen recht had op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen voor zijn zoon [B] .

er onderbouwing van zijn standpunt dat de aftrek toch moet worden gehonoreerd stelt belanghebbende dat de Inspecteur deze aftrek ten aanzien van zijn zoon voor het jaar 2010 conform de aangifte in de IB/PVV heeft geaccepteerd zonder nadere vragen te stellen. In 2013 werd voor het jaar 2011 geconstateerd dat de aftrek ten onrechte was opgevoerd. Nadat belanghebbende hierover schriftelijk was geïnformeerd, heeft belanghebbende telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst. Belanghebbende stelt dat hem in dat gesprek is gezegd dat deze post voor 2010 niet was gecorrigeerd. Voor zover belanghebbende hiermee stelt dat sprake is van een bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur, heeft hij zijn stellingen - tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur - niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie leiden dat de Inspecteur bij hem redelijkerwijs de indruk heeft gewekt of kunnen wekken dat de Inspecteur welbewust het standpunt heeft ingenomen dat deze uitgaven aftrekbaar zijn.

4.9

Tussen partijen is evenmin (niet langer) in geschil dat belanghebbende wettelijk gezien geen recht heeft op aftrek voor kosten van levensonderhoud van zijn moeder. Belanghebbende heeft echter gesteld dat hij na zijn brief van 18 november 2001 aan de gesprekken in 2005 en 2008 bij de Belastingdienst op kantoor Amersfoort en de telefonische contacten die hij met medewerkers van de Belastingdienst heeft gevoerd, het vertrouwen mocht ontlenen dat de aftrek voor uitgaven voor onderhoudsverplichtingen voor zijn moeder voor de onderhavige jaren van toepassing zou zijn.

4.10

De Rechtbank hierover het volgende heeft overwogen:

“13(…)Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser deze stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat afgezien van de door eiser overgelegde brief, waarvan verweerder heeft gesteld deze niet te hebben ontvangen en eiser het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt, eiser zijn stellingen niet nader heeft onderbouwd met vermelding van concrete namen van medewerkers van de Belastingdienst en data van de gevoerde telefonische gesprekken of met schriftelijke bescheiden. Tevens heeft eiser aangevoerd dat hij uit de brief van verweerder van 13 augustus 2013 (zie 1.10) inzake de aangifte IB/PVV 2011 afleidt dat alle aftrekposten zijn beoordeeld en akkoord zijn bevonden en dat een en ander is bevestigd in een telefoongesprek in september 2013 met een medewerker van de Belastingdienst. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Voor in rechte te beschermen vertrouwen is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat verweerder gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van omstandigheden die bij eiser de indruk hebben kunnen wekken dat een door verweerder gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling (vgl. HR 13 december 1989, nr. 25077, BNB 1990/119, ECLI:NL:HR:1990:ZC4179). Dergelijke omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht uitgaan van de juistheid van de door eiser ingediende aangifte. Door de ingediende aangifte op dit punt te volgen heeft verweerder geen expliciet standpunt ingenomen over de aftrekbaarheid van de kosten van levensonderhoud van zijn moeder noch kon bij eiser in redelijkheid de indruk doen ontstaan dat de gevolgde gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de betreffende aftrekpost niet met verweerder inhoudelijk is besproken, eiser geen informatie heeft overgelegd en dat eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder in een telefonisch gesprek op dit punt een expliciet standpunt heeft ingenomen. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.”

4.11

Het Hof deelt het hiervoor weergegeven oordeel van de Rechtbank en maakt dit tot zijne. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat als de Inspecteur reeds bij de behandeling van de aangiften in de IB/PVV voor de jaren 2010 en 2011 de aftrek wegens uitgaven voor onderhoudsverlichtingen voor zijn moeder niet had geaccepteerd, hij in september 2014 een hogere hypothecaire lening had kunnen afsluiten. In dat geval zou hij een groter belastingvoordeel door een hogere hypotheekrenteaftrek hebben gehad. De Rechtbank heeft hierover overwogen dat deze stelling, wat er verder ook van zij, niets afdoet aan de rechtmatigheid van de (navorderings)aanslagen. Het Hof deelt dit oordeel van de Rechtbank en neemt dit oordeel over.

4.12

In hoger beroep heeft belanghebbende in het kader van het door hem gedane beroep op het bij hem opgewekte vertrouwen nog aangevoerd dat de Belastingdienst onzorgvuldig heeft gehandeld. Het Hof begrijpt dit beroep aldus dat belanghebbende de Belastingdienst het verwijt maakt de brieven die belanghebbende heeft gestuurd en de telefonische gesprekken die hij heeft gevoerd over de onderhoudsbijdrage aan zijn ouders (en later alleen zijn moeder) alsook zijn aangiften vanaf 2001 niet heeft gearchiveerd.

4.13

Belanghebbende dient als degene die zich beroept op opgewekt vertrouwen dit beroep te onderbouwen en het ligt op de weg van belanghebbende om de van belang zijnde gegevens te verstrekken. De omstandigheid dat belanghebbende bescheiden waarmee hij zijn beroep op het vertrouwensbeginsel zou kunnen onderbouwen niet zelf heeft bewaard - belanghebbende schrijft dit onder meer in zijn brief d.d. 17 april 2015 aan de Belastingdienst - komt voor zijn risico. Belanghebbende heeft in hoger beroep hierover nog gesteld dat hij als burger de prijs betaalt voor de nalatigheid van de Belastingdienst. Belanghebbende heeft echter integendeel al sinds 2001 ten onrechte een onderhoudsverplichting voor zijn moeder heeft in aftrek gebracht en deze aftrek is tot de onderhavige jaren niet gecorrigeerd.

4.14

Tussen partijen is de cijfermatige uitwerking van elkaars standpunt niet in geschil. Op grond van het voorgaande zijn de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 2010 en 2011 terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld, en is de aanslag in de IB/PVV over 2012 terecht en tot het juiste bedrag gecorrigeerd.

4.15

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat in eerste aanleg ten onrechte driemaal griffierecht is geheven in plaats van eenmaal.

4.16

Voor de heffing van griffierecht moet bekeken worden of sprake is van samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, eerste lid, tweede volzin van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de beoordeling van de samenhang is de feitelijke grondslag van belang. In de zaak waarin de Hoge Raad op 19 februari 2010 uitspraak heeft gedaan (nr. 09/02253, ECLI:NL:HR:2010:BL4314) was sprake van één beroepschrift tegen de in één geschrift gevatte gelijkluidende uitspraken op bezwaar waarbij telkens dezelfde rechtsvraag aan de orde was. In de onderhavige zaken heeft belanghebbende één beroepschrift ingediend tegen drie uitspraken op bezwaar van weliswaar dezelfde datum, maar de uitspraken waren niet gelijkluidend omdat het feitencomplex voor de verschillende jaren niet gelijk was. Het Hof is daarom van oordeel dat geen sprake is samenhangende besluiten in de zin van voornoemd artikel en dat de Rechtbank terecht driemaal griffierecht heeft geheven.

4.17

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffings- en belastingrente. Belanghebbende heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat de heffingsrente- en belastingrente ten onrechte in rekening is gebracht omdat hij deze niet zou zijn verschuldigd als de Inspecteur de correcties eerder zou hebben aangebracht.

4.18

De Rechtbank hierover het volgende heeft overwogen:

“17(…) Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat als verweerder (eerder) een correctie had aangebracht bij het vaststellen van de (primitieve) aanslagen of de navorderingsaanslagen eerder had opgelegd, geen heffings- en belastingrente verschuldigd was, overweegt de rechtbank als volgt. Het belopen van die heffings- en belastingrente is het gevolg van de omstandigheid dat eiser een onjuiste aangifte heeft gedaan. Niet kan worden gezegd dat verweerder onzorgvuldig handelt doordat hij overeenkomstig de wettelijke bepalingen heffings- en belastingrente in rekening brengt ingeval van een correctie van een onjuistheid in de aangifte (vgl. HR 25 februari 2011, nr. 09/03966, ECLI:NL:HR:2011:BP5536). Voor beperking van heffings- en belastingrente ter zake van de (navorderings)aanslagen bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aanleiding, nu verweerder de navorderingsaanslagen terecht heeft opgelegd en de correctie terecht heeft aanbracht. Verder overweegt de Hoge Raad in het arrest van 1 oktober 2010, nr. 09/04669, ECLI:NL:HR:2011:BN8729, dat het zorgvuldigheidsbeginsel zich er tegen verzet dat heffingsrente over het nagevorderde bedrag in rekening wordt gebracht, indien het uitsluitend aan een vergissing van verweerder is te wijten dat het juiste bedrag dat is nagevorderd, niet meteen bij de vaststelling van de primitieve aanslag is geheven. In die zaak was sprake van een met een schrijf- en tikfout gelijk te stellen vergissing van de zijde van verweerder. Van een dergelijke situatie is in de onderhavige gevallen geen sprake. Eisers beroepsgrond faalt.”

Het Hof deelt dit oordeel van de Rechtbank en maakt dit tot de zijne, zodat het beroep ook in zoverre faalt.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 26 september 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 september 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.